Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AV0203

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
29-12-2005
Datum publicatie
24-01-2006
Zaaknummer
AWB 05/2570 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zorg ingevolge de AWBZ; huishoudelijke en persoonlijke verzorging; zorgindicatie; inbreuk op persoonlijke levenssfeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2006, 64
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 05/2570 AWBZ

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser]

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. E.M. Kampstra,

en

de Raad van bestuur van de stichting Centrum indicatiestelling zorg CIZ, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 21 juni 2005.

2. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2004 heeft verweerder eiser onder meer meegedeeld dat hij in aanmerking komt voor zorg ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en heeft verweerder, zowel voor huishoudelijke verzorging als voor persoonlijke verzorging, een zorgindicatie klasse 3 gegeven, geldig van 1 januari 2005 tot 1 januari 2010.

Eiser heeft tegen dit primaire besluit bezwaar gemaakt voor zover het de indicatie voor huishoudelijke verzorging betrof en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 14 januari 2005 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek toegewezen, het besluit van 16 december 2004 geschorst en bepaald dat eiser met terugwerkende kracht tot 1 januari 2005 aanspraak heeft op 12 uur huishoudelijke zorg per week tot zes weken nadat op het ingediende bezwaar is beslist.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar, conform het advies van het College voor zorgverzekeringen (hierna: CVZ) van 17 juni 2005, deels gegrond verklaard in die zin dat de zorgindicatie voor huishoudelijke verzorging van 1 januari 2005 tot 4 augustus 2005 wordt bepaald op klasse 5 en vanaf 4 augustus 2005 tot 1 januari 2010 op klasse 4. De zorgindicatie voor persoonlijke verzorging wordt ongewijzigd vastgesteld op klasse 3.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 29 november 2005. Eiser is aldaar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. G. Boogaard, werkzaam bij verweerder.

3. Overwegingen

Eiser lijdt aan een ernstige aangeboren afwijking. Hierdoor zijn de spieren en gewrichten van zijn armen niet volgroeid en ondervindt eiser ernstige problemen in het dagelijkse leven. Tot 1 januari 2005 ontving eiser om die reden een vergoeding voor 12 uur huishoudelijke hulp op grond van de zogenaamde ex-AAW-regeling, welke subsidieregeling met ingang van voormelde datum is komen te vervallen. In dat verband heeft eiser op 28 oktober 2004 een aanvraag voor zorgverlening op grond van de AWBZ gedaan. Hierop is bij het bestreden besluit een zorgindicatie gegeven voor huishoudelijke verzorging van 1 januari 2005 tot 4 augustus 2005 van gemiddeld 10 tot 12,9 uur per week (klasse 5) en vanaf 4 augustus 2005 tot 1 januari 2010 van gemiddeld 7 tot 9,9 uur per week (klasse 4). Voorts is een zorgindicatie voor persoonlijke verzorging gegeven van gemiddeld 4 tot 6,9 uur per week (klasse 3).

Beoordeeld moet worden of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Vooropgesteld wordt dat de zorgindicatie voor persoonlijke verzorging in het geheel niet in geschil is en die voor huishoudelijke verzorging slechts wat betreft de periode na 4 augustus 2005. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Ingevolge artikel 9b van de AWBZ bestaat slechts aanspraak op zorg, aangewezen ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ indien en gedurende de periode waarvoor het bevoegde indicatieorgaan op een door de verzekerde ingediende aanvraag heeft besloten dat deze naar aard, inhoud en omvang op die zorg is aangewezen.

In artikel 2 van het Zorgindicatiebesluit wordt aangewezen welke vormen van zorg onder artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ worden verstaan. Hieronder valt onder meer de huishoudelijke verzorging als bedoeld in artikel 3 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (BZA). Daarin is bepaald dat huishoudelijke verzorging (mede) omvat het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden in verband met een lichamelijke handicap die leidt of dreigt te leiden tot het disfunctioneren van de verzorging van het huishouden van de verzekerde. Ingevolge het derde lid van artikel 2 van het BZA bestaat de aanspraak op zorg slechts voor zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs daarop is aangewezen.

Ter nadere invulling van de begrippen doelmatige zorgverlening en redelijkerwijs aangewezen zijn heeft verweerder beleid ontwikkeld, dat onder meer is neergelegd in het Protocol Huishoudelijke Verzorging en het Protocol Gebruikelijke Zorg (gepubliceerd op www.ciz.nl).

