Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AV1134

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-01-2006
Datum publicatie
06-02-2006
Zaaknummer
AWB 05/141
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een bijstandsgerechtigde heeft ingevolge artikel 36 van de WWB geen recht op een langdurigheidstoeslag indien hij een WAO-uitkering ontvangt naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 80%. Niet gesteld kan worden dat degenen met een gedeeltelijke WAO-uitkering met eventueel een (aanvullende) bijstandsuitkering door de enkele ontvangst van de WAO-uitkering een beter arbeidsmarktperspectief hebben dan bijstandsgerechtigden aan wie de verplichtingen inzake inschakeling in de arbeid zijn opgelegd en die alleen een bijstandsuitkering ontvangen. Dit onderscheid berust derhalve niet op objectieve en redelijke gronden. De betreffende bepaling in artikel 36 van de WWB moet in dit geval derhalve buiten toepassing worden gelaten wegens strijd met het non-discriminatiebeginsel, vastgelegd in artikel 26 van het IVBPR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 05/141

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser]

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. C.J.M. Fens,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 6 december 2004.

2. Procesverloop

Op 16 juni 2004 heeft eiser bij verweerder een verzoek om een langdurigheidstoeslag op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend.

Bij besluit van 7 juli 2004 heeft verweerder eisers verzoek afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en voor het overige het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 5 december 2005. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door mr. C.J.M. Fens en zijn echtgenote, [naam echtgenote]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door W.A.A. van Wees.

3. Overwegingen

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiser niet voldoet aan het vereiste voor toekenning van een langdurigheidstoeslag, omdat hij niet voldoet aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB gestelde voorwaarde dat voorafgaande aan zijn aanvraag hij gedurende een onafgebroken periode van 60 maanden geen inkomsten uit en/of in verband met arbeid heeft gehad, nu eiser een uitkering ontvangt op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35-45 %.

Namens eiser is het besluit gemotiveerd aangevochten. Op de namens eiser ingebrachte stellingen zal de rechtbank in het navolgende ingaan.

Artikel 36 WWB luidt, voor zover relevant, als volgt:

1. Het college verleent op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die:

a. gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft;

b. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen;

c. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode naar het oordeel van het college voldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden, en;

d. na een periode als bedoeld in onderdeel a, binnen een periode van twaalf maanden niet voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking is gekomen.

2. Bij de vaststelling van het inkomen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt een eerder verstrekte langdurigheidstoeslag buiten beschouwing gelaten.

3. De langdurigheidstoeslag wordt verleend met ingang van de datum waarop een periode als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is bereikt.

4. In afwijking van het eerste lid verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder:

a. die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van tenminste 80 procent;

b. voor wie bij de laatste arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is afgezien van het arbeidsdeskundig onderzoek, en;

c. die voldoet aan het eerste lid, onderdelen a, b, voorzover het inkomsten uit arbeid betreft, c, en d.

Eiser is van 1 januari 1977 tot en met 30 september 1994 werkzaam geweest bij Logam BV. Het dienstverband is beëindigd op bedrijfseconomische gronden. Van 3 oktober 1994 tot 9 juli 1999 heeft eiser een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (hierna: WW) ontvangen. Met ingang van 9 september 1998 is hem een WAO-uitkering toegekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 35-45%. Vanaf oktober 1997, toen eisers loongerelateerde werkloosheidsuitkering afliep, heeft eiser inkomsten op bijstandsniveau. Sedert 10 juli 1999 ontvangt eiser een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden, waarop de inkomsten uit de WAO-uitkering in mindering worden gebracht.

Niet in geding is dat het bestreden besluit in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB.

Namens eiser wordt betoogd dat artikel 36 van de WWB met de eis dat gedurende 60 maanden geen inkomsten uit of in verband met arbeid zijn ontvangen in strijd komt met het in internationale verdragen vastgelegde non-discriminatiebeginsel. Nu enkel het feit dat eiser een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt bepalend is voor zijn recht op de toeslag, wordt een - ongerechtvaardigd - direct onderscheid gemaakt als bedoeld in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), aldus eiser.

Namens eiser is aangevoerd dat iemand met een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering niet een beter perspectief heeft op arbeid dan een bijstandsgerechtigde die niet (volledig) is vrijgesteld van verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling.

Eiser kan zich er in vinden dat de wetgever blijkens de wetsgeschiedenis beoogt personen die financieel in eenzelfde positie op bijstandsniveau verkeren, maar een beter arbeidsmarktperspectief hebben, uit te sluiten van het recht op een toeslag.

