Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AV2025

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-12-2005
Datum publicatie
20-02-2006
Zaaknummer
101020
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanleiding terug te komen op het oordeel in het tussenvonnis dat hier de twintigjarige verjaringstermijn van artikel 3:306 BW geldt, nu nadien door de Hoge Raad in het arrest van 4 juni 2004, JOR 2004, 220 is beslist dat uit de parlementaire geschiedenis moet worden afgeleid dat het in artikel 3:310 BW gebruikte begrip 'rechtsvordering tot vergoeding van schade' een ruime strekking heeft. Aangenomen moet worden dat aldus voor regresvorderingen die per saldo tot vergoeding van schade strekken en waarvoor de grondslag wordt gegeven door artikel 6:10 BW, een vijfjarige verjaringstermijn geldt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2006/61 met annotatie van mr. J.L. Smeehuijzen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 101020 / HA ZA 03-1016

Vonnis van 28 december 2005

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TECPOOL B.V.,

gevestigd te Harderwijk,

2. de naamloze vennootschap

AXA SCHADE N.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseressen,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal,

advocaat mr. P.C. Knijp te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde].,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. R.A.B. van der Woerdt,

advocaat mr. P.J.M. Drion te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Tecpool, Axa en [gedaagde] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 januari 2004;

- de akte van Tecpool c.s.;

- de antwoordakte van [gedaagde].

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Er is aanleiding om aan de in het tussenvonnis van 21 januari 2004 vastgestelde feiten nog het volgende toe te voegen.

2.1. Bij arrest gewezen op 31 augustus 2004 heeft het gerechtshof te Arnhem het vonnis van de kantonrechter te Harderwijk van 20 november 2002 bekrachtigd. Daartoe heeft het gerechtshof onder meer overwogen:

‘4.7 In eerste aanleg heeft Tecpool ontkend dat het ongeval heeft plaatsgehad toen [betrokkene 1] op een ladder of trapje stond; zij stelde dat zij overigens geen inzicht had in de toedracht en dat de enige die dat wel had [gedaagde] Installatietechniek was. [...] Ter gelegenheid van de pleidooien heeft Tecpool gesteld, dat zij in de procedure die zij inmiddels voert tegen [gedaagde] Installatietechniek “enkele verrassende nieuwe gezichtspunten” heeft ontdekt in de conclusie van antwoord van [gedaagde] Installatietechniek. Tecpool, die die gezichtspunten blijkbaar tot de hare wenst te maken stelt in dit verband:

a. dat [betrokkene 1] een ervaren kracht is, die ten tijde van het ongeval 25 jaar ervaring als onderhoudsmonteur had opgedaan en in het bezit was van het VCA-veiligheidscertificaat en bovendien ervaring had met laswerkzaamheden op een uitzettrapje;

b. dat [betrokkene 1] van [gedaagde] Installatietechniek instructies heeft gekregen en een veiligheidsfilm “Werken op hoogte” heeft gezien en bovendien ervaring als glazenwasser had;

c. dat de val niet is veroorzaakt door een defect aan het trapje, zoals blijkt uit het feit dat een collega van [betrokkene 1], [betrokkene 2], na de val zelf met behulp van dat trapje (een stabiel en Arbo goedgekeurd tweebeenstrapje) de werkzaamheden heeft afgerond; met het trapje was niets mis.

[...]

4.9 [...] Hoezeer deze feiten ook pas in een laat stadium gesteld zijn, [betrokkene 1] heeft er blijk van gegeven zich daarover nog naar behoren te kunnen uitlaten. Niettemin kunnen deze nieuwe feiten, ook indien zij door erkenning of bewijs voldoende vast zouden komen te staan, niet leiden tot de conclusie dat Tecpool aan haar zorgplicht heeft voldaan.

