Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AV2026

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-11-2005
Datum publicatie
20-02-2006
Zaaknummer
AWB 05/691 en 05/692
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2007:BB6073, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Heffingsrecht AOW komt toe aan Portugal.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/42.2.1
FutD 2006-0393
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/691 en 05/692

Uitspraakdatum: 24 november 2005.

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X]

wonende te [Y] Portugal, eiser,

[gemachtigde]

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P]

verweerder,

[gemachtigde]

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2001 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) berekend naar een belastbaar inkomen van

€ 11.926. Daarnaast heeft verweerder bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 340.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de verweerder, bij in één geschrift vervatte uitspraken, de aanslag voor het jaar 2001 gehandhaafd en de boetebeschikking verminderd naar € 113. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2002 een aanslag opgelegd in de IB/PVV berekend naar een belastbaar inkomen van € 18.155. Daarnaast heeft verweerder bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 567.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de verweerder, bij in één geschrift vervatte uitspraken, de aanslag voor het jaar 2002 gehandhaafd en de boetebeschikking verminderd naar € 340. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2005 te Arnhem. Daarbij zijn beide beroepen van eiser gevoegd behandeld.

Eiser is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 16 augustus 2005 aan zijn gemachtigde op het adres [a-straat 468 te Q], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiser is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu voormelde brief niet ter griffie is terugontvangen is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op regelmatige wijze tijdig op het juiste adres is aangeboden.

Namens verweerder zijn [gemachtigde] verschenen.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. De feiten

Op grond van de stukken van het geding stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

Eiser woont sinds december 1992 in Portugal.

Tot 1 januari 1992 was eiser maat in een dierenartsenmaatschap.

Op 1 januari 1992 heeft eiser zijn maatschapsaandeel ingebracht in [A] B.V. (hierna: de B.V.) Eiser heeft daarbij een stamrecht bedongen ter hoogte van zijn in de maatschap opgebouwde fiscale oudedagsreserve.

Eiser heeft een aantal aanmaningen ontvangen dat hij de aangifte over het jaar 2001 moet indienen. Uiteindelijk geeft gemachtigde van eiser aan dat over 2001 geen aangifte kan worden gedaan omdat hij niet beschikt over de benodigde gegevens. Gemachtigde geeft aan dat eiser zich conformeert aan de vaststelling van de aanslag aan de hand van de bronnen van de Belastingdienst. Verweerder legt vervolgens voor 2001 een aanslag aan de hand van de haar bekende gegevens. Het belastbare inkomen wordt vastgesteld op € 11.926, bestaande uit

- een uitkering ingevolge de Algemene ouderdomswet (hierna: de AOW) van € 6.855;

- een door de Stichting Pensioenfonds voor Dierenartsen (hierna: het pensioenfonds) uitgekeerd pensioen van € 5.071,68.

Tevens wordt een verzuimboete opgelegd van € 340. Na bezwaar wordt de boete gematigd tot € 113, omdat het een eerste verzuim betreft. De aanslag wordt echter gehandhaafd.

Ook voor het jaar 2002 is eiser aangemaand een aangifte in te dienen. Bij brief van 7 juni 2004 is vanwege ziekte van de adviseur verzocht om uitstel tot 21 juni 2004. Op deze brief is met de hand geschreven “accoord”. Op 21 juni 2004 is vervolgens een (voorblad van de) aangifte 2002 ingediend. Op 28 juni is een vrijwillige verbetering op de aangifte ingediend. Vervolgens heeft verweerder een aanslag opgelegd aan de hand van de haar bekende gegevens. Het belastbaar inkomen wordt vastgesteld op € 18.155, bestaande uit:

- een uitkering ingevolge de AOW van € 7.139;

- een door het pensioenfonds uitgekeerd pensioen van € 5.117,28;

- een uitkering uit de B.V. van € 5.899.

Tevens wordt een verzuimboete opgelegd van € 567. Na bezwaar wordt de boete gematigd tot € 340 (tweede verzuim). De aanslag wordt gehandhaafd.

3. Het geschil

In geschil is of Nederland op grond van het belastingverdrag (hierna: het Verdrag) tussen Nederland en Portugal van 20 september 1999 het recht heeft om belasting te heffen over de door eiser in 2001 en 2002 genoten AOW- en pensioenuitkeringen. Bovendien is de vraag of de verzuimboetes terecht zijn opgelegd.

4. Beoordeling van het geschil

Op grond van artikel 18, eerste lid, van het Verdrag is Portugal in beginsel gerechtigd tot belastingheffing over uit Nederland afkomstige pensioenen, lijfrenten en sociale zekerheidsuitkeringen, die worden genoten door een inwoner van Portugal. Onder bepaalde omstandigheden mag Nederland een bronstaatheffing met betrekking tot deze inkomsten toepassen. In artikel 18, tweede lid, van het Verdrag zijn de cumulatieve voorwaarden opgenomen waaronder Nederland een heffingsrecht heeft, namelijk:

(i) indien en voor zover de aanspraak op dit pensioen of lijfrente in Nederland van belasting is vrijgesteld, dan wel de met het pensioen of lijfrente samenhangende bijdragen in het verleden van het Nederlands belastbare inkomen in aftrek zijn gebracht, en

(ii) indien en voor zover dit pensioen of lijfrente in Portugal niet tegen het algemeen van toepassing zijnde belastingtarief of voor minder dan 90 percent in de belastingheffing wordt betrokken, en

(iii) indien het gezamenlijke bedrag van de in een kalenderjaar genoten pensioenen, lijfrenten en sociale zekerheidsuitkeringen een bedrag van € 10.000 te boven gaat.

