Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:BA0709

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-10-2005
Datum publicatie
14-03-2007
Zaaknummer
AWB 05/850
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Verlieslatende postzegelhandel vormt geen bron van inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/850

Uitspraakdatum: 14 oktober 2005

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X],

wonende te [Z], eiser,

gemachtigde drs. M.T.J.M. Teunissen te Elst,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Rivierenland/kantoor Nijmegen

verweerder,

gemachtigde mr. S.J.P. Willems.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 1999 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (aanslagnummer [00]H.96) berekend naar een belastbaar inkomen van ? 45.546.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerder bij de uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij en behoren tot de stukken van het geding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2005 te Arnhem.

Partijen zijn daar verschenen.

2. De feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

Eiser is vanaf 1981 als zelfstandig fysiotherapeut werkzaam geweest. In maart 1997 is hij arbeidsongeschikt geraakt. Op 15 augustus 1998 heeft eiser zijn onderneming als fysiotherapeut gestaakt.

Eiser heeft van 1967 tot 1972 een postzegelhandel gehad. Ook eisers vader is tot het begin van de jaren tachtig actief geweest in de postzegelhandel.

Eiser heeft een postzegelvoorraad die is ontstaan uit drie partijen postzegels. De eerste partij is de verzameling die eiser in privé heeft opgebouwd, de tweede partij is afkomstig van de voormalige postzegelhandel van zijn vader. De derde partij postzegels heeft eiser op 19 maart 1997 bij Postzegelhandel en Partijenhandel Van Vliet gekocht voor een totaalbedrag van ? 27.475. In de loop van 1997 is eiser begonnen met het (her)rubriceren van de postzegelverzameling.

Op 14 oktober 1998 heeft eiser [A] als onderneming ingeschreven in het Handelsregister, met als datum van vestiging 1 juni 1997. Op 9 april 2001 heeft eiser aan het Handelsregister gemeld dat de onderneming met ingang van 1 januari 2001 is opgeheven. Eiser heeft in 1998 een nota ontvangen van het Centraal Registratiekantoor te Den Haag omdat [A] tussen 1 april 1998 en 1 oktober 1998 onder de werksfeer van het Hoofdbedrijfschap Detailhandel viel. [A] stond in de Gouden Gids vermeld.

In 1998 heeft eiser een internetpakket aangeschaft voor het opzetten van een eigen site. Deze site is er nooit gekomen. Verder had eiser de intentie om de postzegels te verhandelen via internet (e-Bay). In verband met gebrek aan kennis hierover heeft dit niet plaatsgevonden.

Uit de jaarstukken blijkt dat eiser in het jaar 1998 met zijn postzegelactiviteiten een omzet heeft behaald van ? 738 en voor een bedrag van ? 10.691 postzegels heeft ingekocht. Het resultaat over dat jaar bedroeg ? 12.120 negatief. Er is in dat jaar eenmaal een factuur uitgereikt. Het onderhavige jaar 1999 laat een omzet zien van ? 380 en inkoopkosten van ? 4.882. Het jaarresultaat bedroeg ? 10.396 negatief. Er is in 1999 geen factuur opgemaakt.

Eiser heeft in zijn aangifte over het jaar 1999 een verlies uit onderneming in aanmerking genomen van ? 10.396. Verweerder heeft in het jaar 2002 bij eiser een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1998 en 1999. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de postzegelactiviteiten van eiser geen bron van inkomen vormen. Bij het vaststellen van de aanslag heeft verweerder het aangegeven verlies uit onderneming niet in aanmerking genomen.

3. Het geschil

In geschil is of de activiteiten die eiser verricht in verband met zijn postzegelvoorraad zijn aan te merken als een bron van inkomen. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, staat tussen partijen vast dat de activiteiten als een onderneming in de zin van artikel 6 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna de Wet) kwalificeren. In geschil is dan nog of eiser terecht een bedrag van ? 10.396 als verlies uit onderneming heeft aangegeven.

Eiser beantwoordt deze vragen bevestigend en verweerder ontkennend.

4. Beoordeling van het geschil

Een voordeel kan slechts inkomen zijn indien er een bepaalde bron aan ten grondslag ligt. Volgens vaste jurisprudentie worden drie eisen gesteld aan een bron van inkomen (onder meer Hoge Raad 3 maart 1954, BNB 1954/125 en Hoge Raad 1 februari 2002, BNB 2002/129). Er moet sprake zijn van (1) deelname aan het economische verkeer met (2) het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen en (3) een (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs kan worden behaald.

Uit de gedingstukken blijkt en ter zitting is door eiser nader toegelicht dat hij zijn bestaande verzameling postzegels heeft ge(her)rubriceerd zodat de postzegels aantrekkelijker voor de verkoop zouden zijn. Om dezelfde reden heeft eiser zijn voorraad uitgebreid door diverse aankopen van postzegels. Ook heeft eiser incidenteel postzegels verkocht. Eiser heeft voorts software aangeschaft om een eigen site te bouwen met de bedoeling zijn postzegels te gaan verhandelen via internet. Anders dan verweerder, is de rechtbank van oordeel dat eiser met deze handelingen en activiteiten heeft deelgenomen aan het economische verkeer en dat hij daarbij het oogmerk had om voordeel te behalen.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat in het onderhavige jaar met de postzegelactiviteiten redelijkerwijs geen voordeel kon worden verwacht. De rechtbank hecht daarbij betekenis aan de toelichting van eiser ter zitting dat hij substantieel meer tijd heeft besteed aan het (her)rubriceren van de verzameling dan aan het directe verkooptraject en het feitelijk aanbieden van postzegels. Het (her)rubriceren is de belangrijkste activiteit geweest, zo stelt eiser. Ook heeft eiser aangegeven dat hij geen dan wel nagenoeg geen onderzoek heeft gedaan naar de potentiële opbrengsten en naar de marktsituatie (vraag en aanbod) van de postzegels die hij in voorraad had. Eiser heeft voorts aangegeven dat de marktsituatie anders was dan waarvan hij aanvankelijk is uitgegaan; de vraag van potentiële kopers bleek te zijn gericht op postzegels die hij niet in voorraad had. Achteraf concludeert eiser dat zijn aankoopbeleid wellicht niet goed is geweest. Uiteindelijk zijn de voorgenomen verkoopactiviteiten, op een incidentele verkoop na, niet tot uitvoering gebracht. Op deze feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet de objectiveerbare verwachting worden gebaseerd dat in 1999 of in de daarop volgende jaren uit de postzegelactiviteiten redelijkerwijs voordeel kan worden behaald. Dit oordeel wordt bevestigd door de substantiële exploitatieverliezen in de jaren 1998 en 1999, door de geringe omzet die in het onderhavige jaar is behaald en uit het feit dat eiser met ingang van 2001 zijn verkoop- dan wel handelsactiviteiten geheel heeft gestaakt.

De activiteiten die eiser heeft ontplooid in verband met zijn postzegelvoorraad kunnen derhalve niet als bron van inkomen worden aangemerkt. Dit betekent dat verweerder terecht geen rekening gehouden met het verlies uit de postzegelactiviteiten ten bedrage van ? 10.396.

Gelet op het voorgaande behoeft de hoogte van het verlies geen bespreking meer.

5. Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. I. Linssen, voorzitter en mrs. J.J. Catsburg en A.J.H. van Suilen, rechters. De beslissing is in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Linde, griffier, op 14 oktober 2005.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem;

dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.