4.10 Het trapje dat volgens Tecpool door [betrokkene 1] gebruikt is, mag een stabiel en ARBO-goedgekeurd trapje zijn geweest, daarmee is nog niet gezegd dat het ook geschikt was om de onderhavige werkzaamheden mee te verrichten. Niet alleen het trapje moet stabiel zijn, ook de gebruiker moet er stabiel op staan en of dat het geval is hangt mede af van de aard van de werkzaamheden en de omstandigheden waaronder ze moeten worden verricht.[betrokkene 1] diende met lasapparatuur boven zijn macht, dat wil zeggen hoger dan zijn schouders te werken. Dat eiste een royaal stavlak waarop hij met zijn voeten afhankelijk van de aard van het werk, van de weerstand die hij ondervond en van zijn eigen lichaamsbouw een stabiele stand kon zoeken, bij voorkeur ook met een leunmogelijkheid. Dat biedt een trapje als het onderhavige niet en [betrokkene 1] voert dan ook terecht aan dat daarvoor een kamersteiger of tenminste een steigertrap vereist was.

4.11 De enkele omstandigheid dat [betrokkene 1] zelf altijd de deugdelijkheid van het materiaal tevoren controleerde, leidt niet tot het oordeel dat op Tecpool geen zorgplicht meer rustte of dat die zorgplicht werd verminderd en evenmin dat Tecpool daarmee aan aansprakelijkheid kan ontkomen, omdat het een ervaringsfeit is dat het dagelijks verkeren in een bepaalde werksituatie tot een vermindering van de ter voorkoming van ongelukken raadzame voorzichtigheid leidt. Ook de stelling van Tecpool dat [betrokkene 1] over ruime kennis en ervaring beschikte, dat hij een veiligheidscertificaat had behaald en een instructie had gekregen, hetgeen [betrokkene 1] overigens heeft weersproken, leidt niet tot het oordeel dat Tecpool niet aansprakelijk is voor de schade van [betrokkene 1]. Tecpool zou in dat verband immers slechts aan aansprakelijkheid kunnen ontkomen wanneer [betrokkene 1], in weerwil van die kennis en ervaring, zou hebben gekozen voor een gevaarlijke manier van werken of wanneer hij gebruik zou hebben gemaakt van gevaarlijk materiaal. Dat is echter niet door Tecpool gesteld; integendeel, in de visie van Tecpool was het gebruikte trapje veilig en zij voert dan ook niet aan dat [betrokkene 1] meer adequaat materiaal beschikbaar had dat hij volgens haar had moeten gebruiken.’

2.2. Op de (in deze procedure) gehouden comparitie heeft [gedaagde] onder meer doen verklaren:

‘Het trapje dat [betrokkene 1] heeft gebruikt was van [gedaagde] en behoorde niet tot de inventaris van de bedrijfswagen van Tecpool. Met hetzelfde trapje is direct na het voorval de klus afgemaakt. Er was niets mis met het trapje’

3. De verdere beoordeling

3.1. Voorop gesteld wordt dat Tecpool, zoals zij op de comparitie heeft beaamd, geen eigen vorderingsrecht meer heeft nu het Axa is geweest die eerst op 5 november 2002 aan [betrokkene 1] een voorschot heeft betaald van € 10.000,- en vervolgens op 21 januari 2003 een restbedrag van € 87.461,29. Axa is door deze betalingen in de rechten van Tecpool gesubrogeerd.

Het beroep op verjaring: deel 2

3.2. [gedaagde] heeft in de eerste plaats haar beroep op verjaring opnieuw aan de orde gesteld. In het tussenvonnis is daarover reeds beslist dat dit niet slaagt omdat naar het oordeel van de rechtbank op grond van artikel 3:306 BW een verjaringstermijn van twintig jaar geldt. Volgens [gedaagde] is het onaanvaardbaar dat die beslissing in stand blijft, nu de rechtbank had moeten uitgaan van een verjaringstermijn van vijf jaar op grond van artikel 3:310 BW dan wel artikel 3:307 lid 1 BW.

