Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AV0494

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
26-01-2006
Zaaknummer
340754 \CV EXPL 04-2318
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

'Korting op indexering pensioenen na akkoord tussen (voormalige) werkgever en vakverenigingen. Gepensioneerden aan akkoord zelf niet gebonden. Uitvoering akkoord door pensioenfonds alleen mogelijk na wijziging pensioenreglement. Gepensioneerden op grond van statuten gebonden aan wijziging pensioenreglement omdat wat betreft indexering geen sprake is van aantasting van over reeds door deelnemers vervulde dienstjaren verkregen rechten.'

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2006, 66
PJ 2006, 38 met annotatie van E. Lutjens
Prg. 2006, 38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Tiel

zaakgegevens 340754 \ CV EXPL 04-2318 \ 127 \ pjw

uitspraak van 25 januari 2006

Vonnis in de zaak van

1. de vereniging Vereniging van Gepensioneerden Campina VGC

gevestigd te Weert

2. [eiser]

wonende te Terborg

3. [eiser]

wonende te Callantsoog

4. [eiser]

wonende te Breda

5. [eiser]

wonende te Woerden

eisende partij

gemachtigde mr. E.A.A. Dijxhoorn

tegen

de stichting Stichting Pensioenfonds Campina

gevestigd te Zaltbommel

gedaagde partij

gemachtigde mr. P.F. Doornik

1. De procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit

- het tussenvonnis van 22 juni 2005

- de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen van 21 september 2005.

2. De feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

2.1 De Stichting is een ondernemingspensioenfonds van Campina B.V. als bedoeld in art. 1 lid 1 sub c van de Pensioen- en Spaarfondsenwet.

De Stichting heeft ten doel

“het doen van pensioenuitkeringen aan diegenen die daar krachtens het pensioenreglement recht op hebben, zomede al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn”.

2.2 Artikel 6 lid 3 van de statuten van de Stichting luidt als volgt:

“Indien en voor zover bij een statutenwijziging of pensioenreglementswijziging de belangen van de deelnemers op een of meer onderdelen rechtstreeks en in negatieve zin zijn betrokken, zal deze wijziging geschieden na voorlegging aan de deelnemers en nadat ten minste de helft van de door de deelnemers uitgebrachte stemmen voor de wijziging is uitgebracht en zonder aantasting van over reeds door de deelnemers vervulde dienstjaren verkregen aanspraken of rechten, tenzij en voorzover de middelen van de stichting zulks op grond van een berekening door de actuaris vereisen, ten gevolge waarvan tot een evenredige vermindering van de pensioenaanspraken en -rechten zal worden overgegaan.”

2.3 Over de uitkeringen waar het in deze procedure om gaat, is in art. 10 lid 1 van het van toepassing zijnde pensioenreglement (eindloonregeling) het volgende bepaald:

“Telken jare worden op 1 januari de krachtens dit reglement ingegane pensioenen en de aanspraken van gewezen deelnemers, als bedoeld in de’Regeling omschrijving gewezen deelnemers’ voortvloeiende uit het bepaalde in art. 8 lid 9 van de Pensioen- en spaarfondsenwet, procentueel verhoogd overeenkomstig de procentuele stijging van het prijsindexcijfer van de maand september van het voorgaande jaar ten opzichte van de maand september van het daaraan voorafgaande jaar, mits de beschikbare middelen van de Stichting zulks toelaten. Indien het aldus vastgestelde stijgingspercentage meer dan 3% is, zal het bestuur de werkgever vooraf verzoeken middelen ter beschikking te stellen voor de verhoging die genoemde 3% overtreft.”

2.4 Tussen Campina Melkunie B.V. en de Stichting is een zogenaamde aansluitingsovereenkomst totstandgekomen. In art. 4 van deze overeenkomst is het volgende bepaald:

“De onderneming (Campina, ktr) zal aan het pensioenfonds (de Stichting, ktr) de premies voldoen die berekend zijn volgens de actuariële en bedrijfstechnische nota van het pensioenfonds. Deze nota kan alleen worden gewijzigd met goedvinden van de onderneming.”

2.5 In deze actuariële en bedrijfstechnische nota (ABTN) is onder 3.3 onder meer het volgende bepaald:

“Aan het begin van het boekjaar wordt de bruto premie voor de in dat jaar te verwachten aanwas van de pensioenaanspraken door backservice (oude regeling), door indexatie en door voortschrijden diensttijd bepaald en in rekening gebracht.”

Onder 3.6 onder de kop Sturingsmiddelen is onder meer het volgende bepaald:

“De kosten van indexatie worden aan de contribuanten (Campina, ktr) in rekening gebracht. Mocht om welke reden dan ook de koopsom niet of niet geheel voldaan worden, dan kan het bestuur, indien de middelen van het pensioenfonds niet toereikend zijn besluiten de mate van indexering te beperken c.q. indexering niet toe te kennen.”

