Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AZ9584

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-10-2005
Datum publicatie
28-02-2007
Zaaknummer
AWB 05/785
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. De inspecteur heeft ten onrechte een bijtelling ter zake van geld wisselen begrepen in het inkomen van een horeca-ondernemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/785 IB/PVV

Uitspraakdatum: 25 oktober 2005

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X],

wonende te [Z], eiser,

gemachtigde F.J.H.M. Berndsen te Breda,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Oost/kantoor Enschede

verweerder,

gemachtigde J.C.Q.M. van Nierop

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2000 een navorderingsaanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, berekend naar een belastbaar inkomen van f. 81.094 (€ 36.799), alsmede bij beschikking een boete van f. 9.427 (€ 4278).

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de verweerder, bij in één geschrift vervatte uitspraken, de navorderingsaanslag alsmede de boete gehandhaafd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2005 te Arnhem.

Partijen zijn daar verschenen.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift daarvan is aan deze uitspraak gehecht.

2. De feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

Eiser is ondernemer. De ondernemingsactiviteit bestaat uit het exploiteren van twee horecagelegenheden. Eén van deze gelegenheden wordt door eiser zelf geëxploiteerd. De andere gelegenheid wordt door hem verhuurd. Daarnaast is eiser werkzaam als portier bij een horecagelegenheid en verhuurd hij een aantal onroerende zaken, eveneens gelegen in de gemeente [Z].

Voor het onderhavige jaar (2000) heeft eiser aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen van f 36.058.

Op 13 maart 2000 heeft eiser bij de [A] Bank te [Q] (Duitsland) een bedrag ter grootte van 40.270 DM gewisseld in Nederlandse guldens.

Naar aanleiding van een ter zake van deze wisseltransactie door de belastingdienst ontvangen renseignement heeft op 8 oktober 2003 een boekenonderzoek bij eiser plaatsgevonden. Van dit boekenonderzoek is op 5 januari 2005 een rapport opgemaakt. Onderzocht is of de gegevens van het renseignement op de juiste wijze in de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2000 waren verwerkt.

Het rapport bevat -onder meer- de volgende passage :

"2.2.2. buitenlandse transacties

"Belastingplichtige [X] in een gesprek op 25 maart 2004 de vraag gesteld of hij in het verleden in het buitenland wel eens geld gewisseld heeft. Op deze vraag antwoordde [X] dat dit inderdaad wel eens gebeurd was en wel net over de grens in Duitsland. Het ging meestal om 10 à 20 duizend Duitse marken. Grote bedragen van 40 à 50 duizend waren nooit voorgekomen. Er kwamen mensen naar mij toe met de vraag of ik geld voor hen wilde wisselen. Het ging om particulieren en om ondernemers. De namen wist [X] zich niet te herinneren. Ook tijdens een later gehouden gesprek wist hij de namen niet of wilde ze niet zeggen. Wel verklaarde hij dat zijn echtgenote een bankrekening bij de [B] te [Q] heeft. Zij heeft daar wel eens gewisseld. Ik heb verder geen rekeningen of tegoeden in het buitenland. Uit de administratie van [X] en van de ondernemingen kon de wisseling niet verklaard worden. Ook tijdens het laatste gesprek op 25 mei 2004 heeft [X] kenbaar gemaakt dat hij geen lijst met namen van mensen of bedrijven voor wie gewisseld is kon overleggen. De heer [X] medegedeeld dat de storting op 13 maart 2000 ad DM 40.270, zijnde f 45.036 op een "eigene rechnung bij de [A] bank bij het belastbaar in

inkomen van dat jaar geteld zal worden. "

Naar aanleiding van het boekenonderzoek is het belastbaar inkomen vastgesteld op f. 81.094 en is de onderhavige navorderingsaanslag en de boete opgelegd.

In de bezwaarfase heeft eiser opgemerkt dat de weergave in het rapport van hetgeen hij tijdens het onderzoek heeft verklaard (zie hiervóór) onvolledig is. Eiser geeft daarbij te kennen dat hij heeft verklaard dat hij met name grotere bedragen wisselde voor de "[C]" en "[D]" en daarnaast meer op incidentele basis kleinere bedragen voor anderen.

Bij het aanvullend beroepschrift heeft eiser 2 verklaringen overgelegd, ondertekend door [E] (eigenaar van de [C]) en [F] (eigenaar van [D]) ondertekende verklaring overgelegd. Deze verklaringen luiden als volgt:

"Ondergetekende (...) , eigenaar van ( ....) verklaart dat de heer [X] voor hem in het jaar 2000 wel eens Duitse Marken heeft gewisseld, het ging meestal om 10 à 20.000 DM. Dit betrof het handelsgeld van de onderneming. Aldus waarheid verklaard d.d. 21 maart 2005"

3. Het geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslag en de boete terecht aan eiser zijn opgelegd. Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend. Verweerder beantwoordt deze vraag bevestigend.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de navorderingsaanslag alsmede de boetebeschikking. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Verweerder gaat er naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte vanuit dat in dit geval de bewijslast omgekeerd moet worden omdat niet voldaan is aan de inlichtingenplicht ex art. 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) dan wel niet de juiste aangifte is gedaan ( art 25, zesde lid AWR). De enkele overlegging door verweerder van het renseignement is onvoldoende om te concluderen dat eiser over gegevens beschikte die betrekking hadden op de wisseltransactie en dat hij deze gegevens niet heeft verstrekt. Evenmin is dit onvoldoende om aan te nemen dat geen juiste aangifte is gedaan nu verweerder, tegenover de gemotiveerde betwisting door eiser, geen enkel bewijs heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat het bedrag van 40.270 DM behoorde tot de omzet van eiser en dat eiser deze omzet niet in zijn aangifte heeft verwerkt.

Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt dan met zich mee dat verweerder aannemelijk maakt dat het op het renseignement vermelde bedrag van 40.270 DM ziet op omzet die eiser in zijn onderneming heeft gemaakt. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst verweerder naar het boekenonderzoek van 8 oktober 2003. Tijdens dit boekenonderzoek heeft eiser een verklaring afgelegd welke verweerder niet geloofwaardig vindt. Verder onderzoek heeft niet plaatsgevonden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het opmerkelijk is dat eiser op 13 maart 2000 met zo’n groot bedrag de grens overgaat om te wisselen en dat eiser niet meer kan aangeven voor wie hij dat geld moest wisselen. Echter, gelet op het grote tijdsverloop tussen de wisseltransactie (13 maart 2000) en het moment waarop hierover voor het eerst vragen zijn gesteld (8 oktober 2003) kan dit ook niet meer van eiser verwacht worden. In dit geval had het op de weg van verweerder gelegen om nader onderzoek te doen.

5. Proceskosten

In de omstandigheden van het geval vindt de rechtbank aan¬lei¬ding op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de onderhavige navorderingsaanslag;

- vernietigt de boetebeschikking;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. M.C.G.J. van Well. De beslissing is op 25 oktober 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg, griffier.

de griffier de rechter

(L.A. Aalbersberg) (M.C.G.J. van Well)

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem

dan wel;

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.