3.3. Voorop gesteld wordt het volgende. Op grond van vaste rechtspraak (laatstelijk HR 16 januari 2004, NJ 2004, 318) geldt de op beperking van het processuele debat gerichte regel dat van een eindbeslissing in dezelfde instantie niet meer mag worden teruggekomen, behoudens indien bijzondere omstandigheden het onaanvaardbaar zouden maken dat de rechter aan de eindbeslissing in kwestie zou zijn gebonden hetgeen met name het geval kan zijn indien sprake is van een evidente feitelijke of juridische misslag van de rechter of indien de desbetreffende beslissing blijkt te berusten op een niet aan de belanghebbende partij toe te rekenen onjuiste feitelijke grondslag.

3.4. Er is inderdaad aanleiding terug te komen op het oordeel in het tussenvonnis dat hier de twintigjarige verjaringstermijn van artikel 3:306 BW geldt, nu nadien door de Hoge Raad in het arrest van 4 juni 2004, JOR 2004, 220 is beslist dat uit de parlementaire geschiedenis moet worden afgeleid dat het in artikel 3:310 BW gebruikte begrip ‘rechtsvordering tot vergoeding van schade’ een ruime strekking heeft. Aangenomen moet worden dat aldus voor regresvorderingen die per saldo tot vergoeding van schade strekken en waarvoor de grondslag wordt gegeven door artikel 6:10 BW, een vijfjarige verjaringstermijn geldt.

3.5. Het vorenstaande verandert echter niets aan de beslissing dat de vordering van Tecpool c.s. niet is verjaard. Anders dan [gedaagde] kennelijk meent is de termijn van vijf jaar namelijk niet spontaan gaan lopen tegelijkertijd en náást de verjaring van de onderliggende vordering van [betrokkene 1] nadat hem op 13 juni 1996 een bedrijfsongeval is overkomen.

In de verhouding tussen Tecpool en [gedaagde] is de verjaringstermijn eerst aangevangen op de dag na die waarop de regresvordering opeisbaar is geworden. Die opeisbaarheid moet worden bepaald op het moment van voldoening aan de crediteur (Parlementaire Geschiedenis Boek 6, pag. 95). Die betaling is, namens Tecpool, verricht door Axa op 21 januari 2003 na het door de kantonrechter te Harderwijk gewezen eindvonnis waarin de betalingsverplichting is bepaald. Op z’n vroegst is de verjaring van de regresvordering met ingang van dezelfde datum gaan lopen. Ten tijde van de in deze zaak uitgebrachte dagvaarding was die verjaring dus niet voltooid.

Aard van de contractuele relatie tussen Tecpool en [gedaagde]

3.6. Aan haar regresvordering heeft Tecpool ten grondslag gelegd dat zij een uitzendorganisatie exploiteert en dat zij in dát kader [betrokkene 1] in juni 1996 aan [gedaagde] heeft uitgeleend om voor haar werkzaamheden te verrichten. [gedaagde] was daarmee, zo stelt Tecpool, de materiële werkgever van [betrokkene 1] die invloed kon uitoefenen op de omstandigheden waaronder hij zijn werkzaamheden uitvoerde en zij was daarvoor direct verantwoordelijk.

3.7. [gedaagde] heeft betwist dat [betrokkene 1] door Tecpool is uitgeleend. Er is volgens haar sprake geweest van een overeenkomst van opdracht/(onder)aanneming, zoals blijkt uit de (overigens niet in het geding gebrachte) opdrachtbevestiging waar de werkzaamheden zijn omschreven als ‘dikwandig c.v. werkzaamheden’. Reeds daarom stelt [gedaagde] niet als opdrachtgever aansprakelijk te kunnen worden gehouden jegens de opdrachtnemer in verband met een diens werknemer bij haar overkomen bedrijfsongeval.

