Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AV0538

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-11-2005
Datum publicatie
27-01-2006
Zaaknummer
131455
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Volgens vaste jurisprudentie is de bestuurder jegens een crediteur van de vennootschap aansprakelijk, met name op grond van artikel 6:162 BW, indien de bestuurder ter zake van de door de crediteur geleden schade een persoonlijk verwijt treft. Indien de bestuurder namens de vennootschap een schuld aangaat waarvan hij weet of behoort te weten dat de vennootschap die niet zal kunnen nakomen, is die aansprakelijkheid in het algemeen gegeven. In andere gevallen zal het van de concrete omstandigheden van het geval afhangen of het aan de bestuurder te maken verwijt voldoende ernstig is om hem persoonlijk aansprakelijk te houden (HR 18 februari 2000, JOR 2000,56).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2006, 107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 131455 / KG ZA 05-577

Datum vonnis: 14 november 2005

Vonnis in kort geding

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 7 oktober 2005,

procureur mr. W.D. Huizinga,

advocaat mr. D.G.M. de Grave - Verkerk te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LAKE HOLDING B.V.,

gevestigd te Oosterbeek,

gedaagde,

procureur: mr. W.J.G.M. van den Broek,

advocaat mr. J.P.J.M. Naus te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiser] en Lake Holding genoemd worden.

Het verloop van de procedure

[eiser] heeft Lake Holding ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.

Lake Holding heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

De advocaten van partijen hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities.

Daarbij zijn producties in het geding gebracht.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1 [eiser] is op 15 april 2003 voor bepaalde tijd tot aan zijn pensionering per 1 december 2006 als statutair directeur in dienst getreden van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Plato International B.V. (hierna: Plato International). Deze vennootschap functioneert als holding en heeft twee dochters van wie zij statutair bestuurder is, te weten Plato Wood Products B.V. (hierna: Plato Wood) en Plato International Technology B.V. (hierna: Plato Technology) Plato Wood houdt zich bezig met productie en verkoop van Plato producten en Plato Technology met de exploitatie van de techniek.

2. In de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Plato International is onder meer het volgende bepaald:

Artikel 18 Compensatie gemist salaris

Ingeval werkgever zich genoodzaakt ziet, om welke reden ook behoudens ingeval van ontslag op staande voet wegens dringende reden, de arbeidsovereenkomst met werknemer te beëindigen compenseert werkgever de werknemer voor de gemiste salarisbetalingen tot een maximum bedrag van € 84.000,-- bruto. Teneinde betaling zeker te stellen stort werkgever maandelijks een bedrag van € 4.200,-- op nadere instructie van Mr. E.R. Looyen (Hekkelman, Terheggen en Rieter Advocaten te Arnhem) bij een door hem als trustee te beheren fonds totdat genoemd maximum zal zijn bereikt. Gedurende de opbouwtijd van dit fonds geldt uitkering pro rata. (...)

3. Lake Holding is grootaandeelhouder van Plato International. De heer [betrokkene], enig bestuurder van Lake Holding, is op 13 februari 2002 als commissaris in dienst getreden bij Plato International.

4. Lake Holding heeft op 9 september 2004 met Plato International

een geldleningovereenkomst, gedateerd 8 september 2004, gesloten ten bedrage van € 650.000,00. Tevens is door een drietal andere aandeelhouders tezamen een bedrag van € 100.000,00 ter leen gegeven. Ter zekerheid voor deze geldleningen is door Plato International ten behoeve van Lake Holding en zijn medecrediteuren een pandrecht gevestigd. In de daartoe opgestelde pandakte is onder meer bepaald:

artikel 1.1: Pandgever geeft hierbij zijn huidige en toekomstige Voorraad aan Pandhouders in tweede pand. De vestiging van het pandrecht geschiedt door registratie van deze akte of naar keuze van de Pandhouders op enige (andere) rechtsgeldige wijze, waaronder begrepen vestiging bij authentieke akte. Pandgever zal terzake van de vestiging de aanwijzingen van Pandhouders opvolgen.

Artikel 1.2: Onder Voorraad in de zin van deze akte wordt verstaan:

Alle roerende zaken behorende tot de bedrijfs- en handelsvoorraad van Pandgever en door Pandgever gedreven ondernemingen, onder meer bestaande uit emballage, grondstoffen, hulpstoffen, halffabrikaten en gereedprodukt, alsmede alle overige produkten, zulks in de ruimste zin des woords, die zich onder meer bevinden in de bedrijfspanden waar Pandgever activiteiten uitoefent, te weten Westervoortsedijk 73 te Arnhem of elders, al dan niet onder derden, verder te noemen: de "Voorraad", een en ander in de staat waarin de Voorraad zich thans bevindt.

