Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:BD0968

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-12-2005
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
AWB 05/3072
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Voordeel bouwrecht vormt een nagekomen bedrijfsbate.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/3072

Uitspraakdatum: 15 december 2005

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X],

wonende te [Z], eiseres,

gemachtigde [gemachtigde],

en

de inspecteur van de Belastingdienst Oost, kantoor Winterswijk,

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde].

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2002 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 141.022 (aanslagnummer [00].H.26).

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerder bij de uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Op grond van artikel 8:58 van de Awb hebben partijen vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2005 te Arnhem.

Namens eiseres is aldaar verschenen de gemachtigde [gemachtigde] en namens verweerder [gemachtigde], bijgestaan door [gemachtigde] en [A] (taxateur).

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. De feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

2.1 Eiseres heeft tot 31 december 2000 in de vorm van een eenmanszaak een veehouderij gedreven. Per die datum heeft zij haar onderneming gestaakt.

2.2 In het kader van de bedrijfsbeëindiging heeft eiseres in april 2000 bij Laser, onderdeel van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor subsidie in het kader van de Regeling beëindiging veehouderijtakken (RBV).

2.3 Op 16 februari 2001 heeft Laser subsidie ingevolge de RBV toegekend, te weten ƒ 45.734,50 (€ 20.753) voor het niet gebonden deel van het mestproductierecht voor de rundveetak, ƒ 52.650,- (€ 23.892) voor de afbraak van gebouwen (sloopsubsidie) en ƒ 76.000,- (€ 34.487) gecorrigeerde vervangingswaarde (sloopsubsidie), totaal derhalve ƒ 174.384,50 (€ 79.132).

2.4 Op 17 maart 2001 heeft eiseres op grond van artikel 32 van de RBV de gemeente verzocht om toekenning van een bouwrecht voor een woonhuis op het perceel [a-straat 1] te [Z]. Op 15 mei 2001 is door de provincie [B] een bouwcontingent toegekend. Op 3 januari 2002 heeft eiseres een aanvraag voor een bouwvergunning voor een woonhuis ingediend, welke op 20 juni 2002 door de gemeente [Z] is verleend.

2.5 Van de in totaal toegekende subsidie zijn beide sloopsubsidies vanwege het bouwrecht door eiseres aan Laser terugbetaald.

2.6 Op 8 juni 2001 heeft eiseres ten behoeve van de bouw van het woonhuis met haar buurman [D] een perceel grond geruild, groot ongeveer 50 are en met een waarde van ƒ 35.000 (€ 15.882).

2.7 Op 25 juli 2003 is bij eiseres een boekenonderzoek ingesteld waarvan op 14 januari 2005 een rapport is opgemaakt.

2.8 Op 1 december 2003 heeft [A], taxateur onroerende zaken bij de Belastingdienst/Rivierenland/kantoor Arnhem, een taxatierapport uitgebracht waarin de waarde van het bouwrecht is vastgesteld op ƒ 436.000 (€ 197.841) zijnde de waarde in het economisch verkeer en uitgaande van een kavel van 2.000 m².

2.9 Op 8 augustus 2005 heeft [E], rentmeester, makelaar en taxateur van onroerende goederen in opdracht van eiseres een taxatierapport uitgebracht van het perceel aan de Heijendaalseweg. Hij is uitgegaan van een perceelsgrootte van 2.000 m². De waarde in het economisch verkeer is door de taxateur vastgesteld op € 110.000.

2.10 Verweerder heeft het bouwrecht in 2002 aangemerkt als een nagekomen bedrijfsbate en heeft het door eiseres aangegeven inkomen uit werk en woning als volgt gecorrigeerd:

Bouwrecht € 197.841

Af:

Terugbetaalde sloopsubsidies 58.379

Werkelijk betaalde sloopkosten 23.892

------------

Nagekomen bedrijfsbate € 115.570

=======

3. Het geschil

In geschil is of de waarde van het bouwrecht moet worden aangemerkt als nagekomen bedrijfsbate. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord is in geschil welke waarde aan het bouwrecht moet worden toegekend. Eiseres beantwoordt de eerste vraag ontkennend. Indien er toch sprake zou zijn van een nagekomen bedrijfsbate, dan moet de waarde van het bouwrecht volgens eiseres worden vastgesteld op nihil, doch ten hoogste op € 110.000. Verweerder beantwoordt de eerste vraag bevestigend en handhaaft de waarde van het bouwrecht op € 197.841.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting bezwaren geuit tegen het indienen van nadere stukken door verweerder op 10 november 2005, derhalve binnen de termijn van artikel 8:58 van de Awb. Hij acht dit in strijd met een goede procesorde.