3.8. De rechtbank oordeelt over dit verweer als volgt. Anders dan [gedaagde] meent is de juridische kwalificatie van haar rechtsbetrekking met Tecpool niet beslissend voor het antwoord op de vraag of zij jegens haar tot vrijwaring gehouden is voor de schade waarvoor Tecpool heeft moeten opkomen vanwege het aan [betrokkene 1] overkomen bedrijfsongeval. Het gaat erom of [gedaagde] in het kader van de tewerkstelling van [betrokkene 1] feitelijk heeft gefungeerd als verlengstuk van Tecpool in die zin dat zij (tevens) was belast met de zorg voor diens veiligheid. In de relatie tussen [betrokkene 1] en [gedaagde] is dat ook de grond voor aansprakelijkheid (en daarmee voor de hoofdelijke verbondenheid van [gedaagde] en Tecpool) en de Hoge Raad heeft in het arrest Stormer/Vedox, NJ 1990, 716 daarbij uitdrukkelijk uitgemaakt dat het onverschillig is in welk juridisch kader de tewerkstelling heeft plaatsgevonden. Dat geldt evenzeer in de regresverhouding tussen Tecpool en [gedaagde].

Het komt er daarmee op aan te beoordelen wat feitelijk de rol van [gedaagde] is geweest bij het project waar [betrokkene 1] het ongeval is overkomen.

3.9. Uit het relaas daarover van [gedaagde] bij conclusie van antwoord volgt dat het ging om het renoveren van een bestaand verwarmings- en koelsysteem in het kantoorpand Bouwfonds Nederlandse Gemeenten te Hoevelaken. Dat zijn werkzaamheden die behoren tot de normale bedrijfsuitoefening van [gedaagde]. Bij het hiervoor genoemde project te Hoevelaken waren vier personen betrokken: twee uitvoerende werknemers/monteurs (waaronder [betrokkene 1]) van Tecpool, een leidinggevende/chefmonteur van [gedaagde] die zich onder meer bezig hield met het organiseren van de werkzaamheden en een ingeleende projectleider van de opdrachtgever. Het staat verder vast dat de twee monteurs van Tecpool binnen het project niet eenmalig of kortdurend zijn ingezet, maar gedurende enige tijd, naar moet worden aangenomen vanwege de planningsproblematiek zoals [gedaagde] die heeft uiteengezet bij conclusie van antwoord (pagina 2, alinea 4). Het staat ook vast, [gedaagde] heeft het op de comparitie beaamd (zie onder 2.2 van dit vonnis), dat het trapje waarmee het ongeval van [betrokkene 1] is gebeurd van [gedaagde] was en door haar direct na het ongeval nog is gebruikt voor dezelfde klus omdat zij meende dat er niets mee mis was.

3.10. De rechtbank leidt uit dit één en ander af dat [gedaagde] als (hoofd)aannemer, in de persoon van haar op de werkplek aanwezige leidinggevende/chefmonteur, ter plaatse kon en moest beoordelen wat nodig was voor het veilig uitvoeren van de werkzaamheden en dat zij de bevoegdheid had daarvoor ook aanwijzingen te geven aan het gedurende het project daar aanwezige personeel van Tecpool. Aan [betrokkene 1] is ook door [gedaagde] een trapje ter beschikking gesteld. De omstandigheden op basis waarvan het gerechtshof in de tussen [betrokkene 1] en Tecpool gevoerde procedure heeft aangenomen dat sprake is van werkgeversaansprakelijkheid, die de rechtbank overneemt en waarnaar zij verwijst, liggen daarmee allen in de sfeer van [gedaagde] en Tecpool kon daarop geen enkele invloed uitoefenen. Dat laatste zou eventueel anders geweest kunnen zijn indien in de tussen Tecpool en [gedaagde] gemaakte afspraken besloten lag dat Tecpool altijd verantwoordelijk was voor de aanwezigheid van geschikte materialen en hulpmiddelen voor haar personeel op het project. De stelling van [gedaagde] (conclusie van antwoord, pag. 12) dat in de opdracht-/(onder)aannemingsrelatie met Tecpool geen specifieke afspraken zijn gemaakt, sluit daar echter niet bij aan. Dat het personeel van Tecpool met de eigen auto kwam en met eigen materiaal werkte is een te vage stelling om daarin het beroep op een dergelijke afspraak te lezen, nog daargelaten dat het niet nakomen van een dergelijke afspraak op zichzelf voor [gedaagde] geen vrijbrief was om een instabiel en daarom ongeschikt trapje te laten gebruiken door [betrokkene 1].

