Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2006:AU9079

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-01-2006
Datum publicatie
04-01-2006
Zaaknummer
420308 \ HA VERZ 05-5671
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst op grond van bedrijfseconomische omstandigheden. Toegewezen ontbindingsvergoeding conform overeengekomen sociaal plan. Betrokkene is 62 jaar oud. Vergoeding ter hoogte van inkomstenderving waarmee werkneemster door het ontslag wordt geconfronteerd tot de datum waarop zij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2006, 37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Tiel

zaakgegevens 420308 \ HA VERZ 05-5671 \ 127\pjw

uitspraak van 4 januari 2006

Beschikking

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Papyrus B.V.

gevestigd te Culemborg

verzoekende partij

gemachtigde mr. J.B. Kloosterman

tegen

[werkneemster]

wonende te Utrecht

verwerende partij

gemachtigde mr. H.P. Verheyen

Partijen worden hierna Papyrus en [werkneemster] genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit

- het verzoekschrift

- het verweerschrift

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling.

De feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

[werkneemster], die is geboren op 27 juli 1943, is op 1 augustus 1976 op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden bij Papyrus. Laatstelijk vervult zij de functie van medewerkster financiën en administratie tegen een salaris van € 1373,77 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag. Daarnaast ontvangt [werkneemster] een WAO-uitkering naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45-55% aangevuld met een suppletie.

In overleg met de ondernemingsraad en vakbond De Unie heeft Papyrus een reorganisatieplan opgesteld. In verband met deze reorganisatie is tussen Papyrus enerzijds en de vakorganisaties FNV en De Unie anderzijds een sociaal plan overeengekomen.

In de eerste versie van het sociaal plan wordt voor de hoogte van de afvloeiingsregeling voor werknemers die worden ontslagen aangesloten bij de ontbindingsvergoeding op basis van de zogenaamde kantonrechtersformule. In de tweede versie is dit voor werknemers ouder dan 60 jaar als volgt aangescherpt:

“De medewerker die ouder is dan 60 jaar en recht heeft op de maximale w.w.uitkering, zal een ontslagvergoeding ontvangen, conform de kantongerecht geformuleerde vergoeding. Dit betekent dat w.w.uitkering en ontslagvergoeding over de lopende jaren samen nooit meer zal zijn dan het salaris, welke de medewerker op dat moment verdient.”

Naar aanleiding hiervan heeft de ondernemingsraad van Papyrus zich op het standpunt gesteld dat er sprake was van leeftijdsdiscriminatie. K. Hoendervanger, onderhandelaar namens De Unie, heeft dit standpunt in een brief aan Papyrus uitgewerkt. Hij heeft aangegeven dat het alleen om [werkneemster] ging en heeft Papyrus verzocht “om op grond van de hardheidsclausule in het sociaal plan deze persoon in aanmerking te brengen voor de vergoeding als of de leeftijdsgrens niet was opgenomen”.

Op voorstel van Hoendervanger heeft Papyrus de tekst daarna als volgt aangepast:

“De vergoeding zal, behoudens eventuele immateriële schade, niet hoger zijn dan de verwachte inkomensderving tot aan de pensioengerechtigde leeftijd.”

Bij brief van 13 april 2005 heeft Papyrus aan [werkneemster] over deze kwestie het volgende bericht onder toezending van de gewijzigde tekst:

“De tekst van artikel 7:Afvloeiingsregeling is niet zoals de rechtbank deze hanteert en in overleg met de heer Hoendervangers is de tekst van artikel 7 om die reden aangepast. De aangepaste regel hebben we met een streep in de kantlijn gearceerd.”

Het verzoek en het verweer

Papyrus verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met [werkneemster] te ontbinden wegens gewichtige redenen.

