Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AV1977

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-12-2005
Datum publicatie
17-02-2006
Zaaknummer
131502
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Europe Flyer vordert op grond van artikel 843a Rv de overlegging van (afschriften) van de in R.O. 3.1. onder a) en b) genoemde bescheiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2007, 9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 131502 / HA ZA 05-1708

Vonnis in incident van 21 december 2005

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres].,

gevestigd te [woonplaats],

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. R.J. Kramer te Heerlen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EUROPE FLYER LOGISTIC B.V.,

gevestigd te Huissen, gemeente Lingewaard,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

procureur mr. H. van Ravenhorst,

advocaat mr. M.J. Hajdasinksi te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Europe Flyer genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de incidentele conclusie tot vordering van afgifte van bescheiden (ex. Art. 843a Rv);

- de incidentele conclusie van antwoord.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

De vordering in de hoofdzaak

[eiseres] vordert in de hoofdzaak dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Europe Flyer veroordeelt om tegen deugdelijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen:

primair

een bedrag van EUR 50.457,34, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, vanaf 25 maart 2005 over een bedrag van EUR 44.647,09 en vanaf de dag der dagvaarding over een bedrag van EUR 5.810,25, tot de dag der algehele voldoening;

subsidiair

een bedrag van EUR 26.621,69, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 25 maart 2005, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening;

alsmede de kosten van het geding waaronder de beslagkosten.

[eiseres] baseert haar vordering, kort gezegd, op de volgende stellingen:

- Europe Flyer heeft in maart 2005 in opdracht en voor rekening van [eiseres] een aantal zendingen vlees vervoerd, met als bestemming Spanje;

- Doordat Europe Flyer zich bij het uitvoeren van deze overeenkomst niet heeft gehouden aan EU-wetgeving mocht het vlees niet meer geëxporteerd worden naar (Spanje of andere) EU-lidstaten en nog slechts in Nederland verhandeld worden, waardoor [eiseres] schade heeft geleden;

- Europe Flyer is hiermee verwijtbaar tekortgeschoten in de tussen partijen gesloten overeenkomst en dient de schade te vergoeden.

Europe Flyer heeft in de hoofdzaak nog niet geconcludeerd.

De vordering in het incident

Europe Flyer vordert in het incident - zakelijk weergegeven - dat de rechtbank [eiseres] veroordeelt om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, aan Europe Flyer, uiterlijk binnen zeven dagen na betekening van het vonnis, een volledige kopie over te leggen van:

a) “de mogelijke verzekeringspolis(sen), polisvoorwaarden, sluitnota (of nota’s) en eventuele maatschappijverdeling(en) krachtens welke [eiseres] haar goederen voor schade en/of diefstal heeft verzekerd”;

b) “justificatoire bescheiden waarmee [eiseres] haar vorderingsrecht zou kunnen bewijzen, waarbij Europe Flyer denkt aan een verklaring van de goederenverzekeraar(s) van [eiseres], in de vorm van een uitkeringsbericht of enig ander besluit van verzekeraars onder de polis”;

met daarbij een door de directeur van [eiseres] getekende verklaring omtrent de volledigheid daarvan, dan wel, mochten zulke bescheiden niet bestaan, een getekende verklaring van de directeur van [eiseres] daaromtrent,

op straffe van een dwangsom ter hoogte van EUR 1.000,--, dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [eiseres] daarmee in gebreke blijft.

[eiseres] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling in het incident

Europe Flyer vordert op grond van artikel 843a Rv de overlegging van (afschriften) van de in R.O. 3.1. onder a) en b) genoemde bescheiden.

Het Nederlands recht kent geen algemene exhibitieplicht. Artikel 843a Rv voorziet er echter in dat hij die daarbij belang heeft een afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat dit wetsartikel ziet op de situatie, dat de inhoud van een bewijs-middel aan een partij in beginsel wel bekend is, maar dat zij het niet in haar bezit heeft. De voorwaarden, die aan het toewijzen van een dergelijke vordering gesteld worden, te weten dat het om bepaalde bescheiden moet gaan en dat er voldoende belang aanwezig moet zijn, dienen ter voorkoming van zogenaamde “fishing expeditions”. De vordering van Europe Flyer dient aan deze eisen getoetst te worden.

Ten aanzien van de in R.O. 3.1. onder b) genoemde bescheiden is niet voldaan aan de eis dat voldoende bepaald moet zijn om welke bescheiden het gaat. Europe Flyer vraagt [eiseres] immers alle justificatoire bescheiden over te leggen waarmee zij haar vor-de-rings-recht kan bewijzen. Dat Europe Flyer daarbij nog aangeeft aan welk soort stuk-ken zij “denkt”, zonder daarbij overigens concrete stukken te noemen, maakt niet dat de stukken daarmee bepaald zijn.

Ook ten aanzien van de in R.O. 3.1. onder a) genoemde bescheiden is de rechtbank van oordeel dat niet voldaan is aan de eis van voldoende bepaalbaarheid.

Europe Flyer verlangt immers afschriften van een ongelimiteerde lijst “mogelijk” bestaande (verzekerings)stukken. Het gaat derhalve niet om specifieke bewijs-middelen waarvan de inhoud bij haar in beginsel bekend is. Door [eiseres] wordt daarbij ontkend dat de gevorderde verzekeringsstukken bestaan, althans voor zover deze zien op de door [eiseres] in de hoofdzaak gevorderde schade-vergoeding. Door Europe Flyer wordt niet voldoende onderbouwd gesteld dat deze stukken wél bestaan. Uit de omschrijving van de stukken, met name uit de toevoeging “mogelijke”, en uit de inhoud van de vordering van Europe Flyer - waarin (subsidiair) een verklaring van de directeur van [eiseres] wordt gevraagd dat de stukken niet bestaan - blijkt juist dat Europe Flyer er expliciet rekening mee houdt dat de desbetreffende stukken niet bestaan.

De rechtbank is voorts van oordeel dat voor zover de vordering ziet op verzekeringsstukken met betrekking tot andere goederen dan de in R.O. 2.2. bedoelde zendingen vlees Europe Flyer bij die vordering onvoldoende belang heeft.

Gelet hierop zal de rechtbank de incidentele vordering van Europe Flyer afwijzen.

De rechtbank overweegt daarbij voorts dat artikel 843a Rv geen basis geeft voor het doen afgeven van een door de directeur van [eiseres] getekende verklaring omtrent de volledigheid of omtrent het (niet) bestaan van de gevorderde bescheiden, zodat ook dat deel van de incidentele vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt.

Europe Flyer zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld (1 punt x EUR 894,--).

De beoordeling in de hoofdzaak

[eiseres] stelt dat Europe Flyer gelet op het bepaalde in artikel 128 lid 2 Rv haar recht om ten principale voor antwoord te concluderen heeft verspeeld.

Uit het gegeven dat ter rolzitting vonnis is bepaald in het incident, zonder dat in de hoofdzaak ‘akte niet dienen’ is verleend, blijkt echter dat de mogelijkheid om in de hoofdzaak voor antwoord te concluderen nog niet afgesneden is. De rechtbank heeft de incidentele vordering van Europe Flyer tevens beschouwd als een verzoek tot uitstel voor het nemen van een conclusie van antwoord ten principale en dit verzoek toegewezen. Het rolreglement en artikel 128 tweede en derde lid Rv bieden hiertoe de ruimte.

De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor antwoord.

De beslissing

De rechtbank

in het incident

wijst het gevorderde af,

veroordeelt Europe Flyer in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 894,00,

in de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van 4 januari 2006 voor antwoord,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E van Groeningen en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2005.