Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU9745

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
09-11-2005
Datum publicatie
17-01-2006
Zaaknummer
129764
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nu er geen grond is aangevoerd waaruit volgt dat de bestellingen van gedaagde 2 (de eenmanszaak van) gedaagde 2 hebben gebonden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een overeenkomst tussen Glas-Nowak en (de eenmanszaak van) gedaagde 1 waardoor gedaagde 1 gehouden zou zijn de facturen voor het geleverde glas te betalen.

Op grond van artikel 3 wet conflictenrecht onrechtmatige daad wordt ook de subsidiaire stelling van Glas-Nowak, te weten dat sprake is van een (groeps-)onrechtmatige daad, beheerst door het Nederlandse recht. Ten aanzien van deze subsidiaire stelling van Glas-Nowak heeft gedaagde 1 gemotiveerd aangevoerd dat hij op instignatie van gedaagde 2 een eenmanszaak op zijn naam heeft doen inschrijven in het handelsregister met als doel om per 1 of 2 januari 2005 daadwerkelijk een onderneming te gaan drijven. Hij heeft gemotiveerd betwist dat hij samen met gedaagde 2 een constructie heeft opgezet met als doel schuldeisers te benadelen. Tevens betwist hij dat hij als "katvanger" is opgetreden door een door een andere gevoerde onderneming op zijn naam te laten zetten of dat hij toegelaten heeft dat gedaagde 2 in zijn naam bestellingen heeft verricht. Tegenover deze betwistingen heeft Glas-Nowak onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om haar standpunt dat gedaagde 1 onrechtmatig heeft gehandeld te onderbouwen, zodat deze stelling als onvoldoende onderbouwd wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 129764 / HA ZA 05-1383

Datum vonnis: 9 november 2005

Vonnis

in de zaak van

de vennootschap naar buitenlands recht

GLAS-NOWAK WESEL GMBH & CO VERTRIEBS K.G.,

gevestigd te Wesel,

eiseres,

procureur mr. S.M. van der Zwan,

advocaat mr. S.W. van Dijk te Apeldoorn,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

procureur en advocaat mr. L.G.U. Compri,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

niet verschenen,

gedaagden.

De partijen zullen verder tevens worden aangeduid als Glas-Nowak, [gedaagde 1] en [gedaagde 2].

Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 17 augustus 2005 wordt naar dat vonnis verwezen. Ter uitvoering van dit tussenvonnis is een comparitie van partijen gehouden. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

Glas-Nowak is een fabrikant van isolatieglas en een groothandel in glasproducten.

Glas-Nowak heeft rond augustus 2004 een kennis-makings-gesprek gehad met [gedaagde 2]. Daarbij zijn prijsafspraken gemaakt over de levering van glas. Het kennismakingsgesprek heeft plaatsgevonden op het adres [adres].

In de periode ná 10 november 2004 is schriftelijk, ondertekend door [gedaagde 2], op briefpapier met als briefhoofd de naam “Glashandel de Vallei” waarop verder staat vermeld “Bezoekadres: [adres]”, bij Glas-Nowak een aantal partijen glas besteld.

Door Glas-Nowak zijn de bestelde partijen glas afgeleverd op het adres [adres]. Glas-Nowak heeft voor leveringen in de periode van 16 november 2004 tot en met 30 november 2004 aan Glashandel de Vallei facturen gezonden voor een totaalbedrag van € 9.465,69. Deze facturen zijn niet voldaan.

Eerst ná het leveren van de partijen glas heeft Glas-Nowak een uitdraai opgevraagd bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken van de onderneming Glashandel de Vallei.

In het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken heeft van 10 november 2004 tot 16 december 2004 ingeschreven gestaan een eenmanszaak, gedreven voor rekening van [gedaagde 1], die als handelsnaam voerde “Glashandel de Vallei” en die ingeschreven stond op het adres [adres].

Glas-Nowak heeft tot na de aflevering van de laatste partij glas daarover geen contact gehad met [gedaagde 1].

Op 5 februari 2005 heeft [gedaagde 2] de raadsman van Glas-Nowak telefonisch bevestigd dat hij de desbetreffende partijen glas had ontvangen en doorverkocht en dat hij de verkoopprijs verschuldigd was.

Het geschil

Glas-Nowak vordert gedaagden hoofdelijk - des, dat de een betalende de ander bevrijd zal zijn - te veroordelen om aan haar te betalen een bedrag van € 9.465,69, vermeerderd met een bedrag van € 768,00 aan incassokosten en een bedrag aan vertragingsrente tot 15 februari 2005 van € 70,98, te vermeerderen met 9% rente per jaar, althans met de wettelijke rente ex artikel 119a boek 6 BW, vanaf 15 februari 2005 tot de dag der algehele voldoening, met hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de kosten van deze procedure.

Glas-Nowak voert ten aanzien van haar vordering tegen [gedaagde 1] primair aan dat [gedaagde 1] als degene die volgens het handels-register de onderneming Glashandel de Vallei (verder te noemen De Vallei) dreef aansprakelijk is voor de beta-ling van de koopsom, rente en kosten van de in november 2004 op bestelling van De Vallei aan De Vallei geleverde partijen glas. Glas-Nowak mocht, zo voert zij aan, op de bestelling afgaan, nu in de meeste on-der-nemingen partijen glas feitelijk worden besteld door iemand die niet als eigenaar of gevolmachtigde in het handelsregister staat in-ge-schreven. Het is het risico van [gedaagde 1], aldus Glas-Nowak, indien hij [gedaagde 2] zijn gang heeft laten gaan.

Ten aanzien van [gedaagde 2] heeft Glas-Nowak primair aangevoerd dat hij vanwege de bestellingen en de ontvangst van het glas en uit hoofde van de in overweging 2.6 aangehaalde erkenning als hoofdelijk medeschuldenaar aansprakelijk is.

Subsidiair stelt Glas-Nowak dat sprake is van een groeps-onrecht-matige daad van de beide gedaagden, namelijk een constructie die van Beek de mogelijkheid heeft verschaft om schuldeisers te benadelen, door partijen glas te bestellen, deze door te verkopen en de schuldeisers te laten zitten met een ‘fake-onderneming’, althans een persoon zonder geld. Voor de aan-sprakelijkheid van [gedaagde 1] is, aldus Glas-Nowak, niet van belang of hij feitelijk al dan niet van deze bestellingen wist: het toelaten dat [gedaagde 2] op naam van De Vallei bestellingen doet, terwijl [gedaagde 2] en [gedaagde 1] beiden voor zich ver-kla-ren geen geld te hebben om die bestellingen te betalen is daarvoor vol-doende.

[gedaagde 1] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij voert kort gezegd aan dat hij nimmer contact heeft gehad met Glas-Nowak en nimmer glas heeft besteld, gekocht of in ontvangst genomen, dat hij er niet mee bekend was dat er op zijn naam glas was besteld, dat hij ook niet op de hoogte was van de aflevering van glas, dat hij pas per 1 januari 2005 De Vallei zou overnemen, dat hij tot die tijd geen bedrijfsactiviteiten heeft ontplooid en in dat verband ook nimmer op het bedrijfsadres aanwezig was. Voorts heeft [gedaagde 1] aangevoerd dat [gedaagde 2] niet bevoegd was namens hem op te treden, dat hij geen volmacht aan [gedaagde 2] heeft verstrekt en dat hij geen gerechtvaardigd vertrouwen heeft opgewekt dat [gedaagde 2] bevoegd zou zijn.

[gedaagde 2] is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd.

De beoordeling van het geschil.

Ten aanzien van de bevoegdheid

Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen. De recht-bank beantwoordt deze vraag bevestigend op grond van artikel 2 van de in deze zaak toepasselijke verordening (EG) Nr. 44/2001 van de Raad van de Europese Unie, nu beide gedaagden in Nederland woonplaats hebben. Nu beide gedaagden wonen in het rechtsgebied van de rechtbank Arnhem is de rechtbank Arnhem het bevoegde gerecht.

Ten aanzien van de vorderingen op [gedaagde 1]

Glas-Nowak acht [gedaagde 1] aansprakelijk voor de betaling van door De Vallei bestelde partijen glas. De Vallei is geen rechtspersoon en kan geen rechtshandelingen verrichten. Geen onderwerp van geschil is voorts dat [gedaagde 1] zelf geen glas heeft besteld of afgenomen bij Glas-Nowak. De partijen gaan er in hun stellingen van uit dat [gedaagde 2], in naam van De Vallei, het glas heeft besteld en in ontvangst heeft genomen. De rechtbank begrijpt de primaire stelling van Glas-Nowak derhalve aldus dat zij stelt dat [gedaagde 2] bij het bestellen van het glas is opgetreden als vertegen-woordiger van (de eenmanszaak van) [gedaagde 1] en dat [gedaagde 1] daardoor gebonden is.