Papyrus onderbouwt het verzoek, verkort weergegeven, als volgt. Volgens Papyrus bevindt zij zich al geruime tijd in zwaar weer. Vooral de personeelslasten drukken zwaar op de onderneming. Daarom was een reorganisatie nodig. De verwachting was niet dat Papyrus gezien de vooruitzichten, in ieder geval niet zelfstandig, zou kunnen voldoen aan de door haar moederbedrijf gestelde norm van een rendement van 13% op het werkkapitaal. Om dat resultaat wel te halen en de continuïteit te waarborgen, is besloten tot een verregaande samenwerking van Papyrus met Scaldia BV, een door het moederbedrijf van Papyrus in september 2004 overgenomen Nederlandse groothandel in papier en supplies. In verband met die reorganisatie komen de werkzaamheden op de afdeling Finance, waar Van Alphen werkte, per 31 december 2005 te vervallen met uitzondering van de functie van controller en debiteurenadministratie. In totaal zijn of worden acht medewerkers ontslagen.

Papyrus is bereid om aan Van Alphen een ontbindingsvergoeding te betalen overeenkomstig het sociaal plan. Dit komt in haar geval neer op het bedrag van € 14.047,00 bruto met welk bedrag [werkneemster] volgens Papyrus tot haar pensioengerechtigde leeftijd geen pensioenschade zal ondervinden.

[werkneemster] voert verweer. Dat verweer wordt hierna zonodig besproken.

De beoordeling

Papyrus heeft onweersproken gesteld dat geen sprake is van een opzegverbod dat aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staat. De kantonrechter gaat van de juistheid van die stelling uit.

Volgens [werkneemster] gaat het kennelijk weer goed met Papyrus en is er geen bedrijfseconomische noodzaak voor de reorganisatie waartoe Papyrus heeft besloten. In ieder geval heeft Papyrus die noodzaak niet aannemelijk gemaakt, aldus Van Alphen.

De kantonrechter passeert dit verweer van [werkneemster]. Het stond Papyrus gezien de door haar gegeven onderbouwing als onderneming vrij de keuzes te maken die zij heeft gemaakt. Dat het weer beter of goed gaat met het concern waartoe Papyrus behoort, betekent niet dat Papyrus, gelet op de door haar beschreven situatie, in redelijkheid niet heeft kunnen kiezen voor de in gang gezette reorganisatie, inclusief de ontslagen die daar het gevolg van zijn. Uit het feit dat een sociaal plan totstandgekomen is, leidt de kantonrechter af dat Papyrus bij haar afwegingen voldoende rekening heeft gehouden met alle betrokken belangen, waaronder die van [werkneemster]. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel moeten leiden. Papyrus heeft daarom voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van bedrijfseconomische omstandigheden die zijn te duiden als een verandering van de omstandigheden op grond waarvan de arbeidsovereenkomst van partijen redelijkerwijze op korte termijn moet eindigen. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, zoals hierna is bepaald.

Van Alphen maakt bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst aanspraak op een ontbindingsvergoeding conform de kantonrechtersformule en niet conform het sociaal plan van € 44.510,15 bruto. Deze vergoeding doet volgens Alfen recht aan een bijna 30 jaar durend dienstverband.

De kantonrechter stelt voorop dat een ontbindingsvergoeding op basis van de kantonrechtersformule niet meer bedraagt dan de inkomstenderving waarmee de werknemer door het ontslag wordt geconfronteerd tot de datum waarop de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Bij de berekening wordt wat de kantonrechter betreft rekening gehouden met een door de werknemer te ontvangen ww-uitkering. Aldus wordt bereikt dat bij een ontbindingsvergoeding sprake is van een vergoeding naar redelijkheid en billijkheid. In het geval van [werkneemster], die heeft gesteld dat zij na het ontslag aanspraak zal maken op een ww-uitkering, bedraagt de maximale inkomstenderving in die periode bij benadering € 14.047,00 bruto, zoals Papyrus onweersproken heeft gesteld. De kantonrechter heeft geen redenen om aan te nemen dat aan [werkneemster] de door haar aan te vragen ww-uitkering zal worden geweigerd.

[werkneemster] heeft nog gesteld dat zij er gelet op het feit dat de oorspronkelijke tekst van art. 7 van het sociaal plan is gewijzigd na de hiervoor weergegeven kritiek terecht van uitging dat zij toch in aanmerking werd gebracht voor de volledige ontbindingsvergoeding op basis van de kantonrechtersformule zonder correctie op grond van te verwachten inkomensderving.

De kantonrechter volgt deze stelling van [werkneemster] niet. Wellicht was het voor [werkneemster] niet duidelijk dat in art. 7 van het sociaal plan uiteindelijk alleen een tekstuele aanpassing heeft plaatsgevonden, zonder dat [werkneemster] daarmee voor een hogere ontbindingsvergoeding in aanmerking zou komen, maar dit is noch uit de gewijzigde tekst van het sociaal plan, noch in combinatie daarmee uit de brief van 13 april 2005 van Papyrus aan [werkneemster] af te leiden.

Dat aanvankelijk wel verzocht is om een zodanige toepassing van het sociaal plan dat ook [werkneemster] voor de volledige vergoeding op grond van de kantonrechtersformule in aanmerking zou worden gebracht, doet daar niet aan af. Dat verzoek is kennelijk in samenspraak van Papyrus met vakbondsonderhandelaar Hoendervanger niet gehonoreerd. Dat [werkneemster] de enige met ontslag bedreigde werknemer was op wie de bewuste clausule van toepassing was, doet evenmin af aan hetgeen hiervoor is overwogen.

[werkneemster] heeft ten slotte gesteld dat het in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid dat anders dan aan [werkneemster] aan andere werknemers een volledige vergoeding op basis van de kantonrechtersformule wordt toegekend ongeacht wanneer zij weer werk vinden.

Ook deze stelling van [werkneemster] treft geen doel. De kantonrechter is van oordeel dat geen sprake is van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld. Bij de andere werknemers is onzeker of en zo ja wanneer zij weer werk zullen vinden. In hun geval staat niet vast wat de maximale inkomensderving door het ontslag zal zijn. Bij [werkneemster] ligt dat anders. Juist daarom wordt in haar geval de ontbindingsvergoeding op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid gemaximeerd. Van een evident onbillijke uitkomst is geen sprake. In dit geval is dan voor de door [werkneemster] vervolgens gewenste billijkheidscorrectie geen plaats meer.

De slotsom is dat de kantonrechter de door Papyrus aangeboden ontbindingsvergoeding redelijk acht.

De kantonrechter is van plan de arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 1 februari 2006 en daarbij aan [werkneemster] een vergoeding van € 14.047,00 bruto toe te kennen.

Daarom krijgt Papyrus de gelegenheid het verzoek in te trekken. De kantonrechter gaat er vanuit dat Papyrus, zoals eerder toegezegd, naast de ontbindingsvergoeding zal zorgen voor betaling aan [werkneemster] van de maandelijkse suppletie van de WAO van € 192,18 per maand en van de pensioenaanvulling voor een half jaar van € 1.707,00.

Als Papyrus het verzoek niet intrekt, moeten partijen vanwege de omstandigheden van het geval hun eigen kosten dragen. Als Papyrus het verzoek intrekt, moet zij de proceskosten dragen.

De beslissing

De kantonrechter

stelt Papyrus in de gelegenheid het verzoek uiterlijk op 27 januari 2006 in te trekken door een schriftelijke mededeling aan de griffier van de rechtbank, sector kanton, locatie Tiel, Postbus 320, 4000 AH Tiel

als Papyrus het verzoek niet intrekt:

ontbindt de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 februari 2006 en kent aan [werkneemster] ten laste van Papyrus een vergoeding toe van € 14.047,00 bruto;

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

als Papyrus het verzoek intrekt:

veroordeelt Papyrus in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [werkneemster] begroot op € 500,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. P.J. Wiegman en in het openbaar uitgesproken op 4 januari 2006.