5. De pandakte is ondertekend door de medecrediteuren van Lake Holding en namens Lake Holding door [betrokkene] en namens Plato International door [eiser].

6. Plato Wood is bij vonnis van de rechtbank Arnhem op 23 maart 2005 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. Wiggers te Arnhem tot curator. Bij uitspraak van 11 mei 2005 is aan Plato International surséance van betaling verleend. Het merendeel van de Platovoorraden is eigendom van Plato Wood.

7. De curator heeft in een brief van 4 april 2005 aan de rechter-commissaris onder meer geschreven dat hij aan de geldverstrekkers volgens de pandakte heeft medegedeeld dat zij geen rechtsgeldig pandrecht op de voorraden van Plato Wood hebben gevestigd. Bij brief van 7 april 2005 heeft de rechter-commissaris dat standpunt onderschreven.

8. Lake Holding heeft [eiser] bij dagvaarding van 7 juli 2005 voor de rechtbank Amsterdam gedagvaard. In deze procedure stelt zij dat het pandrecht niet tot stand is gekomen nu de Platovoorraden niet zouden toebehoren aan Plato International maar aan Plato Wood. Zij stelt hierdoor schade te hebben geleden en houdt [eiser] daarvoor verantwoordelijk.

9. [eiser] is door de bewindvoerder van Plato International op 15 juni 2005 ontslagen. Hij wil daarom met een beroep op artikel 18 van de arbeidsovereenkomst het voor hem gereserveerde bedrag voor gemist salaris aanspreken, maar wordt hierin belemmerd door het door Lake Holding op 10 juni 2005 hierop gelegde conservatoir derdenbeslag.

Het geschil

1. [eiser] vordert dat Lake Holding zal worden veroordeeld het op 10 juni 2005 ten laste van [eiser] gelegde conservatoire derdenbeslag onder Hekkelman, Terheggen en Rieter Advocaten te Arnhem en mr. Looyen op te heffen.

2. [eiser] legt aan deze vordering - kort samengevat - ten grondslag dat hij in financiële nood dreigt te raken nu hij slechts - gedurende een periode van zes maanden - over een werkloosheidsuitkering ter hoogte van € 800,00 per maand kan beschikken.

Voorts stelt hij dat er geen grond is voor beslaglegging. Aan deze stelling legt hij - eveneens kort samengevat - ten grondslag dat Lake Holding geen vordering op hem heeft omdat hij noch als statutair bestuurder noch in persoon onrechtmatig jegens Lake Holding heeft gehandeld. In de visie van [eiser] is het pandrecht rechtsgeldig tot stand gekomen. Als dit niet zo zou zijn, dan stelt [eiser] dat alle betrokken partijen bij de pandakte dezelfde voorraad op het oog hadden. Lake Holding zou net zo goed als [eiser] hebben geweten dat feitelijk Plato Wood de eigenaar van de voorraden was, maar niemand zou er aan gedacht hebben, dan wel daarvan de noodzaak hebben ingezien, de pandakte mede te laten ondertekenen namens Plato Wood.

3. Lake Holding stelt - ook kort samengevat - dat er geen pandrecht tot stand is gekomen, nu blijkt dat de voorraden die verpand zijn niet aan Plato International toebehoren, maar aan Plato Wood, terwijl Plato Wood de pandakte niet mede heeft ondertekend. Nu [eiser] (als enig bestuurder van de vennootschap) in strijd met de waarheid heeft verklaard dat Plato International tot verpanding bevoegd was, terwijl hij wist dat dit niet het geval was, stelt Lake Holding dat [eiser] in privé aansprakelijk gehouden kan worden voor de door haar geleden schade.

De beoordeling van het geschil

1. Voorop wordt gesteld dat ingevolge het bepaalde in artikel 705 lid 2 Rv. het beslag onder meer dient te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert - met inachtneming van de beperkingen van de kort geding procedure - aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. De voorzieningenrechter zal evenwel hebben te beslissen aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen.