Op grond van artikel 11 van het in deze zaak toepasselijke Verdrag betreffende het toepasselijke recht op vertegenwoordiging, ’s-Gravenhage 14 maart 1978, worden het bestaan en de omvang van de bevoegdheden van een vertegenwoordiger beheerst door het interne recht van de staat waarin de vertegenwoordiger zijn kantoor gevestigd had op het tijdstip dat hij handelde. Nu [gedaagde 2] in Nederland woont en de litigieuze bestellingen vanuit Nederland zijn gedaan wordt de vraag of er sprake is van bevoegde vertegenwoordiging beheerst door het Nederlands recht.

Door Glas-Nowak is niet althans niet gemotiveerd betwist dat [gedaagde 1] [gedaagde 2] geen volmacht heeft gegeven om namens hem of zijn een-manszaak glas te bestellen (terwijl ook geen andere basis voor het bestaan van een vertegenwoordigingsbevoegdheid is aangevoerd of gebleken). Glas-Nowak voert echter aan dat het ontbreken van een vol-macht aan haar niet kan worden tegengeworpen nu [gedaagde 1] in het handelsregister als eigenaar van De Vallei stond ingeschreven en hij [gedaagde 2] feitelijk zijn gang heeft laten gaan.

Op grond van artikel 61 boek 3 BW kan, indien een rechts-handeling in naam van een ander is verricht, tegen de wederpartij, indien zij op grond van een verklaring of gedraging van die ander heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijker-wijze mocht aannemen dat een toe-reikende volmacht was verleend, op de onjuistheid van die veronderstelling geen beroep worden gedaan.

De rechtbank is echter in de gegeven omstandig-heden van oordeel dat een beroep van Glas-Nowak op deze bepaling faalt. De enige gedra-gingen van [gedaagde 1] die Glas-Nowak noemt die de grond zouden moeten zijn voor het aannemen van een vertegen-woor-di-gings-bevoegdheid zijn diens inschrijven in het handelsregister en het “feitelijk zijn gang laten gaan” van [gedaagde 2]. Door Glas-Nowak is niet geconcre-tiseerd wat dit “feitelijk zijn gang laten gaan” inhield. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde 1] enige zeggenschap had over de handelingen van [gedaagde 2]. [gedaagde 1] betwist dat hij, bijvoorbeeld door het verstrekken van briefpapier, de schijn heeft gewekt dat [gedaagde 2] hem of de Vallei mocht vertegen-woordigen. Voor zover met “zijn gang laten gaan” bedoeld wordt dat [gedaagde 2] kennelijk, voor een kennismakingsgesprek en als afleveringsadres, de beschikking had over de kantoor-ruimte op het inschrijvingsadres van de eenmanszaak van [gedaagde 1], [adres], is dit niet voldoende om redelijkerwijs te mogen aannemen dat hem door [gedaagde 1] een volmacht was verleend. Gesteld noch gebleken is immers dat [gedaagde 2] dankzij, middels of met medewerking van [gedaagde 1] de beschikking over die kantoorruimte heeft gekregen. Daarbij is van belang dat het voornoemde kennismakings-gesprek heeft plaatsgevonden ruim vóór de inschrijving van De Vallei in het handelsregister. Voor zover Glas-Nowak juist het door [gedaagde 1] inschrijven van een eenmans-zaak op zijn naam op een adres waarop hij geen zicht had en waarover hij geen zeggenschap had als gedraging beschouwt in de zin van voormeld artikel 61 boek 3 BW is de rechtbank van oordeel dat deze enkele inschrijving zonder bijkomende omstandigheden onvoldoende is om redelijkerwijs van een volmacht uit te mogen gaan. Daarbij komt dat Glas-Nowak noch ten tijde van het aangaan van de overeenkomst noch ten tijde van het leveren van het glas reeds op de hoogte was van de inschrijving in het handelsregister van de eenmanszaak van [gedaagde 1] op dat adres. Vast staat derhalve dat die inschrijving op dat moment in ieder geval voor Glas-Nowak geen grond is geweest voor het aannemen van vertegenwoordigingsbevoegdheid.