3.11. In voormeld oordeel ligt besloten dat al hetgeen [gedaagde] in deze procedure heeft aangevoerd als verweer tegen de aansprakelijkheid als zodanig, faalt. Dat geldt evenzeer voor het beroep op rechtsverwerking. Enkel tijdsverloop is daarvoor niet een toereikende grondslag. Daarnaast is de aanwezigheid vereist van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij [gedaagde] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat Tecpool haar aanspraken niet (meer) geldend zou maken, hetzij de positie van [gedaagde] onredelijk is verzwaard of benadeeld. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn niet gebleken. Daarbij wordt opgemerkt dat de bewijspositie van [gedaagde] niet is verzwaard: zij is in staat geweest exact te omschrijven welk trapje door [betrokkene 1] is gebruikt en de aansprakelijkheidsvraag kan reeds op grond daarvan worden beantwoord. Het oproepen van niet meer te achterhalen getuigen voor een reconstructie van het ongeval, is dus niet nodig.

Wat de verzekeringsdekking betreft die [gedaagde] stelt te missen vanwege de late aansprakelijkstelling door Tecpool geldt dat daarover nog niets definitief is beslist, zo volgt uit de mededelingen van [gedaagde] op de comparitie. Het is dus nog niet zeker dat de verzekeraar van [gedaagde], Aon Verzekeringen, op grond van de polisvoorwaarden mag verlangen dat [gedaagde] binnen drie jaar ná 13 juni 1996 melding had gemaakt van het ongeval van [betrokkene 1] hoewel [gedaagde] eerst door de aansprakelijkstelling van Tecpool bij brief van 27 november 2002 van de daaruit voortvloeiende schade op de hoogte is gesteld. Als van de juistheid van dat standpunt van Aon Verzekeringen, dat op zichzelf in deze procedure niet ter discussie kán staan omdat Aon Verzekeringen geen procespartij is, al wel zou moeten worden uitgegaan dan geldt dat [gedaagde] het nadeel van dergelijke polisvoorwaarden als contractspartij bij de verzekeringsovereenkomst zelf zal moeten dragen. Tecpool heeft de positie van [gedaagde] in dit opzicht niet wezenlijk kunnen beïnvloeden nu zij door [betrokkene 1] eerst bij brief van 20 september 1999 aansprakelijk is gesteld. Dat was reeds buiten het door Aon aangehouden tijdvak van drie jaar gerekend vanaf de datum van het ongeval. Hierbij komt dan nog dat [gedaagde] wist van het ongeval als zodanig omdat zij door haar chef-monteur [betrokkene 2] na het ongeval daarover is opgebeld.

Omvang van de bijdrageplicht van [gedaagde]

3.12. Uit het onder 3.9 gegeven oordeel volgt dat in de onderlinge verhouding tussen Tecpool en [gedaagde] de door Tecpool geleden schade in beginsel voor 100% voor rekening van [gedaagde] komt. Voor afwijking van deze verdeling kan echter reden zijn indien Tecpool niet of onvoldoende schadebeperkend is opgetreden. Daarbij wordt voorop gesteld dat de door Tecpool aan [betrokkene 1] gedane betaling in beginsel congruent moet zijn aan de schade die [betrokkene 1] rechtstreeks van [gedaagde] had kunnen vorderen.

