Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU9347

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-12-2005
Datum publicatie
10-01-2006
Zaaknummer
R 97/00
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schuldsaneringsregeling. Nagekomen bate. Beroep tegen beschikking 295a Fw.?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Insolventienummer: R 97/00

Datum voordracht: 22 december 2005

Beschikking ex artikel 357 Fw

in de voormalige schuldsaneringsregeling van

[X],

wonende te [woonplaats],

voormalig bewindvoerder .

De gang van zaken.

Bij vonnis van is de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van de heer [X], voornoemd. Bij vonnis van 17 februari 2003 is de schuldsanerings-regeling beëindigd met toekenning van de schone lei aan de heer [X].

De rechter-commissaris heeft in deze zaak op 18 oktober 2005 een voordracht ex artikel 357 Fw. gedaan omdat na afloop van de schuldsaneringsregeling is gebleken dat er nog sprake was van twee lopende, niet afgekochte koopsompolissen (met een aanzienlijke afkoopwaarde) die niet eerder bekend waren bij de bewindvoerder. Kortheidshalve wordt naar deze voordracht verwezen.

Op 1 december 2005 zijn in deze zaak gehoord: de heer [X], zijn advocaat mr. C.J. Driessen te Beers, de bewindvoerder en dhr. [betrokkene 1] namens de Rabobank te Wijchen.

De beoordeling.

Indien sprake is van een nagekomen bate geldt dat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van dat vermogensbestanddeel achteraf gezien niet is afgewikkeld zodat zowel de bewindvoerder als de rechter-commissaris hun taken en bevoegdheden ten aanzien van de vereffening en de verdeling van die nagekomen bate(n) dienen uit te oefenen. Dit volgt uit de artikelen 357, 194 en 193 Fw. en de daarbij horende wetsgeschiendenis

Het staat vast dat de bewindvoerder tijdens de schuldsaneringsregeling niet bekend was met twee “Rabo Pensioen Plan-Koopsom” polissen waarvan de heer [X] verzekeringnemer en (eerste) begunstigde is. Verder staat vast dat het telkens betreft een overeenkomst van levensverzekering als bedoeld in artikel 295a Fw. Op grond van dit wetsartikel valt de afkoopwaarde van deze polissen buiten de boedel indien [X] door afkoop onredelijk benadeeld wordt. Voor de afkoop van dergelijke polissen heeft de bewindvoerder (daarom) de toestemming van de rechter-commissaris nodig. De rechter-commissaris dient bij het geven van deze toestemming te onderzoeken of door afkoop de begunstigde of verzekeringnemer onredelijk benadeeld wordt. Uit genoemde voordracht, onderdeel 5, blijkt dat de rechter-commissaris deze toestemming heeft gegeven. Het gaat om een beschikking in de zin van de Faillissementswet. Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld. Dat is (nog) niet gebeurd, waarbij opgemerkt wordt dat de beroepstermijn verstreken lijkt te zijn. In dit kader moet in elk geval van de bevoegdheid tot afkoop van de polissen worden uitgegaan. Dat door de heer [X] en zijn advocaat ter zitting is betoogd dat bij afkoop van de beide polissen sprake is van onredelijke benadeling in de zin van art. 295a Fw., kan bij de in dit kader te nemen beslissing daarom niet worden betrokken.

Ter zitting is gebleken dat de Rabobank stelt dat de rechten uit genoemde beide polissen aan haar zijn verpand. De bewindvoerder heeft aangegeven onvoldoende tijd te hebben gehad om tot een standpuntbepaling in deze te komen.

De rechtbank is van oordeel dat zij in deze procedure niet bevoegd is te bepalen of beslissen of sprake is van een (rechtsgeldige) verpanding.

De rechtbank merkt wel op dat over het standpunt van de Rabobank diverse vragen te stellen zijn.

- Bij onderhandse akte d.d. 28 februari 1995 heeft de heer [X] als pandgever onder meer verpand `de vorderingen op derden’. De eerste vraag is of er op grond van genoemde polissen wel sprake was van een `vordering’ zoals bedoeld in genoemde akte. Op grond van de verzekeringsoverenkomsten - de rechtbank beschikt niet over de originele stukken/polissen - bestaat recht op betaalbaar - stelling van een bedrag op het moment dat de heer [X] 65 jaar wordt, dan wel indien hij eerder overlijdt. Het beschikbaar te stellen bedrag kan echter alleen worden aangewend tot aankoop van een of meer lijfrenten. Van een vordering tot betaling van een bedrag lijkt dus geen sprake. Gedacht kan nog worden aan het recht tot afkoop zoals hier aan de orde, maar ook dat lijkt geen `vordering’ in de zin van genoemde pandakte. Er lijkt overigens wel sprake te zijn van een `derde’ omdat de N.V. Interpolis BTL blijkens de overgelegde stukken de verzekeraar is.

- Verder is van belang dat op de overgelegde “polis” is vermeld dat deze niet kan worden beleend of tot voorwerp van zekerheid kan dienen. Het is de vraag waarom dan toch wel sprake van verpanding

De slotsom is dat de gevraagde beschikking kan worden gegeven onder de voorwaarde dat geen sprake is van verpanding als door de Rabobank gesteld dan wel dat de Rabobank afziet van het (uitoefenen van het) door haar gepretendeerde pandrecht.

De beslissing

De rechtbank:

beveelt dat de in de voordracht van de rechter-commissaris genoemde overeenkomsten van levensverzekering (de Rabo Pensioen Plan Koopsom overeenkomsten met polisnummers 00RS0053490 en 00RS0011983 op naam van [X]) worden “vereffend” en verdeeld op grond van de in de voormalige schuldsaneringsregeling (op 24 februari 2003) gedeponeerde uitdelingslijst,

indien en voorzover geen sprake is van verpanding als door de Rabobank gesteld dan wel de Rabobank afziet van het (uitoefenen van het) door haar gepretendeerde pandrecht.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.J. Engberts, rechter, op 22 december 2005.

de griffier de rechter