2. Volgens vaste jurisprudentie is de bestuurder jegens een crediteur van de vennootschap aansprakelijk, met name op grond van artikel 6:162 BW, indien de bestuurder ter zake van de door de crediteur geleden schade een persoonlijk verwijt treft. Indien de bestuurder namens de vennootschap een schuld aangaat waarvan hij weet of behoort te weten dat de vennootschap die niet zal kunnen nakomen, is die aansprakelijkheid in het algemeen gegeven. In andere gevallen zal het van de concrete omstandigheden van het geval afhangen of het aan de bestuurder te maken verwijt voldoende ernstig is om hem persoonlijk aansprakelijk te houden (HR 18 februari 2000, JOR 2000,56). Deze (indirecte) doorbraak van de uit artikel 2:5 BW voortvloeiende regel dat een namens de rechtspersoon handelende persoon niet zélf aansprakelijk is voor de gevolgen van dat handelen, moet gebaseerd zijn op een onbehoorlijke of nalatige handelwijze waarvoor die persoon zelf schuld heeft.

3. Bij de concrete beoordeling van voormelde maatstaf gaat de voorzieningenrechter uit van de juistheid van het standpunt van de curator en de rechter-commissaris ten aanzien van (de omvang van) het pandrecht. In die situatie wordt dan het volgende aangenomen. Hoewel Lake Holding betwist dat zij op de hoogte was of kon zijn van het reilen en zeilen van Plato International, blijkt uit de overgelegde stukken dat haar bestuurder, [betrokkene], als commissaris/grootaandeelhouder van Plato International de jaarstukken van Plato International en Plato Wood, voorafgaande aan het sluiten van de geldleningovereenkomst en de pandakte, heeft ondertekend. Beide jaarstukken vermelden als vlottende activa onder meer de post voorraden voor een bedrag van € 1.414.690,-- .

Uit die jaarstukken had het [betrokkene] duidelijk moeten, dan wel kunnen zijn dat de voorraden feitelijk toebehoorden aan Plato Wood.

Dit heeft echter ook [betrokkene] er niet van weerhouden de geldleningovereenkomst en de pandakte, waarin meer in zijn algemeenheid wordt verwezen naar "de huidige en toekomstige voorraden van Plato International" en "alle roerende zaken behorende tot de bedrijfs- en handelsvoorraad van Pandgever en door Pandgever gedreven ondernemingen..." te ondertekenen, hoewel het volgens de pandakte juist aan de pandgevers werd overgelaten de vestiging van het pandrecht op rechtsgeldige wijze te effectueren en de pandgever ook overigens de aanwijzingen van de pandhouder diende op te volgen.

Ter zitting is voorshands geoordeeld voldoende aannemelijk geworden dat partijen onder de bedrijfs- en handelsvoorraad, zoals verwoord in de geldleningovereenkomst en pandakte, de "Platovoorraad" bedoelden, welke voorraad in het bedrijfspand van Plato International en dat van haar dochtermaatschappijen lag opgeslagen en dat verzuimd is de Platovoorraden in de pandakte nader te definiëren.

Onder deze omstandigheden voert het te ver dat collectieve verzuim aan [eiser] persoonlijk te verwijten. De enkele omstandigheid dat hij als bestuurder van Plato International de pandakte heeft ondertekend, is daarvoor onvoldoende. Op grond van het verhandelde in deze kort gedingprocedure oordeelt de voorzieningenrechter dan ook dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering van Lake Holding op [eiser].

4. Nu voorts niet is weersproken dat [eiser] slechts kan beschikken over een WW uitkering ten bedrage van € 800,00 per maand, waarmee hij niet in zijn levensonderhoud kan voorzien, terwijl de uitkering waarop beslag is gelegd juist bedoeld was om te voorkomen dat hij in deze situatie terecht zou komen, wordt voorshands geoordeeld dat het belang van [eiser] bij het opheffen van het beslag groter geacht moet worden dan het belang van Lake Holding bij handhaving daarvan.

5. De gevorderde voorziening zal daarom worden toegewezen.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal Lake Holding in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

De beslissing

De voorzieningenrechter

1. veroordeelt Lake Holding het op 10 juni 2005 ten laste van [eiser] onder van Mr. E.R. Looyen (Hekkelman, Terheggen en Rieter Advocaten te Arnhem) gelegde conservatoir beslag binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis op te heffen,

2. veroordeelt Lake Holding in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] bepaald op € 816,00 voor salaris en op € 329,60 voor verschotten,

3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4. weigert het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.G. Roovers en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.A. van Gemert op 14 november 2005.