In hoofdstuk 5 van het Protocol Gebruikelijke Zorg is bepaald dat (naast gebruikelijke zorg ook) voorliggende voorzieningen reden zijn om de aanspraak op AWBZ zorg te beperken of af te wijzen. Deze voorliggende voorzieningen zijn te onderscheiden in wettelijke en algemeen gebruikelijke voorzieningen. Bij de laatste moet worden gedacht aan een boodschappendienst, crèche, kinderopvang, gastouder, alarmering, maaltijdservice, financieel-administratieve ondersteuning en hondenuitlaatdienst. Van een algemeen gebruikelijke voorziening moet gebruik worden gemaakt als deze voorhanden is en in redelijkheid een oplossing biedt voor de zorgvraag van de betrokkene.

In hoofdstuk 4 van het Protocol Huishoudelijke Verzorging is een tijdnormering neergelegd. Onder 4.1.1. is voor het doen van boodschappen een normtijd van 60 minuten bepaald, bedoeld voor het samenstellen van de boodschappenlijst, het inkopen en opslaan van de boodschappen, gebaseerd op een frequentie van één maal per week.

Onder 4.1.2. is voor de maaltijdverzorging een normtijd van 30 minuten per warme maaltijd en 15 minuten per broodmaaltijd bepaald. Deze tijd is bedoeld voor het klaarzetten van de broodmaaltijd, het koffie/thee zetten, het dekken en afruimen van de tafel, het voorbereiden en koken van de warme maaltijd, het opslaan en beheren van de levensmiddelenvoorraad en het afwassen. Ingevolge Bijlage 1 bij het Protocol Huishoudelijke Verzorging is aangegeven dat de tijdnormering indicatief is en er altijd een individuele afweging zal moeten worden gemaakt.

Gelet op de memorie van toelichting (Staatsblad 2002, 527), is de rechtbank van oordeel dat verweerders beleidsregels vallen binnen de wettelijke grondslag van artikel 2, derde lid, van het BZA. In de algemene toelichting is immers bepaald dat de overheid in dit systeem verantwoordelijk is voor de formulering van de aanspraken en het tot stand komen van een landelijk uniform indicatieprotocol. Voorts volgt daaruit dat verweerder bij de invulling daarvan beoordelingsruimte toekomt. De rechtbank is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat verweerder in redelijkheid niet tot voormelde uitleg van de wettelijke begrippen doelmatige zorgverlening en redelijkerwijs aangewezen zijn heeft kunnen komen. Geoordeeld moet derhalve worden dat verweerder in beginsel bij de vaststelling van eisers zorgindicatie voormelde tijdnormering als uitgangspunt kon nemen en vereiste zorg waarvoor eiser zich kan wenden tot een voorliggende voorziening, buiten beschouwing kon laten.

Bij het bestreden besluit is de omvang van de geïndiceerde zorg in totaal vastgesteld op

7 uur en 30 minuten. Ter zitting is gebleken dat deze zorgomvang inmiddels met één uur is verhoogd in verband met het vertrek van eisers huurder die voor de helft verantwoordelijk was voor het schoonhouden van de gemeenschappelijke ruimten. Slechts in geschil is de zorgtijd die is toegekend voor het boodschappen doen, te weten 45 minuten, en voor de maaltijdverzorging, te weten 1 uur en 45 minuten.

Ten aanzien van de toegekende zorgtijd voor de maaltijdverzorging overweegt de rechtbank als volgt. Volgens verweerder is slechts sprake van een zorgindicatie wat betreft de voorbereiding van de warme maaltijd. Eiser meent dat de toegekende zorgtijd van 15 minuten per warme maaltijd niet toereikend is om een maaltijd voor te bereiden. Zoals hiervoor is aangegeven bedraagt de normtijd voor het bereiden van een warme maaltijd 30 minuten, welke is afgestemd op het dekken en afruimen van de tafel, het voorbereiden en koken van de warme maaltijd, het opslaan en beheren van de levensmiddelenvoorraad en het afwassen. De rechtbank vermag niet in te zien dat, uitgaande van het hiervoor geschetste kader, verweerder in redelijkheid niet tot toekenning van de helft van de normtijd voor alleen de voorbereiding van de maaltijd heeft kunnen overgaan.

