Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AU9636

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
10-01-2006
Datum publicatie
16-01-2006
Zaaknummer
AWB 05/2615
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 19 lid1 WRO; vrijstelling te ruim; welstandsnota.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 05/2615

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

a. [X] en [Y], h.o.d.n. [Z];

b. V.O.F. [B];

c. Service Apotheek Asklepios B.V.;

eisers,

wonende c.q. gevestigd te [plaats], vertegenwoordigd door mr. I.E. Nauta,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld, verweerder,

alsmede

[D B.V.], partij ex artikel 8:26 van de Awb, te [plaats].

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 15 juni 2005.

2. Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2004 heeft verweerder aan [D B.V.] (verder: vergunninghoudster) met toepassing van artikel 19, eerste lid , van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling van het vigerende bestemmingsplan en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfspand aan de [adres] in Barneveld.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar deels gegrond verklaard, de verleende vrijstelling nader gepreciseerd en de bouwvergunning gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Bij (fax)schrijven van 29 augustus 2005 heeft vergunninghoudster zich gesteld als partij in het geding.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 9 december 2005. Van eisers zijn aldaar verschenen, [X] en [B], bijgestaan door mw. mr. I.E. Nauta, advocaat te Arnhem. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. P. Miller, ambtenaar der gemeente. Vergunninghoudster is verschenen bij H.J. du Gardijn, bijgestaan door mr. J.W. van der Linde, advocaat te Ede.

3. Overwegingen

Het bouwplan behelst de oprichting van een bedrijfspand op het terrein “De Burgt” in Barneveld, teneinde daarin het hoofdkantoor van vergunninghoudster en een magazijn voor de distributie en verwerking van kleding te vestigen.

Op het betreffende perceel rust ingevolge het bestemmingsplan “De Burgt I” de bestemming “Dienstverlening”. Ingevolge artikel 14 van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor (para) medische, sociale, educatieve, maatschappelijke, culturele, recreatieve en religieuze dienstverlening, niet zijnde detailhandel en horeca. Blijkens de toelichting kan onder deze bestemming mede financiële dienstverlening worden begrepen, hetgeen overigens tussen partijen niet in geschil is.

Niet in geschil is voorts dat de activiteiten, waarvoor vergunninghoudster het bedrijfspand wil gebruiken, in strijd zijn met de bestemming “Dienstverlening”, zodat een bouwvergunning niet zonder vrijstelling van het bestemmingsplan kan worden verleend. In geschil is slechts of verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten ten behoeve van het beoogde gebruik van het bedrijfspand een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO te verlenen.

Eisers zijn allereerst van oordeel dat het project niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. De realisering van een - volgens eisers - groothandel/distributiecentrum is volgens eisers in strijd met de bedoelingen van de planwetgever. Vergunninghoudster had volgens eisers zonder vrijstelling terecht gekund op een van de andere bedrijventerreinen in de gemeente. Naar de mening van eisers is het beoogd gebruik van het bedrijfspand onvergelijkbaar met het gebruik binnen de functie “Dienstverlening”. Zij vrezen voorts dat door verlening van de onderhavige vrijstelling een in beginsel onbeperkt gebruik van het pand als groothandel/distributiecentrum mogelijk wordt. Eisers vrezen voorts een ontoelaatbare toename van het aantal verkeersbewegingen, waartoe verweerder geen eigen onderzoek heeft verricht maar zonder meer is afgegaan op informatie van vergunninghoudster. Ten slotte hebben eisers gesteld dat het bouwplan qua karakter, beeldkwaliteit en bebouwingsstructuur niet voldoet aan hetgeen beschreven wordt in de toelichting bij het bestemmingsplan “De Burgt I”, noch voldoet aan de nota Beeldkwaliteit en de welstandsnota.

De rechtbank overweegt vooreerst dat verweerder een beslissing diende te nemen op basis van de ingediende bouwaanvraag. Het standpunt van eisers dat het pand op een andere locatie thuishoort, dient - wat hiervan verder zij - buiten beschouwing te worden gelaten.

De rechtbank stelt verder vast dat de ruimtelijke onderbouwing, zoals vereist ingevolge het eerste lid van artikel 19 WRO, is verwoord in een 'Nadere toelichting bij de aanvraag afgifte verklaring van geen bezwaar', welk stuk als bijlage 2 bij de bouwvergunning is gevoegd. Hierin is - samengevat - aangegeven dat de beoogde kantoor- en magazijnfunctie van het bedrijfspand niet gepaard zal gaan met grootschalige logistieke activiteiten, maar een verzorgende functie heeft voor de winkels van vergunninghoudster en als zodanig dicht bij de bestemming dienstverlening ligt. Verder blijkt daaruit dat een stedenbouwkundige toets heeft plaatsgevonden op basis van de nota Beeldkwaliteit en dat de tegen het bouwplan ingediende zienswijzen zijn besproken. De rechtbank stelt verder vast dat gedeputeerde staten van Gelderland op 30 november 2004 een verklaring van geen bezwaar hebben afgegeven, waarin onder meer tot uitdrukking is gebracht dat de hiervoor bedoelde toelichting voldoende inzicht biedt in zowel de ruimtelijke als functionele aspecten die aan het bouwplan zijn verbonden. Voorts wordt daarbij op grond van de afwegingen in genoemde toelichting de gemeentelijke conclusie gedeeld dat het bouwplan planologisch aanvaardbaar kan worden geacht.

Naar het oordeel van de rechtbank is aldus bij de ruimtelijke onderbouwing van het project ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, zoals artikel 19 WRO voorschrijft, en kan ook overigens niet worden gezegd dat deze dermate te kort schiet dat zij geen basis voor de onderhavige vrijstelling zou kunnen vormen. In dit verband merkt de rechtbank - met verwijzing naar het verhandelde ter zitting - nog op dat de zinsnede in de ruimtelijke onderbouwing: 'De activiteiten die hier plaats zullen gaan vinden zijn ten behoeve van de functie groothandel/distributiecentrum' blijkbaar niet strookt met de door vergunninghoudster uitdrukkelijk beoogde functie van kantoor annex magazijn zoals ook is aangevraagd.

De rechtbank acht voorts niet voldoende aangetoond dat voor een ontoelaatbare toename van het aantal verkeersbewegingen zou moeten worden gevreesd. De door vergunninghoudster hieromtrent aangereikte gegevens omtrent de frequentie van de transporten in verband met de aan- en afvoer van kleding komen de rechtbank niet onaannemelijk voor. De omstandigheid dat deze gegevens slechts berusten op door vergunninghoudster verstrekte informatie, betekent naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat verweerder zich hierop niet redelijkerwijs heeft kunnen baseren en ter zake een eigen onderzoek had moeten instellen. Van de zijde van eisers is ook niet nader geconcretiseerd op welke gronden de door vergunninghoudster gegeven informatie hieromtrent onjuist zou zijn.

De rechtbank stelt verder vast dat in het bestreden besluit - voor zover aangevochten - vrijstelling is verleend van:

'b. de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan De Burgt-I ten behoeve van het gebruik van de onder a. bedoelde bebouwing en bijbehorende gronden voor handel in en distributie van kleding, geen detailhandel zijnde'.

De hiertegen gerichte grieven van eisers treffen doel. Uit het hiervoor reeds overwogene volgt dat het bouwwerk ten doel heeft te worden gebruikt als (hoofd)kantoor en als opslag- en bewerkingsruimte voor kleding (magazijn). Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat onder bewerking in dit verband uitsluitend dient te worden verstaan het voorzien van de kledingstukken van labels, prijskaartjes en dergelijke, alvorens distributie naar de filialen van vergunninghoudster plaatsvindt. De rechtbank acht de door verweerder bij het bestreden besluit verleende vrijstelling derhalve te ruim, voor zover daardoor in het bouwwerk de mogelijkheid tot uitoefening van (groot)handel wordt geboden. Het bestreden besluit berust in zoverre op een onjuiste feitelijke grondslag en dient voor vernietiging in aanmerking te worden gebracht.

Wat het welstandsaspect betreft overweegt de rechtbank dat voor het bouwplan een gemotiveerd positief advies van de welstandscommissie is afgegeven en dat van de zijde van eisers geen deskundig tegenadvies is overgelegd. De omstandigheid dat twee van de eisers zelf architect zijn betekent niet dat hun standpunt als betrokken partij kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies, dat immers naar zijn aard door een onafhankelijke derde moet worden uitgebracht. Uit vaste jurisprudentie volgt dat in zodanige omstandigheden het welstandsadvies aan het verlenen van een bouwvergunning ten grondslag mag worden gelegd, tenzij blijkt dat het naar inhoud of wijze van totstandkoming dermate gebrekkig is dat het geen basis voor besluitvorming kan bieden. Het feit dat de welstandscommissie in haar advies van 19 februari 2004 heeft aangegeven dat het bouwplan aan de 'minimale eisen van welstand' voldoet maakt niet dat het advies inhoudelijk gebrekkig zou zijn. Uit de tekst en strekking van dit advies volgt immers dat hierbij de ter plaatse voorgeschreven beeldvorming als referentiepunt heeft gefungeerd, zodat hieruit moet worden afgeleid dat aan de in dat kader getelde (hoge) eisen, zij het kennelijk minimaal, wordt voldaan.

De rechtbank heeft evenwel moeten vaststellen dat het bouwplan niet overeenkomstig artikel 12 jo. 12a, eerste lid, van de Woningwet is getoetst aan de welstandsnota. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat deze nota door de gemeenteraad op 25 mei 2004 is vastgesteld en op 1 juni 2004 in werking is getreden. Verweerders opvatting dat het bouwplan niet aan deze nota kon worden getoetst, omdat het reeds op 19 februari 2004 door de welstandscommissie van een positief advies was voorzien, kan door de rechtbank niet worden gevolgd. Het primaire besluit tot verlening van de bouwvergunning dateert immers van 8 december 2004, terwijl op grond van artikel VII, tweede lid, van de Wet van 18 oktober 2001 (Stb. 518) de bepalingen van de bouwverordening die betrekking hebben op welstand en artikel 12, eerste lid, van de Woningwet blijven gelden tot uiterlijk 18 maanden na de inwerkingtreding van de gewijzigde Woningwet op 1 januari 2003, derhalve tot 1 juli 2004. Nu de aanvraag om bouwvergunning dateert van maart 2003, op welk tijdstip de wijziging van de Woningwet op 1 januari 2003 reeds in werking was getreden, is hierop ingevolge het derde lid van genoemd artikel VII het recht van toepassing zoals dat gold vanaf laatstgenoemde datum. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met de wet, zodat het ook om die reden moet worden vernietigd.

De rechtbank acht een termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 644,- ter zake van rechtsbijstand. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit met de bepaling dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 644,- en wijst de gemeente Barneveld aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat de gemeente Barneveld het door eisers gestorte griffierecht ten bedrage van € 276,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. F.H. de Vries als rechter in tegenwoordigheid van mr. M.G.J. Litjens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2006.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: