Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU9058

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-10-2005
Datum publicatie
04-01-2006
Zaaknummer
128774
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil spitst zich toe op de vraag of er sprake is van 'dezelfde wederpartij' als bedoeld in de hierboven geciteerde bepaling. Met andere woorden, is de schuldenaar van gedaagde dezelfde partij als zijn schuldeiser. Ingevolge artikel 150 Rv rust op gedaagde de verplichting in dat verband voldoende te stellen en zo nodig te bewijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 128774 / HA ZA 05-1214

Datum vonnis: 26 oktober 2005

Vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. J.M. Bosnak te Arnhem,

tegen

[gedaagde],

handelend onder de naam [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

bij de kantonrechter wel en bij de rechtbank niet verschenen.

Partijen zullen hierna Prefabwapeningstaal en [gedaagde] genoemd worden.

De procedure

Prefabwapeningstaal heeft bij dagvaarding van 11 maart 2005 een vorde-ring ingesteld tegen [gedaagde] bij de kantonrechter te Tiel. Bij vonnis van 29 juni 2005 heeft de kantonrechter zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van de vordering en de zaak verwezen naar de civiele sector van de rechtbank te Arnhem. Voor het verloop van de procedure tot aan dat vonnis wordt verwezen naar het tussenvonnis van de kanton-rechter van 30 maart 2005 en het vonnis van 29 juni 2005.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het aanbrengen van de zaak bij de rechtbank bij exploot van oproe-ping d.d. 14 juli 2005 voor de zitting van 7 september 2005,

- het niet verschijnen van [gedaagde] op die zitting,

- het overleggen van de stukken voor het wijzen van vonnis.

Ten slotte is vonn[betrokkene] feiten

[betrokkene] (verder: het [betrokkene]) heeft een factuur van [gedaagde] d.d. 9 december 2002 ad

€ 23.000,00, voor een bedrag van € 7.500,00 onbetaald gelaten.

[gedaagde] heeft een factuur van [eiseres] d.d. 13 november 2003 ad € 11.673,31, voor een bedrag van € 7.500,00 onbetaald heeft gelaten.

De vordering en het verweer

Prefabwapeningstaal heeft gevorderd [gedaagde] te veroordelen om tegen be-hoorlijk bewijs van kwijting aan Prefabwapeningstaal te voldoen een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, te bere-kenen vanaf 23 februari 2005 en [gedaagde] te ver-oor-delen in de kosten van de procedure. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat [gedaagde] een deel van de factuur van 13 november 2003, ad

€ 7.500,00, niet heeft be-taald. Bovendien maakt Prefabwapeningstaal aanspraak op betaling van € 663,00 aan buitengerechtelijke incasso-kos-ten en € 824,19 aan wettelijke rente over € 7.500,00, versche-nen tussen het tijdstip dat [gedaagde] in verzuim raakte en 23 febru-ari 2005. In totaal stelt Prefabwapeningstaal derhalve € 8.987,19 van [gedaagde] te goed te heb-ben. Zij heeft haar vordering echter beperkt tot € 5.000,00, haar rechten op het meerdere reserverend.

[gedaagde] heeft de vordering van Prefabwapeningstaal op zich niet betwist, maar heeft zich bij de kantonrechter beroepen op verrekening voor een bedrag van € 7.500,00, zijnde het niet betaalde deel van de factuur van 9 december 2002. [gedaagde] stelt dat Prefabwapeningstaal en het [betrokkene] zich tegenover hem hebben gepresenteerd als dezelfde contractspartij.

De beoordeling

Voorop staat dat de rechtbank een beslissing zal geven op basis van het voor de kantonrechter gevorderde en het daartegen bij die rechter gevoerde verweer. Prefabwapeningstaal heeft immers haar eis niet vermeerderd, terwijl [gedaagde] bij de rechtbank niet is verschenen.