De rechtbank overweegt als volgt. De nadere stukken van verweerder zijn op 10 november 2005 door verweerder aan de rechtbank en aan de gemachtigde van eiseres gestuurd. De gemachtigde van eiseres heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat hij de nadere stukken op 11 november 2005 heeft ontvangen en dat hij van die stukken voldoende kennis heeft kunnen nemen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de gemachtigde van eiseres door de late indiening van de nadere stukken door verweerder niet in zijn procesvoering is geschaad. De rechtbank rekent de nadere stukken van verweerder derhalve tot de stukken van het geding.

De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting, anders dan in zijn beroepschrift, het standpunt ingenomen dat op het moment van staking het bouwrecht bestond en dat dit samen met de andere tot het ondernemingsvermogen behorende activa en passiva van het ondernemingsvermogen is overgegaan naar het privé-vermogen. De waarde van het bouwrecht bedroeg op de stakingsdatum naar het oordeel van de gemachtigde van eiseres nihil. De waarde die nadien aan de realisatie van het bouwrecht kan worden toegekend kan niet tot belastingheffing leiden omdat dit een vermogensmutatie betreft in de – onbelaste – privé-sfeer.

Verweerder stelt dat op het moment van staking het bouwrecht nog niet bestond en derhalve ook niet naar het privé-vermogen kon overgaan. Het bouwrecht vloeit, evenals de subsidie, rechtstreeks voort uit het gebruikmaken van de RBV vanwege de beëindiging van het veebedrijf. Er is derhalve sprake van een nagekomen bedrijfsbate die feitelijk in 2002 is genoten en derhalve ook in dat jaar is belast.

Ingevolge artikel 5 van de RBV verstrekt de minister op aanvraag subsidie voor de beëindiging van een of meer veehouderijtakken op een bedrijf. In artikel 7 van de RBV zijn de voorwaarden geformuleerd waaraan moet zijn voldaan om voor subsidie in aanmerking te komen. De belangrijkste voorwaarden zijn dat de productie van dierlijke meststoffen wordt beëindigd, de milieuvergunning wordt ingetrokken en de aanvrager gedurende tien jaren op de locatie de desbetreffende veehouderijtak niet uitoefent. In artikel 9 van de RBV is bepaald dat een subsidie kan worden verstrekt voor de afbraak van de gebouwen bestemd voor de uitoefening van de veehouderijtakken.

Ingevolge artikel 13, onder a, van de RBV wordt geen subsidie vertrekt indien – kort gezegd – op het erfperceel of tot het bedrijf behorende landbouwgrond woningbouw is toegelaten.

Ingevolge artikel 14 van de RBV wordt (onder meer) de subsidie voor de niet-gebonden mestproductierechten, de sloopsubsidie voor – kort gezegd – de bedrijfsopstallen en de subsidie voor de gecorrigeerde vervangingswaarde vastgesteld.

Ingevolge artikel 32 van de RBV wordt een beschikking tot subsidieverlening voor zover die betrekking heeft op een subsidie als bedoeld in artikel 9 ingetrokken indien binnen vijf jaren nadat deze is genomen, met betrekking tot het erfperceel of de tot het bedrijf behorende landbouwgrond een bestemmingsplan dan wel een besluit als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening tot stand komt op basis waarvan woningbouw is toegelaten.

In de toelichting op de RBV is met betrekking tot de beperking van de mogelijkheid om voor een sloopsubsidie in aanmerking te komen in geval van artikel 13, onder a opgemerkt, dat de veehouder die beëindigt en – al of niet in het kader van ruimte voor ruimte – in staat wordt gesteld om herbouw op de kavel plaats te laten vinden niet voor de sloopsubsidie in aanmerking komt. Immers, met deze mogelijkheid om zelf een woning te realiseren dan wel de van oorsprong agrarische grond als bouwperceel te vervreemden is de betrokken veehouder in voldoende mate in staat op eigen kracht compensatie te vinden voor de kosten die zijn gemoeid met de sloop van de stallen en het daaraan gerelateerde kapitaalverlies. In de toelichting wordt met betrekking tot artikel 32 verder opgemerkt dat het artikel ook soelaas kan bieden voor die veehouders die nog niet hebben gekozen voor woningbouw dan wel nog niet zeker weten of woningbouw zal worden toegestaan.