2.6 Bij brief van 5 november 2002 heeft de Stichting onder meer het volgende aan de gepensioneerden, onder wie eisers 2 t/m 5, bericht:

“Het berekende prijsindexcijfer over 2001 is uitgekomen op 3.7%. Voor de aanpassing van de pensioenen per 1 januari 2002 heeft het pensioenfonds Campina zich vervolgens reglementair gewend tot de onderneming met het verzoek de indexatie boven de 3,0%, zijnde 0,7% voor haar rekening te willen nemen.

De onderneming heeft dit verzoek niet gehonoreerd. Hetgeen betekent dat de per 1 januari 2002 uitgevoerde indexatie uiteindelijk uitkomt op 3,0%. Zelfstandig mag het pensioenfondsbestuur geen indexatie boven 3% vaststellen.”

2.7 Bij rondschrijven van 8 september 2003 hebben Campina, CNV Bedrijvenbond, FNV Bondgenoten en De Unie als onderhandelingsresultaat naar buiten gebracht dat medewerkers en inactieven tijdelijk een extra bijdrage gaan betalen ‘om de financiering van het pensioen weer gezond te maken’. Onder het kopje Eigen bijdrage inactieven is het volgende te lezen:

“De zogeheten inactieven leveren een bijdrage door een korting op de toekomstige indexering. Tot het moment dat de financiering van het pensioen weer gezond is, wordt een korting toegepast van 1,5 procent op de indexering. (Voorbeeld indexering is 2 procent. Korting 1,5 procent dus de feitelijke indexering is: 0,5 procent)”

2.8 Het bestuur van de Stichting heeft vervolgens bij rondschrijven van 19 januari 2004 gericht aan ‘de gepensioneerden’ onder meer het volgende bericht:

“Omdat deze indexering deel uitmaakt van de verantwoordelijkheid van het bestuur van het pensioenfonds hebben wij deze maatregelen vanuit het pensioenfondsbestuur bekeken. Hierbij zijn wij tot de slotsom gekomen dat het evenwichtiger is om de korting op de indexering van de jaren 2004 tot en met 2008 te stellen op 1,2% in plaats van 1,5%. De deelnemersraad heeft hierover een positief advies uitgebracht.

2.9 In het najaar van 2004 is aan art. 10 van het pensioenreglement het volgende lid toegevoegd:

“Voor de jaren 2004 tot en met 2008 wordt op het volgens lid 1 bepaalde indexatiepercentage 1,2%-punt in mindering gebracht, een per saldo negatieve uitkomst wordt op nihil gesteld. Zodra op enig moment in genoemde periode sprake zou zijn van premiekorting zal de in de vorige zin omschreven korting worden opgeheven.”

De deelnemersraad van de Stichting en meer dan de helft van de deelnemers zijn met deze wijziging akkoord gegaan.

2.10 Eiseres sub 1 is een vereniging die zich onder meer ten doel stelt het behartigen van de belangen van de leden ten aanzien van pensioenaangelegenheden. Eisers 2 t/m 5 ontvangen een ouderdomspensioen op basis van het Pensioenreglement.

3. De vordering en het verweer

3.1 Na de vermeerdering van hun eis vorderen eisers dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. verklaart voor recht dat de Stichting in strijd handelt met het Pensioenreglement door te korten op de indexering als bedoeld in art. 10 van het Pensioenreglement in de jaren 2004 t/m 2008 ad 1,2%

althans subsidiair:

verklaart voor recht dat de Stichting in strijd handelt met het Pensioenreglement door te korten op de indexering als bedoeld in art. 10 van het Pensioenreglement in het jaar 2004;

2. de Stichting gebiedt haar verplichting uit hoofde van de aansluitingsovereenkomst met Campina Melkunie B.V., althans Campina Zuivel B.V. na te komen en aldus van de in de aansluitingsovereenkomst genoemde onderneming te vorderen dat zij aan de Stichting de verschuldigde premies voldoet, op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat de Stichting met de nakoming hiervan in gebreke blijft;

3. de Stichting veroordeelt om aan eisers, althans eisers sub 2 tot en met 5 te voldoen de indexering als bedoeld in art. 10 van het pensioenreglement boven 3% over de jaren 2002 ad 0,7% en 2003 ad 0,2%;

met veroordeling van de Stichting in de kosten van de procedure.