Nu hij de factuur heeft erkend, is [gedaagde] in beginsel gehou-den die factuur volledig te voldoen. Dat is anders indien het verweer slaagt. Daarvoor is vereist dat kan worden aangenomen dat [gedaagde] de bevoegdheid tot verrekening toekomt, zoals bedoeld in artikel 6:127 lid 2 BW: “Een schuldenaar heeft de bevoegdheid tot verrekening, wan-neer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van zijn schuld als tot het afdwingen van de vordering.” Uit artikel 6:136 BW volgt bovendien dat de gegrondheid van het verweer op eenvoudige wijze moet kunnen worden vastgesteld.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake is van ‘dezelfde wederpartij’ als bedoeld in de hierboven geciteerde bepaling. Met andere woorden, is de schuldenaar van [gedaagde] dezelfde partij als zijn schuldeiser. Ingevolge artikel 150 Rv rust op [gedaagde] de verplichting in dat verband voldoende te stellen en zo nodig te bewijzen.

Vast staat dat de factuur van 13 november 2003 af-kom-stig is van een andere rechtspersoon ([eiseres]) dan die waarvan [gedaagde] stelt nog geld tegoed te hebben (het [betrokkene]). Voorshands is dan ook niet aannemelijk dat sprake is van ‘dezelfde wederpartij’.

[gedaagde] werpt op dat hij weliswaar een factuur heeft gekregen van [eiseres], maar dat hij met het [betrokkene] heeft gecontracteerd voor het leveren van de wapening. Hij heeft ech-ter geen stukken overgelegd waaruit de juistheid van die stelling blijkt. Om de gegrondheid van zijn verweer te kunnen vast-stellen zou [gedaagde] derhalve dienen te worden toegelaten tot levering van getuigenbewijs van zijn stelling dat hij niet met [eiseres], maar het [betrokkene] heeft gecontracteerd. Daarmee is gegeven dat de gegrond-heid van het verweer van [gedaagde], wat overigens van dat verweer ook zij, niet op eenvoudige wijze is vast te stellen. Het beroep van [gedaagde] op verrekening staat daarom aan toewijzing van de vordering niet in de weg. Nu dat verder niet is betwist staat in deze procedure vast dat [gedaagde] is gehouden ook het restant van de factuur van 13 november 2003, ad € 7.500,00, aan Prefabwapeningstaal te betalen.

De gevorderde rente is toewijsbaar, omdat [gedaagde] de ver-schul-digdheid daarvan niet afzonderlijk heeft betwist.

De vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incasso-kosten ad € 663,00, is ook toewijsbaar. De door [gedaagde] niet weer-spro-ken incasso-werkzaamheden dienden niet slechts ter voorberei-ding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak, en het gevor-derde bedrag is bovendien in overeenstemming met Rapport Voor-Werk II. Dat over het berekenen van deze kosten geen afspraken bestaan tussen partijen, zoals [gedaagde] stelt, staat aan toewijzing niet in de weg. Kenne-lijk worden de kosten op de voet van artikel 6:96 lid 2 sub c BW als vermogens-schade gevorderd.

Gelet op het voorgaande is [gedaagde] in beginsel gehouden in totaal € 8.987,19 aan Prefabwapeningstaal te betalen. Nu zij haar vordering daartoe heeft beperkt zal [gedaagde] echter worden veroordeeld tot betaling van € 5.000,00.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De extra proceskosten die de verwijzing met zich heeft gebracht komen ook ten laste van [gedaagde], omdat zijn verweer bij de kantonrechter die verwijzing noodzakelijk maakte. Het procureur-sala-ris wordt begroot op een half punt van het toepasselijke liquida-tie-tarief. De kosten aan de zijde van Prefabwapeningstaal worden aldus begroot op:

- dagvaarding € 71,93

- overige explootkosten 71,93

- vast recht 291,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris gemachtigde + procureur 462,00 (€ 270,00 + 0,5 punt ×

tarief € 384,00)

Totaal € 896,86

De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [gedaagde] om aan Prefabwapeningstaal te betalen een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dat bedrag vanaf 23 februari 2005 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Prefabwapeningstaal tot op heden begroot op € 896,86,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2005.