3.13. Tecpool heeft, ook al was dat op de valreep, in de procedure tegen [betrokkene 1] alle argumenten van [gedaagde] ingebracht. In zoverre heeft Tecpool alsnog met de belangen van [gedaagde] rekening gehouden. Uit het arrest van het gerechtshof blijkt dat die argumenten ten volle zijn meegewogen ten aanzien van de aansprakelijkheidsvraag. Omdat Tecpool geen grieven had geformuleerd tegen de door de kantonrechter aan [betrokkene 1] integraal toegekende schadevergoeding, houdt het oordeel van het gerechtshof daarover echter niets in. De vraag is nu of, zoals [gedaagde] stelt, van Tecpool een kritischer beoordeling van de door [betrokkene 1] gevorderde schadevergoeding had moeten worden gevergd.

Gezien de aard van de toegekende schadevergoeding, die vooral betrekking heeft op toekomstige schade van [betrokkene 1] wegens verlies aan verdienvermogen welke is geschat na afweging van goede en kwade kansen, gaat het daarbij om een oordeel over de aannemelijkheid en redelijkheid van de in aanmerking genomen uitgangspunten.

De rechtbank constateert (in de akte tevens vermeerdering van eis die door [betrokkene 1] op 17 juli 2002 in de kantongerechtsprocedure is genomen) dat die uitgangspunten zijn geformuleerd op een wijze die in overeenstemming is met wat gebruikelijk is bij een letselschadeclaim en daarbij is afgestemd op de concrete bijzonderheden van het geval.

Daartoe behoort in het bijzonder het letsel van [betrokkene 1] dat in het kader van een expertise door de neuroloog [betrokkene 3] is beschreven (‘Betrokkene heeft op 13 juni 1996 een zeer ernstige contusio cerebri doorgemaakt met een belangrijk hersenoedeem en een acuut subduraalthematoom rechts dat operatief ontlast moest worden. Hij vertoont thans tekenen van een ernstige mentale deterioratie.’), waarbij het oordeel is gegeven dat [betrokkene 1] als volledig arbeidsongeschikt moet worden beschouwd voor het verrichten van welke loonvormende arbeid dan ook. Tegen deze achtergrond is de berekening van de schadevergoeding op alle onderdelen begrijpelijk en redelijk te achten. Tecpool heeft dat op juiste waarde geschat en zij hoefde daarom geen (kansloos) verweer te voeren.

[gedaagde], die beschikt over alle gegevens om de schadeberekening te toetsen, laat ook na gemotiveerd aan te geven dat en waarom (enig onderdeel van) de berekening onjuist is. Aan haar verweer wordt daarom zonder verder onderzoek voorbij gegaan.

Conclusie

3.14. De door Axa gevorderde verklaring voor recht is toewijsbaar. Daaruit volgt eveneens dat als hoofdsom toewijsbaar is het door de kantonrechter aan [betrokkene 1] toegewezen bedrag van € 92.618,52 vermeerderd met de wettelijke rente over

€ 78.039,75 gerekend vanaf 11 juli 2002 tot de datum van betaling en voorts vermeerderd met de kosten van de kantongerechtsprocedure ad € 2.717,52. Axa becijfert dit een en ander op een totaal van € 97.461,29. [gedaagde] betwist bij gebreke van een specificatie de hoogte van de gevorderde hoofdsom. Axa zal daarom in de gelegenheid worden gesteld om bij akte haar vordering in zoverre alsnog toe te lichten. Daarbij zal zij tevens nader in mogen gaan op het verdere verweer van [gedaagde] tegen de nevenvorderingen (conclusie van antwoord onder VIII), nu het debat daarover op de comparitie niet volledig is geweest. Uiteraard zal [gedaagde] hierna nog een antwoord-akte mogen nemen.

3.15. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Hoger beroep van dit tussenvonnis is pas mogelijk tegelijk met dat van het eindvonnis.

4. De beslissing

De rechtbank

verwijst de zaak naar de rolzitting van 18 januari 2006 voor het nemen van een akte door Axa tot het onder 3.14 genoemde doel, waarna [gedaagde] op een termijn van drie weken een antwoord-akte mag nemen,

verstaat dat hoger beroep van dit vonnis alleen mogelijk is tegelijk met dat van het eindvonnis

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.G. Roovers en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2006.