3.2 Eisers onderbouwen hun vordering verkort weergegeven als volgt.

Op grond van art. 10 van het pensioenreglement, zoals dit luidde voor de wijziging ervan, in samenhang met de bepalingen in de ABTN, hebben gepensioneerden van Campina een onvoorwaardelijk recht op indexering van hun pensioenuitkering en is Campina verplicht om daarvoor voldoende financiële middelen ter beschikking te stellen. Zowel de beperking van de indexering tot 3% voor de jaren 2002 en 2003, als de korting met 1,2% voor de jaren 2004 tot en met 2008 is in strijd met het pensioenreglement en de mede van toepassing zijnde regelingen, zoals de ABTN. Volgens eisers is er sprake van een aantasting van verworven rechten. De wijziging van art. 10 van de statuten is daarom niet rechtsgeldig, omdat er geen sprake is van onvoldoende financiële middelen bij de Stichting, die een dergelijke ingreep nodig maken. In dat verband wijzen eisers op een aantal verklaringen van onder meer oud-directieleden van Campina, inhoudend dat Campina heeft toegezegd het vermogen van de Stichting zonodig aan te vullen in verband met de restitutie van € 180.203.000,00 door de Stichting aan Campina in de jaren 1994 – 2001.

3.3 De Stichting voert verweer. Dat verweer wordt hierna zonodig besproken.

4. De beoordeling

4.1 Het gaat in deze zaak onder meer om de uitleg van het pensioenreglement dat wordt gehanteerd door een pensioenfonds, de Stichting, waarvan de werkgever, Campina, ten behoeve van haar werknemers onder bepaalde, in dat reglement nader uitgewerkte, voorwaarden het recht op een pensioenuitkering heeft bedongen. Eisers 2 t/m 5 hebben hun uit dit reglement voortvloeiende rechten aanvaard, zodat zij op grond van art. 6: 254 lid 1 BW hebben te gelden als partij bij de tussen Campina en de Stichting gesloten overeenkomst(en). Aan de orde is hoe dit pensioenreglement moet worden uitgelegd in de relatie tussen de (gewezen) werknemers en de Stichting, waarbij aantekening verdient dat de (gewezen) werknemers op de bewoordingen waarin het reglement is gesteld, geen invloed hebben gehad en dat de overwegingen waarop het reglement is geredigeerd, voor hen niet kenbaar zijn.

4.2 Vaststaat dat eisers niet betrokken zijn geweest bij de in 2.7 genoemde afspraak tussen Campina enerzijds en de daar genoemde vakorganisaties anderzijds.

In zoverre zijn eisers dus niet gebonden aan die nadere afspraak die onder meer inhield dat de zogenaamde inactieven “een bijdrage leveren door een korting op de toekomstige indexering”. Eisers hebben onweersproken gesteld dat zij geen lid zijn van één van de partijen bij die de nadere afspraak, zodat zij ook in zoverre niet zijn gebonden. Of er sprake is van een CAO of niet is daarbij, anders dan de Stichting stelt, niet van belang, alleen al omdat eisers niet, althans niet meer zijn te beschouwen als werknemer.

4.3 Hetgeen hiervoor is overwogen ligt anders als dit volgt uit de overeenkomst(en) tussen Campina en de Stichting, waarbij de (gewezen) werknemers partij zijn geworden doordat zij de toepasselijkheid van het pensioenreglement hebben aanvaard.

4.4 In art 3.3 en 3.6 van de ABTN is als uitgangspunt neergelegd dat Campina ook de kosten van indexering aan de Stichting betaalt. Art. 3.6 geeft wel een uitzondering, maar die is vaag. Genoemd uitgangspunt houdt in dat het Campina niet vrijstaat, althans niet zonder meer, om te besluiten de indexering niet te betalen. Voor zover dit door de contractspartijen anders is bedoeld, kan dit gezien de gebezigde formulering niet aan eisers worden tegengeworpen. De regeling in de ABTN sluit aan bij art. 10 van het pensioenreglement, zoals dit luidde tot de wijziging ervan in 2004. Daaruit volgt dat de pensioenuitkeringen worden geïndexeerd, voor zover de middelen van de Stichting dit toelaten. Alleen voor het geval het indexeringspercentage hoger is dan 3% wordt voor het meerdere het voorbehoud gemaakt dat de Stichting Campina vooraf verzoekt voldoende middelen ter beschikking te stellen. Kennelijk staat het Campina vrij om dit te weigeren. In zoverre is het recht op indexering voorwaardelijk, zoals door de Stichting is gesteld. De kantonrechter ziet niet in dat dit ook geldt voor de indexering tot 3%. Omdat Campina de kosten van indexering moet betalen, doet zich in zoverre in beginsel niet de situatie voor dat de Stichting onvoldoende middelen heeft om de pensioenuitkeringen te indexeren. De actuaris van de Stichting merkt in zijn brief van 4 juni 2004 in verband met de noodzaak tot aanpassing van het plan van aanpak om de reservepositie van de Stichting te vergroten dan ook op “dat het voor de financiële positie van het fonds nauwelijks uitmaakt of al dan niet korting op indexaties plaats vindt, zolang de rekening ervan door de onderneming wordt voldaan”.