Anders dan verweerder betoogt, biedt de tekst van artikel 18, tweede lid, geen steun voor zijn opvatting dat een door eiser genoten AOW-uitkering - een sociale zekerheidsuitkering in de zin van het Verdrag - ter belastingheffing is toegewezen aan Nederland. Bepaald is immers dat slechts indien en voor zover pensioenen of lijfrenten in Nederland in aanmerking zijn gekomen voor een fiscale faciliëring, Nederland in beginsel tot heffing kan overgaan. Nu daarbij niet wordt gesproken van sociale zekerheidsuitkeringen, kan Nederland ten aanzien van de door eiser genoten AOW-uitkering aan de verdragstekst geen heffingsrecht ontlenen. Dat in één van de voorwaarden ter beoordeling van de € 10.000-grens de sociale zekerheidsuitkeringen wel zijn genoemd, betekent evenmin dat ter zake van de AOW-uitkering het heffingsrecht aan Nederland toekomt.

Voor de toepassing van het Verdrag dienen de door eiser genoten pensioenuitkeringen, nu deze niet ter zake van een vroegere dienstbetrekking zijn betaald, te worden aangemerkt als een lijfrente. Voor de vraag of deze uitkeringen ter belastingheffing zijn toegewezen aan Nederland is tussen partijen in geschil of is voldaan aan de in artikel 18, tweede lid, gestelde voorwaarde dat de uitkeringen niet tegen het algemene belastingtarief dan wel voor minder dan 90% in de Portugese belastingheffing worden betrokken.

In beginsel rust op verweerder de bewijslast om aannemelijk te maken dat Portugal de pensioenuitkeringen niet tegen het normale tarief belast of voor minder dan 90% in de belastingheffing betrekt. De rechtbank ziet evenwel, gelet op het bepaalde in artikel 27e, aanhef en sub a, van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, aanleiding tot omkering van de bewijslast. Redengevend daarvoor is dat eiser voor zowel het jaar 2001 als 2002 niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Een dergelijke omkering betekent dat eiser overtuigend moet aantonen dat verweerders standpunt onjuist is.

Eiser heeft verweerders standpunt slechts betwist door te verwijzen naar de hoofdregel - pensioenen, lijfrenten en sociale zekerheidsuitkeringen zijn belast in het woonland - zoals deze is neergelegd in artikel 18, eerste lid, van het Verdrag. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hiermee verre van overtuigend de onjuistheid van verweerders standpunt aangetoond. Verweerder heeft mitsdien terecht de door eiser genoten pensioenuitkeringen in de Nederlandse belastingheffing betrokken.

Ten aanzien van de verzuimboetes overweegt de rechtbank als volgt.

Zoals hiervoor overwogen heeft eiser zowel voor het jaar 2001 als 2002 de vereiste aangifte niet gedaan. Verweerder heeft ter zake van het eerste verzuim in 2001 derhalve terecht een boete van € 113 opgelegd. Ter zake van het tweede verzuim in 2002 heeft verweerder een boete van € 340 opgelegd. Gelet echter op het arrest van de Hoge Raad van 4 februari 2005, BNB 2005/155, kan eerst sprake zijn van een volgend verzuim als aan eiser ter zake van het eerste verzuim reeds een boete is opgelegd. In dit geval zijn de boetebeschikkingen over de jaren 2001 en 2002 tegelijkertijd opgelegd. Er kan in dat geval niet worden gesproken van een tweede verzuim. De rechtbank vermindert daarom de verzuimboete over 2002 tot een bedrag van € 113. Er zijn overigens geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan de verzuimboetes niet passend of geboden zouden zijn.

5. Proceskosten

In de omstandigheden van het geval vindt de rechtbank aan-lei-ding op grond van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de kos-ten die eiser in verband met de behande-ling van het beroep redelij-kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 322 (1 punt voor het beroepschrift met een waarde van € 322,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de aanslag over het jaar 2001;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de aanslag over het jaar 2002;

- vermindert de aanslag IB/PVV over 2001 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 5.071;

- vermindert de aanslag IB/PVV over 2002 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 11.016;

- vermindert de boete voor het jaar 2002 tot een bedrag van € 113;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de uitspraken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 322, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van in totaal € 74 vergoedt.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. M.M. Bijker-Veen, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. M.C.G.J. van Well, rechters. De beslissing is op 24 november 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van drs. R.P.M. Lemmen, griffier.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem

; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.