Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AV0473

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
11-01-2006
Datum publicatie
26-01-2006
Zaaknummer
134817
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillissement van eerder opgeheven en volgens bestuurder(s) ontbonden vennootschap. Summierlijk gebleken van bate(n).

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 19
Burgerlijk Wetboek Boek 2 23c
Burgerlijk Wetboek Boek 2 248
Financiële-verhoudingswet
Financiële-verhoudingswet 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 238
JRV 2006, 253
JIN 2006/111
JOR 2006/120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaaknummer: 134817

Insolventienummer: 06/14 F / es

Datum vonnis: 11 januari 2006

Vonnis

op het verzoek van

de naamloze vennootschap

BEHEERMAATSCHAPPIJ ‘[verzoekster]’ N.V.,

verzoekster,

procureur mr. W.J.G.M. van den Broek,

tot faillietverklaring van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerder] B.V.,

gevestigd te Arnhem,

verweerster,

verschenen in persoon.

De gang van zaken

De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift strekkende tot faillietverklaring van [verweerder] B.V. Het verzoek is ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Beheermaatschappij ‘[verzoekster]’ N.V., statutair gevestigd te [adres] (nader te noemen: verzoekster). Het verzoek is ter zitting van 4 januari 2006 behandeld. Namens verzoekster is verschenen mr. M.S.W. Begheijn. Namens [verweerder] B.V. is verschenen [verweerder]. De uitspraak is op heden bepaald.

De beoordeling

In dit geval doet zich de bijzondere omstandigheid voor dat verzoekster op 15 augustus 2005 door een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders (art. 2: 19 lid 1 B.W.) is ontbonden en dat het bestuur opgaaf heeft gedaan aan het handelsregister bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Centraal Gelderland dat er op het tijdstip van ontbinding geen baten meer (zouden) zijn en dat de verzoekster is opgehouden te bestaan (art. 2: 19 lid 4 B.W.).

Door de voormalig (mede-)aandeelhouder en medebestuurder van [verweerder] B.V. is er ter zitting op gewezen dat [verweerder] B.V. is opgehouden te bestaan. Het is echter vaste jurisprudentie dat het oordeel van het bestuur van een ontbonden rechtspersoon geen baten meer heeft en is opgehouden te bestaan, vatbaar is voor toetsing door de rechter indien een schuldeiser, stellende dat de rechtspersoon nog baten heeft, het faillissement aanvraagt. De rechter dient dan niet alleen te beoordelen of aan de vereisten voor faillietverklaring is voldaan, maar moet ook de vraag beantwoorden of summierlijk is gebleken dat er nog baten zijn. Is aan bedoelde voorwaarden voldaan en wordt deze vraag bevestigend beantwoord, dan moet het faillissement worden uitgesproken en moet de rechtspersoon geacht worden ter afwikkeling van het faillissement te zijn blijven bestaan (HR 27 januari 1995 NJ 1995, 579).

In dit geval staat vast dat verzoekster een vordering heeft op [verweerder] B.V. en dat [verweerder] B.V. in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. Aan de (“normale”) vereisten voor faillietverklaring is dus voldaan.

De rechtbank is verder van oordeel dat summierlijk is gebleken dat er nog baten zijn. Namens verzoekster is ter zitting – onweersproken – gesteld dat de jaarrekening over 2002 niet tijdig openbaar zijn gemaakt (zijn gedeponeerd) zodat op grond van art. 2: 248 Fw. niet alleen geldt dat sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur maar ook dat – behoudens tegenbewijs – moet worden aangenomen dat dit kennelijk onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Op grond hiervan zijn de bestuurders jegens de boedel – de gezamenlijke crediteuren – hoofdelijk aansprakelijk voor het tekort. Daarnaast is aangevoerd dat er - ook buiten de te late deponering van de jaarrekening - anderszins aanwijzingen zijn voor onbehoorlijk bestuur. Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat summierlijk is gebleken dat er nog baten zijn, zijnde in dit geval een mogelijke vordering jegens de (voormalige) bestuurders van [verweerder] B.V. op grond van art. 2: 248 B.W.

De slotsom is dat het faillissement van [verweerder] B.V. moet worden uitgesproken.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verweerder] B.V., statutair gevestigd te [adres], ingeschreven bij de Kamer van Koophandel Centraal Gelderland onder nummer 09120702,

in staat van faillissement;

benoemt tot rechter-commissaris het lid van deze rechtbank mr. B.J. Engberts;

stelt aan tot curator mr. S.V. Hardonk

Postbus 560

6800 AN Arnhem

geeft last aan de curator tot het openen van aan de gefailleerde gerichte brieven en telegrammen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Engberts en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van W.H. van Alst als griffier op 11 januari 2006.

de griffier de rechter