4.5 Vast staat dat Campina met betrekking tot de kalenderjaren 2002 en 2003 de indexering niet heeft betaald voor zover deze meer dan 3% bedraagt. Aan de voorwaarde die in art. 10 van het pensioenreglement is gesteld voor de uitbetaling van de indexering boven 3% is daarom niet voldaan, zodat de eisers 2 t/m 5 en de overige door VGC vertegenwoordigde (gewezen) werknemers van Campina in zoverre geen aanspraak hebben jegens de Stichting. De vordering onder 3 die daarop ziet wijst de kantonrechter dan ook af.

4.6 Daarentegen maken eisers 2 t/m 5 en de door VGC vertegenwoordigde (gewezen) werknemers van Campina in beginsel wel terecht aanspraak op betaling van de indexering tot 3% over de kalenderjaren 2004 tot en met 2008. Dit is alleen anders als geconcludeerd moet worden dat de hiervoor in 2.9 genoemde wijziging van art. 10 van het pensioenreglement in overeemstemming met de statuten van de Stichting totstandgekomen is en deze wijziging ook aan eisers kan worden tegengeworpen.

4.7 De Stichting heeft onweersproken gesteld dat de deelnemersraad en meer dan de helft van de deelnemers van de Stichting met de hiervoor bedoelde wijziging van art. 10 van het pensioenreglement akkoord zijn gegaan.

Daarom is het besluit tot wijziging op grond van art. 6 van de statuten van de Stichting in beginsel rechtsgeldig genomen. Dat een en ander de facto neerkomt op een bekrachtiging van een eerder genomen besluit doet daar niet aan af. Dit ligt alleen anders als er sprake is van “aantasting van over reeds door de deelnemers vervulde dienstjaren verkregen aanspraken of rechten”, hetgeen volgens de tekst van art. 6 van de statuten alleen mogelijk is voor zover de middelen van de Stichting dat op grond van een berekening door de actuaris vereisen. Zo’n actuariële berekening ontbreekt, althans de actuaris geeft aan dat het achterwege laten van de indexering geen invloed heeft op de middelen van de Stichting.

4.8 Naar het oordeel van de kantonrechter brengt een redelijke uitleg in het licht van hetgeen is overwogen in 4.1 mee dat, anders dan eisers stellen, wat betreft de indexering geen sprake is van “aantasting van over reeds door de deelnemers vervulde dienstjaren verkregen rechten”. Dit is alleen al het geval omdat het percentage van de indexering niet van te voren vastligt.

Dat een aanspraak op indexering in de regelingen is vastgelegd maakt dat niet anders. Hetzelfde geldt voor de in verband daarmee vastgelegde regelingen voor de financiering van die indexering. Omdat de wijziging van art. 10 van het pensioenreglement wel een wijziging is waarbij de belangen van de deelnemers in negatieve zin zijn betrokken, is wel vereist dat ten minste de helft van de deelnemers met de wijziging akkoord gaat, maar aan dat vereiste is voldaan, zoals hiervoor al is overwogen.

4.9 De wijziging van art.10 van het pensioenreglement is dus rechtsgeldig totstandgekomen. Niet valt in te zien dat deze wijgiging niet aan eisers kan worden tegengeworpen door de Stichting. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken die meebrengen dat de redelijkheid en billijkheid een ander oordeel vergen.Weliswaar hebben eisers onweersproken gesteld dat de Stichting in de loop der jaren een aanzienlijk bedrag naar Campina heeft teruggestort, maar dat is voor de beoordeling van het geschil niet van belang, omdat de reden voor de ingreep niet is geweest dat de Stichting over onvoldoende middelen beschikte. Om dezelfde reden speelt geen rol of Campina, zoals eisers hebben gesteld, heeft toegezegd dat zij het teruggestorte bedrag aan de Stichting zal retoureneren als dat in verband met de financiële positie van de Stichting nodig zou zijn. Van belang is ten slotte dat de Pensioen- en verzekeringskamer naar aanleiding van een klacht van VGC en tien leden van de deelnemersraad van de Stichting heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat de Stichting met de wijziging van art. 10 van het pensioenreglement, “de belangen van belanghebbenden niet op evenwichtige wijze heeft behartigd”.

4.10 De conclusie is dat de vorderingen van eisers worden afgewezen. Pas in de loop van de procedure heeft de Stichting art. 10 zodanig gewijzigd dat de vorderingen van eisers niet langer toewijsbaar zijn.Partijen moeten daarom hun eigen kosten dragen.

5. De beslissing

De kantonrechter

wijst de vorderingen van eisers af;

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. P.J. Wiegman en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2006.