Eiser betwist echter dat het ontvangen van inkomen in verband met arbeid een objectieve grond is waarmee het arbeidsmarktperspectief van betrokkene kan worden bepaald.

De vraag of iemand inkomen in verband met arbeid ontvangt, bijvoorbeeld in de vorm van een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, wordt eerder bepaald door iemands arbeidsverleden en daarmee indirect door diens leeftijd, dan door het arbeidsperspectief van betrokkene. Dit kan ertoe leiden dat een ex-zelfstandig ondernemer eerder recht heeft op de toeslag dan een werkloze en een jongere werkloze weer eerder dan een oudere werkloze.

In het geval van een gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer met een (gedeeltelijke) WAO-uitkering zoals eiser leidt die uitkering ertoe dat nooit een recht op de toeslag ontstaat. Eiser daarentegen stelt dat zijn uitzicht op werk zelfs slechter is dan dat van een volledig gezonde persoon met een bijstandsuitkering.

Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank als volgt.

Volgens constante jurisprudentie is het ingevolge artikel 26 IVBPR niet alleen op de in dat artikel genoemde gronden, maar op welke grond dan ook verboden onderscheid te maken tussen vergelijkbare gevallen, tenzij dit wordt gerechtvaardigd door objectieve en redelijke gronden.

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 36 van de WWB blijkt dat het ontbreken van een arbeidsmarktperspectief de enige rechtvaardigingsgrond vormt voor de afwijkende regeling voor de in het eerste lid, aanhef en onder b, bedoelde specifieke doelgroep.

Het gedurende een zo lange periode niet genieten van inkomsten uit of in verband met arbeid is volgens de Memorie van Toelichting op de WWB een “goed hanteerbaar criterium om vast te stellen dat het niet aannemelijk is dat betrokkene op korte termijn in staat zal zijn te werken” (zie TK 2002-2003, 28 870, nr 3, p 11).

Dit ontbreken van een perspectief op (inkomsten uit) arbeid is verder uitgewerkt in de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WWB en artikel 36, vierde lid, van de WWB gestelde voorwaarden dat voorafgaande aan zijn aanvraag de aanvrager gedurende een onafgebroken periode van 60 maanden geen inkomsten uit en/of in verband met arbeid heeft gehad, met uitzondering van degenen die een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen en voor wie bij de laatste arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is afgezien van het arbeidsdeskundig onderzoek.

Als gevolg hiervan hebben personen die een uitkering op grond van de WW of een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen, eventueel aangevuld met een bijstandsuitkering, geen recht op de toeslag.

De rechtbank constateert dat ingevolge artikel 36 van de WWB personen met alleen een bijstandsuitkering aan wie wel de verplichtingen inzake inschakeling in de arbeid zijn opgelegd en voor wie er dus in het kader van de bijstandsverlening een perspectief op arbeid is, niet worden uitgesloten van het recht op een toeslag. Niet gesteld kan worden dat degenen die een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering met eventueel een (aanvullende) bijstandsuitkering ontvangen door de enkele ontvangst van deze WAO-uitkering wel, danwel een beter arbeidsmarktperspectief hebben dan voornoemde groep bijstandsgerechtigden aan wie de verplichtingen inzake inschakeling in de arbeid zijn opgelegd en die alleen een bijstandsuitkering ontvangen. De rechtbank overweegt hiertoe dat het een feit van algemene bekendheid is dat het arbeidsmarktperspectief van (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten beduidend slechter is dan dat van degenen die volledig arbeidsgeschikt zijn.

De rechtbank concludeert hieruit dat de wetgever in artikel 36 van de WWB met de eis dat voor het recht op langdurigheidstoeslag geen inkomsten in verband met arbeid mogen zijn genoten, omdat daarmee vast zou staan dat perspectief op de arbeidsmarkt bestaat, onderscheid maakt tussen personen met een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering en een ander inkomen op bijstandsniveau dat niet op objectieve en redelijke gronden berust.

De in artikel 36 van de WWB neergelegde eis dat geen inkomen in verband met arbeid mag zijn genoten om in aanmerking te komen voor een toeslag dient derhalve, gelet op het bepaalde in artikel 26 van het IVBPR, in het geval van eiser buiten toepassing te worden gelaten.

Gelet hierop hoeft de rechtbank niet meer in te gaan op eisers subsidiaire grief.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven en de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644 en wijst de gemeente Arnhem aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt voorts dat de gemeente Arnhem het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 37 aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J. Barrau, voorzitter, mr. K.A.M. van Hoof en mr. E. Klein Egelink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.M.M. Kerkhoven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op

door de voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier, voornoemd.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: