Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AV0210

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-01-2006
Datum publicatie
25-01-2006
Zaaknummer
AWB 05/985
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom; bestemming bijzondere doeleinden: het houden van feesten en recepties is in strijd met deze bestemming. Tegen de hoogte van de dwangsom kunnen niet pas in beroep grieven worden aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 05/985

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

Stichting 't Ubbergs Kerkje, eiseres,

gevestigd te Ubbergen, vertegenwoordigd door mr. B.J. Zippelius,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ubbergen, verweerder,

alsmede

[X], wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. W.J.B.M. Alkemade, partij ex artikel 8:26 van de Awb.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 7 maart 2005.

2. Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2004 heeft verweerder eiseres gelast ’t Ubbergs Kerkje niet meer te verhuren en/of gebruiken voor het houden van feesten en recepties, onder oplegging van een dwangsom van € 2500,- per overtreding met een maximum van € 50.000,-.

Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het bezwaar is behandeld door de Commissie voor de Bezwaarschriften van de gemeente Ubbergen (verder: de commissie). De commissie heeft op 23 februari 2005 advies aan verweerder uitgebracht.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd. Voor de motivering van het besluit heeft verweerder verwezen naar het advies van de commissie.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Bij schrijven van 17 mei 2005 heeft [X] zich gesteld als partij in het geding.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 16 december 2005. Namens eiseres zijn verschenen [Y], voorzitter, en [Z], secretaris/penningmeester, bijgestaan door mr. B.J. Zippelius, gemachtigde van eiseres. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S. van den Broek, werkzaam bij de gemeente Ubbergen. [X] is verschenen, bijgestaan door mr. W.J.B.M. Alkemade, advocaat te Nijmegen.

3. Overwegingen

In het besluit van 19 oktober 2004 is de lastgeving als volgt geformuleerd:

“De horeca-activiteiten, althans daarmee gelijk te stellen gebruik, in ’t Ubbergse kerkje direct te staken en blijvend gestaakt te houden.Dit betekent concreet dat het kerkje niet meer verhuurd en/of gebruikt mag worden voor het houden van feesten en recepties.”

Uit de tweede geciteerde volzin en de overige tekst van het besluit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de strekking van het besluit is dat ’t Ubbergse Kerkje niet meer gebruikt mag worden voor feesten en recepties. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de lastgeving in deze zin moet worden verstaan. Derhalve kan voorbij worden gegaan aan hetgeen namens eiseres naar voren is gebracht met betrekking tot de term “horeca-activiteiten”.

Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder het besluit van 19 oktober 2004 heeft gehandhaafd. Naar het oordeel van de rechtbank brengt hetgeen is overwogen in het bestreden besluit geen wijziging in de lastgeving, zoals opgenomen in het besluit van 19 oktober 2004. De laatste alinea van pagina 1 van het bestreden besluit merkt de rechtbank aan als de visie van verweerder op hetgeen, in aanmerking genomen de lastgeving in het besluit van 19 oktober 2004, al dan niet is toegestaan. Thans kan in het midden blijven of die visie van verweerder juist is.

Ingevolge het bestemmingsplan “Beschermd dorpsgezicht Ubbergen e.o.” rust op het perceel Rijksstraatweg nummer 38, ’t Ubbergs Kerkje, de bestemming Bijzondere doeleinden. Ingevolge artikel 10.1 van de bestemmingsvoorschriften zijn de als “Bijzondere doeleinden” op de plankaart aangegeven gronden bestemd voor religieuze, culturele en sociale doeleinden, doeleinden voor onderwijs en gezondheidszorg en overheids- en semi-overheidsdiensten, met uitsluiting van bedrijfsinstellingen van openbaar nut. Artikel 10.4.1 bepaalt dat het verboden is de in dit artikel bedoelde gronden en opstallen te gebruiken in strijd met de bestemming. Ingevolge artikel 10.4.2 wordt het gebruik van opstallen als kantine, voor zover het betreft een ondergeschikte nevenactiviteit ten behoeve van de in 10.1 genoemde doeleinden, geacht in overeenstemming met de bestemming te zijn.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik van ‘t Ubbergs Kerkje ten behoeve van feesten en recepties in strijd is met de aan de gronden en opstallen gegeven bestemming in het bestemmingsplan.

In geval van feesten en recepties is geen sprake van gebruik als kantine, zoals bedoeld in artikel 10.4.2, ook niet indien een feest of receptie plaatsvindt in het kader van een huwelijksvoltrekking of andere toegestane activiteit in het kerkje. Een feest of receptie in het kader van (meestal: aansluitend aan) een huwelijksvoltrekking of andere activiteit moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als een zelfstandige activiteit en niet als een ondergeschikte nevenactiviteit.

Hoewel niet volledig vastomlijnd, zijn de begrippen feest en receptie naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk. Derhalve moet voorbij worden gegaan aan de stelling van eiseres dat de lastgeving onvoldoende duidelijk is.

In het besluit van 19 oktober 2004 is verwezen naar de brief van verweerder van 27 september 2004 en gesteld dat op 30 september 2004 is geconstateerd dat weer een feest is gegeven. In de brief van 23/27 september 2004 is verwezen naar de brief van verweerder van 16 september 2004 en naar een gesprek dat [Y], voorzitter van eiseres, op 22 september 2004 heeft gehad met medewerkers van de gemeente. Uit het bezwaarschrift van eiseres van 2 december 2004 blijkt dat tijdens het gesprek op 22 september 2004 de klachten van [X] en de door hem aan verweerder overgelegde foto’s aan de orde zijn geweest. Aldus is voldoende duidelijk dat de lastgeving niet slechts is gebaseerd op de activiteit van 30 september 2004, maar ook op de activiteiten van 10 juli 2004, 28 augustus 2004 en 17 september 2004. Dat de lastgeving niet slechts is gebaseerd op de activiteit van 30 september 2004 volgt ook uit het gegeven dat de zogenaamde vooraankondiging (brief 23/27 september 2004) dateert van vóór 30 september 2004.

De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van gebruik van het kerkje en de grond in strijd met het bestemmingsplan. Hoewel eiseres terecht heeft gesteld dat [X] belanghebbende in deze zaak is, is uit de foto’s van de activiteiten van 10 juli en 28 augustus 2004 voldoende duidelijk dat sprake was van recepties. Op de foto’s is te zien dat grote groepen personen zich buiten ophouden, met consumpties in de hand, dat drank is aangevoerd, dat bedienend personeel aanwezig is. Voorts heeft [X] onweersproken gesteld dat op 28 augustus 2004 buiten live muziek werd gemaakt. De beschrijving die [X] in zijn brief van 20 september 2004 geeft van de activiteit op 17 september 2004 is door eiseres niet, althans onvoldoende, weersproken. Gelet op het voorgaande kan de rechtbank in het midden laten of op 30 september 2004 eveneens sprake is geweest van gebruik in strijd met het bestemmingsplan.

Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder bevoegd was om handhavend op te treden.

Gelet op het algemene belang dat gediend is met handhaving, zal, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift, het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat geen concreet uitzicht op legalisatie bestaat en dat handhavend optreden niet zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat daarvan behoort te worden afgezien. Eiseres heeft een en ander niet bestreden. De conclusie is derhalve dat verweerder terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden.

De rechtbank is van oordeel dat voorbij moet worden gegaan aan de beroepsgronden die betrekking hebben op de hoogte van de dwangsom, omdat deze gronden voor het eerst in beroep zijn aangevoerd. De hoogte van de dwangsom is een onderdeel van het dwangsombesluit dat zodanig los staat van de andere onderdelen van dat besluit, dat het niet mogelijk is om voor het eerst in beroep gronden hiertegen aan te voeren. De rechtbank vindt steun voor deze benadering in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) van 24 november 2004, JB 2005/36.

De uitspraak van de Afdeling van 10 september 2003, AB 2004/4, waarop door eiseres een beroep is gedaan, ziet op een situatie die niet vergelijkbaar is met de onderhavige zaak. In die uitspraak ging het, voor zover op basis van die uitspraak valt na te gaan, immers niet om een beroepsgrond tegen een onderdeel van een besluit waartegen eerder nog geen gronden waren aangevoerd.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen.

Het beroep dient mitsdien ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. D.J. Post, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.C.G. Sturkenboom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2006.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: