Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU8792

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-12-2005
Datum publicatie
28-12-2005
Zaaknummer
05/940095-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht

Art. 244 Wetboek van Strafrecht

Verdachte is ten tijde van het tenlastegelegde 12 jaar oud, het slachtoffer een half jaar jonger. Tussen verdachte en het slachtoffer heeft meerdere malen geslachtsgemeenschap plaatsgevonden De rechtbank acht niet bewezen dat de seksuele handelingen tussen de verdachte en het slachtoffer hebben plaatsgevonden onder dwang van de verdachte.

De bewoordingen van artikel 244 van het Wetboek van Strafrecht vermelden 'ontucht' niet als een apart delictbestanddeel. Volgens de wetsgeschiedenis wordt het binnendringen bij een kind jonger dan 12 jaar op zichzelf als ontuchtig beschouwd. Naar het oordeel van de rechtbank kan 'ontucht' ook niet als een impliciet delicts-bestanddeel worden beschouwd omdat daarmee voorbij zou worden gegaan aan de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever, om zeer jeugdigen een vorm van absolute bescherming te bieden. Een eventuele toestemming van het slachtoffer is daarbij irrelevant. Ook was er geen sprake van een intieme liefdesrelatie tussen de verdachte en het slachtoffer op grond waarvan de wederrechtelijkheid aan de gedragingen zou komen te ontvallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige Kamer voor kinderstrafzaken

Parketnummer : 05/940095-05

Datum zitting : 22 november 2005

Datum uitspraak : 6 december 2005

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : van S, B.

geboren op : (datum) te (plaats)

adres : (adres),

plaats : (plaats),

thans uit andere hoofde verblijvende in de Rijksinrichting De Hunnerberg te Nijmegen, Berg en Dalseweg 287.

Raadsvrouw: mr. S. van Oers, advocaat te Groesbeek.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 september

2004 tot en met 15 december 2004 te Ubbergen, (telkens)

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een

andere feitelijkheid J. H. (geboren op (geboortedatum)) heeft gedwongen

tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die H., te weten het binnendringen met

zijn, verdachtes penis in de vagina van die H., welk geweld of andere

feitelijkheid en/of welke bedreiging met geweld of andere feitelijkheid hierin

heeft/hebben bestaan dat verdachte opzettelijk die H. heeft gezegd dat

als ze niet wilde dat hij, verdachte een stiletto mee zou nemen en/of gezegd

dat hij, verdachte die H. de keel zou afsnijden en/of die H. een

hand voor/tegen de mond heeft gehouden en/of die H. meermalen, althans

eenmaal heeft geslagen en/of bovenop die H. is gaan liggen;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 september

2004 tot en met 15 december 2004 te Ubbergen, (telkens) (opzettelijk)

handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het

lichaam, te weten het binnendringen met zijn, verdachtes penis in de vagina,

heeft gepleegd met J. H., geboren op (geboortedatum), die toen de

leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 22 november 2005 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. S. van Oers, advocaat te Groesbeek.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld overeenkomstig haar vordering ter terechtzitting, welk als bijlage I is aangehecht.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

De rechtbank acht het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht met name niet wettig en overtuigend bewezen dat de seksuele handelingen tussen de verdachte en J. H. hebben plaatsgevonden onder dwang van de verdachte. De verklaring van J. H. staat op dit punt op zichzelf en is onvoldoende om te dienen als wettig én overtuigend bewijs. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.

Met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde overweegt de rechtbank het volgende.

Namens de verdachte is allereerst aangevoerd dat er veel onduidelijkheid bestaat over het tijdsbestek waarin de verweten handelingen zouden hebben plaatsgevonden.

Op grond van de verklaring van de verdachte en de aangeefster staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat beiden geslachtsgemeenschap met elkaar hebben gehad nadat de verdachte de leeftijd van 12 jaar had bereikt, meer in het bijzonder in de herfstvakantie van 2004 tot - naar de rechtbank aanneemt op grond van de verklaring van de aangeefster - november 2004, toen zij op haar verzoek op een andere afdeling is gaan slapen.

Voorts heeft de raadsvrouw van de verdachte aangevoerd dat de vrijwillige geslachtsgemeenschap tussen de verdachte en de aangeefster niet kan worden gekwalificeerd als ‘ontucht’ en dat de verdachte daarom zou moeten worden vrijgesproken van het subsidiair tenlastegelegde.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Voorop staat dat de bewoordingen van artikel 244 van het Wetboek van Strafrecht [hierna Sr] ‘ontucht’ niet als een apart delictbestanddeel vermelden. Volgens de wetsgeschiedenis wordt het binnendringen bij een kind jonger dan 12 jaar op zichzelf als ontuchtig beschouwd. De bescherming van het zeer jeugdige slachtoffer staat voorop [TK 1990-1991, 20 930, nr. 13, pp 3-4]. Naar het oordeel van de rechtbank kan ‘ontucht’ ook niet als een impliciet delictsbestanddeel worden beschouwd omdat daarmee voorbij zou worden gegaan aan de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever, om zeer jeugdigen een vorm van absolute bescherming te bieden.

Vervolgens heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het wederrechtelijk karakter ontbreekt dan wel de verdachte geen verwijt kan worden gemaakt gezien zijn jeugdige leeftijd en de context waarin een en ander heeft plaatsgevonden. Zij meent dat de verdachte daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging dan wel dat er sprake is van afwezigheid van alle schuld.

Ook deze verweren gaan niet op en de rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Met het bepaalde in artikel 244 Sr heeft de wetgever expliciet gekozen voor absolute bescherming van het zeer jeugdige slachtoffer. Een eventuele toestemming van het slachtoffer is daarbij irrelevant. Dat de maatschappelijke ontwikkelingen hierop inmiddels een uitzondering mogelijk zouden maken, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Ook was er geen sprake van een intieme liefdesrelatie tussen de verdachte en de aangeefster op grond waarvan de wederrechtelijkheid aan de gedragingen zou komen te ontvallen.

Het verweer dat de verdachte geen enkel verwijt zou kunnen worden gemaakt van de verweten gedragingen faalt omdat van een twaalf jarige wordt geacht dat deze kan inzien dat bepaalde handelingen niet mogen. Alhoewel de verdachte de nodige persoonlijkheidsstoornissen lijkt te ontwikkelen en hij volgens de deskundigen als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd, is niet aannemelijk geworden dat de verdachte totaal niet heeft kunnen inzien dat hij iets fout deed. Hiervoor is reeds overwogen dat geen sprake was van een intieme liefdesrelatie tussen de verdachte en de aangeefster op grond waarvan de verdachte geen verwijt zou kunnen worden gemaakt van de verweten gedragingen.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 september

2004 tot en met 15 december 2004 te Ubbergen, (telkens) (opzettelijk)

handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het

lichaam, te weten het binnendringen met zijn, verdachtes penis in de vagina,

heeft gepleegd met J. H., geboren op (geboortedatum), die toen de

leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Over verdachte is een multidisciplinair rapport opgemaakt door drs. A.A.C.M. Lenssen, kinder- en jeugdpsychiater en drs. M. van Heteren-van Namen, GZ-psycholoog, beiden gedateerd 28 juni 2005, waarin zij concluderen dat de verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling in de zin van een reactieve hechtingsstoornis. Gerelateerd aan de hechtingsstoornis is er sprake van een gedragsstoornis, ernstig, beginnend in de kinderleeftijd. Volgens de psychiater drs. Lenssen voornoemd is er tevens sprake van seksueel misbruik van een kind. Beide deskundigen komen tot de conclusie dat de verdachte op grond van deze gebrekkige ontwikkeling en gedragsstoornis ten tijde van de tenlastegelegde feiten – indien bewezen – als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd.

De rechtbank verenigt zich met die conclusie en maakt die tot de hare.

Overeenkomstig deze conclusie kan niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is. Er is voorts ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 8 juli 2005 (waaruit blijkt dat verdachte niet eerder door de strafrechter is veroordeeld);

- een voorlichtingsrapport van de Raad voor de Kinderbescherming, gedateerd

25 augustus 2005, betreffende verdachte;

- een voorlichtingsrapport van de afdeling Jeugdreclassering van de Bureaus Jeugdzorg Gelderland, gedateerd 15 november 2005, betreffende verdachte;

- bovengenoemd multidisciplinaire rapport.

De rechtbank overweegt verder nog als volgt.

De verdachte heeft eind 2004 diverse malen geslachtsgemeenschap gehad met een in die tijd elf jarig meisje dat in hetzelfde tehuis verbleef als de verdachte. Dergelijke feiten betekenen een grove inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en kunnen voor haar traumatiserend zijn. Bovendien kunnen dergelijke feiten zorgen voor een algemeen gevoel van onveiligheid bij minderjarigen die in opvangtehuizen verblijven.

De beide hiervoor genoemde deskundigen zijn het eens dat de verdachte op dit moment niet meer thuis kan wonen. De verdachte zou een kans moeten worden gegeven zich verder te ontwikkelen binnen een besloten setting buitenshuis. De beste kans op positief effect van interveniëren in de ontwikkeling van de verdachte is volgens de beide deskundigen plaatsing in een speciale groep voor adoptiekinderen [open VWS gedeelte] van Harreveld. Tevens is hier voldoende expertise voorhanden op het gebied van zedendelinquent gedrag. Beide deskundigen adviseren een dergelijke plaatsing te realiseren binnen het kader van een OTS en een voorwaardelijke PIJ wordt daarnaast aanbevolen als stok achter de deur.

Inmiddels is de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst met ingang van 26 oktober 2005 in verband met de bedoelde plaatsing in Harreveld.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak geen andere straf in aanmerking komt dan een jeugddetentie voor een beperkte duur.

Omdat de zeer jonge verdachte nog niet eerder door de strafrechter is veroordeeld en hij in het kader van de ondertoezichtstelling thans in de adoptiegroep in Harreveld verblijft, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de verdachte tevens de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen op te leggen, ook niet in de voorwaardelijke vorm, zoals door de officier van justitie geëist.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 77a, 77g, 77h, 77i, 244

van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

Een jeugddetentie voor de duur van 4 [vier] maanden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het inmiddels geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.

Aldus gewezen door:

mr. C.M. Vinck, kinderrechter als voorzitter,

mr. M.M. Vanhommerig, kinderrechter,

mr. E.H. Köhne-Hoegen, rechter-plaatsvervanger,

in tegenwoordigheid van I.W.H.M. Verheijen, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 december 2005.