Gelet op het vorenstaande en nu er geen andere grond is aangevoerd waaruit volgt dat de bestellingen van [gedaagde 2] (de eenmanszaak van) [gedaagde 1] hebben gebonden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een overeenkomst tussen Glas-Nowak en (de eenmanszaak van) [gedaagde 1] waardoor [gedaagde 1] gehouden zou zijn de facturen voor het geleverde glas te betalen.

Op grond van artikel 3 wet conflictenrecht onrechtmatige daad wordt ook de subsidiaire stelling van Glas-Nowak, te weten dat sprake is van een (groeps-)onrechtmatige daad, beheerst door het Nederlandse recht.

Ten aanzien van deze subsidiaire stelling van Glas-Nowak heeft [gedaagde 1] gemotiveerd aangevoerd dat hij op instigatie van [gedaagde 2] een eenmanszaak op zijn naam heeft doen inschrijven in het handelsregister met als doel om per 1 of 2 januari 2005 daadwerkelijk een onderneming te gaan drijven. Hij heeft gemotiveerd betwist dat hij samen met [gedaagde 2] een constructie heeft opgezet met als doel schuldeisers te benadelen. Tevens betwist hij dat hij als ‘katvanger’ is opgetreden door een door een andere gevoerde onderneming op zijn naam te laten zetten of dat hij toegelaten heeft dat [gedaagde 2] in zijn naam bestellingen heeft verricht. Tegenover deze betwistingen heeft Glas-Nowak onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om haar standpunt dat [gedaagde 1] onrechtmatig heeft gehandeld te onderbouwen, zodat deze stelling als onvoldoende onderbouwd wordt afgewezen.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de vorderingen van Glas-Nowak, voor zover betrekking hebbend op [gedaagde 1], nu deze verder niet zijn onderbouwd afwijzen.

De rechtbank zal Glas-Nowak als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van dit geding aan zijde van [gedaagde 1]. Deze kosten worden, voorzover tot op heden aan de zijde van [gedaagde 1] gevallen, begroot op € 1195,--, bestaande uit € 291,-- wegens verschotten (vastrecht) en € 904,00 wegens salaris procureur (2 punten maal € 452,--).

Ten aanzien van de vorderingen op [gedaagde 2]

Door [gedaagde 2] is geen verweer gevoerd. De rechtbank acht de vordering jegens [gedaagde 2] niet onrechtmatig of ongegrond en dus toewijsbaar.

De rechtbank zal [gedaagde 2] veroordelen in de in de kosten van dit geding gemaakt aan de zijde van Glas-Nowak. Deze kosten worden, voorzover tot op heden aan de zijde van Glas-Nowak gevallen, begroot op € 828,60, bestaande uit € 376,60 wegens verschotten (€ 291,-- vastrecht en 85,60 aan exploitkosten) en € 452,-- wegens salaris procureur (1 punt maal € 452,--).

De beslissing

De rechtbank

Ten aanzien van de vordering op [gedaagde 1]

wijst de vordering af;

veroordeelt Glas-Nowak in de kosten van deze procedure gemaakt aan de zijde van [gedaagde 1]; deze kosten worden, voorzover tot op heden aan de zijde van [gedaagde 1] gevallen, bepaald op

€ 1195,-- (€ 291,-- wegens verschotten en € 904,-- wegens salaris procureur);

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

Ten aanzien van de vordering op [gedaagde 2]

veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling aan Glas-Nowak van € 10.304,67 (tienduizend driehonderdvier euro en zevenenzestig cent), vermeerderd met de rente vanaf 15 februari 2005 als gevorderd,

veroordeelt [gedaagde 2] in de kosten van deze procedure gemaakt aan de zijde van Glas-Nowak; deze kosten worden, voorzover tot op heden aan de zijde van Glas-Nowak gevallen, bepaald op € 828,60, bestaande uit € 376,60 wegens verschotten en € 452,-- wegens salaris procureur.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

Gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter in tegenwoordigheid van de griffier op woensdag 9 november 2005

de griffier de rechter