De rechtbank overweegt dat de RBV erin voorziet dat een veehouder die van deze regeling gebruik maakt kan kiezen voor subsidies of, voor zover het de sloopsubsidie en gecorrigeerde vervangingswaarde betreft, in de plaats daarvan voor een bouwrecht. Indien subsidie is toegekend en binnen vijf jaren nadien alsnog woningbouw wordt toegestaan, doordat bijvoorbeeld zoals in het onderhavige geval een verzoek daartoe wordt gehonoreerd, dan leidt dit tot terugbetaling van (een deel van) de subsidie. Hieruit volgt dat de primaire keuze subsidie of bouwrecht door de veehouder wordt gemaakt en dat de keuze nadien in de vijf relevante jaren om alsnog te kiezen voor het bouwrecht in belangrijke mate slechts door hemzelf wordt bepaald. Uit de RBV volgt niet dat het bouwrecht, indien daarvoor wordt gekozen, ook wordt gehonoreerd. Zulks is ter beoordeling aan de desbetreffende provincie en gemeente. Uit het vorenstaande volgt dat naar het oordeel van de rechtbank in een situatie als de onderhavige het bouwrecht pas ontstaat op het moment van de daadwerkelijke uitoefening daarvan.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat eiseres op 31 december 2000 nog geen bouwrecht had. Eiseres heeft in 2000 gekozen voor de subsidieregeling van de RBV, die in 2001 ook is toegekend. Pas nadien heeft zij een verzoek ingediend voor de toekenning van een bouwrecht. De handelwijze van eiseres wijst er niet op dat zij per de stakingsdatum reeds het voornemen zou hebben gehad om gebruik te maken van het bouwrecht. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel leiden.

Nu er, gelet op dit oordeel, geen sprake is van een recht dat als vermogensbestanddeel op de stakingsdatum is overgegaan van het ondernemingsvermogen naar het privé-vermogen van eiseres, moet de vraag worden beantwoord of de waarde van het bouwrecht moet worden aangemerkt als een nagekomen bedrijfsbate in 2002.

De rechtbank overweegt daartoe dat de mogelijkheid om van het bouwrecht gebruik te maken rechtstreeks voortvloeit uit de RBV. Aan die regeling kunnen slechts de veehouders deelnemen die hun bedrijf geheel of gedeeltelijk beëindigen. Dit betekent dat er een causaal verband bestaat tussen de bedrijfsuitoefening en het bouwrecht. Anders dan eiseres stelt is daartoe niet relevant dat eiseres grond heeft geruild met haar buurman. Volgens vaste jurisprudentie (onder meer Hoge Raad, 2 mei 1956, nr. 12 747, BNB 1956/213) is de afwikkeling van een bedrijf niet voltooid indien en voor zover na de staking van een bedrijf uit de bedrijfsuitoefening nog baten kunnen worden gerealiseerd, terwijl onverschillig is of zodanig later gerealiseerde baten voortvloeien uit aanspraken welke ten tijd van de staking van het bedrijf en de daarop gevolgde afwikkelingshandelingen reeds bestonden en bekend waren. Voor het onderhavige geval betekent dit dat verweerder het bouwrecht terecht heeft aangemerkt als nagekomen bedrijfsbate op het moment van de uitoefening daarvan.

Met betrekking tot de waardering van het bouwrecht overweegt de rechtbank dat verweerder met het taxatierapport van 1 december 2003 van taxateur [A] alsmede met de aanvulling daarop bij brief van 5 september 2005 voldoende heeft onderbouwd dat de waarde van het bouwrecht in dit geval moet worden vastgesteld op € 197.841 (ƒ 436.000), zijnde de waarde in het economisch verkeer. Anders dan eiseres stelt is de rechtbank niet gebleken dat de taxateur ten onrechte zou zijn uitgegaan van een kavelgrootte van 2000 m², temeer nu ook de taxateur van eiseres, [E], die kavelgrootte tot uitgangspunt van zijn taxatie heeft genomen. De rechtbank begrijpt voorts de stelling van eiseres niet dat de waarde van het bouwrecht nihil zou moeten bedragen omdat het bedrag van de besparing nihil is. Immers is er geen sprake van een voordeel in natura zoals eiseres bepleit, maar van een recht dat gewaardeerd dient te worden op de waarde in het economisch verkeer. Evenmin volgt de rechtbank het standpunt van eiseres dat de waarde van het bouwrecht € 110.000 bedraagt, overeenkomstig de door haar taxateur vastgestelde waarde. In zijn taxatierapport van 8 augustus 2005 vermeldt taxateur [E] weliswaar dat de waarde van € 110.000 de waarde in het economisch verkeer betreft, maar uit zijn daaraan voorafgaande toelichting volgt dat die waarde de verwachtingswaarde per 31 december 2000 betreft omdat op dat moment nog geen zekerheid bestond met betrekking tot een onherroepelijke bestemmingswijziging en een onherroepelijke bouwvergunning en dat ook het perceel op dat moment nog niet bouwrijp was en er nog geen aansluitingen voor de nutsvoorzieningen aanwezig waren. Dat uitgangspunt is, gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen, voor het onderhavige geval niet juist.

Gelet op het vorenstaande moet het beroep ongegrond worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. J.H.M. Delnooz-Engels, rechter. De beslissing is in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Munniks, griffier, op 15 december 2005.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem

; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.