Eiser heeft in dat verband voorts aangevoerd dat ook zorgtijd zou moeten worden toegekend voor de voorbereiding van de broodmaaltijden, omdat hij hulp nodig heeft bij het snijden van kaas. De rechtbank kan eiser daarin evenmin volgen. Immers, voor het opruimen en gebruiksklaar maken van de boodschappen is in verband met de specifieke situatie van eiser reeds een zorgindicatie van 45 minuten per week gegeven en het snijden van kaas kan redelijkerwijs geacht worden daarin te zijn begrepen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser ter zitting heeft aangegeven dat de daarvoor toegekende zorgtijd ruim is vastgesteld.

Wat betreft de weigering om zorgtijd toe te kennen voor het doen van boodschappen, overweegt de rechtbank het volgende. Zoals hiervoor is aangegeven is aan eiser voor het opruimen en gebruiksklaar maken van de boodschappen een zorgindicatie van 45 minuten per week gegeven. Voor het inkopen van de boodschappen is volgens verweerder geen sprake van een zorgindicatie, nu eiser gebruik kan maken van een voorliggende voorziening, namelijk de boodschappendienst van supermarkt Albert Heijn (hierna: AH). Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat deze boodschappendienst in redelijkheid voor hem geen oplossing biedt. Daartoe voert eiser allereerst aan dat het leidt tot een forse kostenstijging wanneer eiser versproducten wil blijven aanschaffen en daardoor meerdere malen per week van de boodschappendienst gebruik zal moeten maken. In het door verweerder gehanteerde en door de rechtbank onderschreven systeem vormen financiële omstandigheden evenwel geen reden om een voorliggende voorziening niet als een redelijke oplossing te beschouwen.

Voorts heeft eiser aangevoerd dat hij voor een aantal producten is aangewezen op andere supermarkten dan de AH in verband met het type verpakking dat voor hem hanteerbaar is. Dat deze producten kunnen worden herverpakt op een zodanige wijze dat deze wel voor eiser hanteerbaar zijn, is door hem op zichzelf niet betwist. Nu aan eiser zorgtijd is toegekend voor het opruimen en gebruiksklaar maken van de boodschappen, vermag de rechtbank niet in te zien dat de boodschappendienst van de AH voor eiser geen reëel alternatief zou zijn. Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat eiser, zoals hiervoor reeds is overwogen, ter zitting heeft aangegeven dat de daarvoor toegekende zorgtijd ruim is vastgesteld.

Eiser heeft zich verder op het standpunt gesteld dat hij bij gebruikmaking van de boodschappendienst wordt belemmerd in de uitoefening van zijn werkzaamheden als gemeenteraadslid, omdat het tijdstip van bezorging van tevoren niet bekend is. Dat het bezorgtijdstip kan worden uitgekozen met een marge van twee uur, is door eiser niet bestreden. Hij heeft slechts zijn twijfel geuit of dit in de praktijk haalbaar zal zijn. De rechtbank heeft echter geen aanwijzing om eiser daarin te volgen. Nu de producten ook in de avonduren en op zaterdag kunnen worden bezorgd, is niet gebleken dat dit aan de uitoefening van zijn werkzaamheden in de weg hoeft te staan. In dat verband is evenmin aannemelijk geworden dat eiser de bezorging van de boodschappen niet zou kunnen laten aansluiten bij de huishoudelijke hulpverlening voor het opruimen en gebruiksklaar maken van de boodschappen.

Tot slot heeft eiser betoogd dat sprake is van een ongeoorloofde inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer, nu hij gedwongen wordt van de boodschappendienst gebruik te maken en zijn leven daarop aan te passen. Weliswaar staat het eiser, zoals verweerder stelt, op zichzelf vrij om al dan niet van de boodschappendienst gebruik te maken, maar nu vaststaat dat eiser niet in staat is om zelf boodschappen in te kopen, is hij zonder zorgverlening redelijkerwijs daarop aangewezen. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat hiermee een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van eiser wordt gemaakt. Deze inbreuk is, anders dan eiser meent, gerechtvaardigd nu het algemene belang van vaststelling van prioriteiten bij de aanwending van schaarse collectieve middelen prevaleert boven het belang van eiser van bescherming van zijn privacy.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen.

Het beroep dient mitsdien ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. M.J.P. Heijmans, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. M.C.G. Sturkenboom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 december 2005.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: