Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU8676

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-10-2005
Datum publicatie
27-12-2005
Zaaknummer
129241
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De beantwoording van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd, dient in een geval als het onderhavige plaats te vinden door een toetsing van de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 129241 / HA ZA 05-1292

Datum vonnis: 12 oktober 2005

Vonnis

in de zaak van

1. de coöperatie

KONINKLIJKE COÖPERATIE RUNDVEEVERBETERING DELTA UA,

gevestigd te Arnhem,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NRS B.V.,

gevestigd te Arnhem,

eiseressen,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaten mrs. R.A. Oskamp en H. van Schuppen te Amsterdam,

tegen

de vereniging

HET FRIES-HOLLANDS RUNDVEESTAMBOEK ('FHRS'),

gevestigd te Leeuwarden,

gedaagde,

niet verschenen.

De partijen worden verder tevens aangeduid als CR Delta (eiseres sub 1) NRS (eiseres sub 2) Delta c.s. (beide eisers samen) en FHRS (gedaagde).

Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot 18 juli 2005 wordt verwezen naar het in kort geding (onder rolnummer 124197 / KG ZA 05-123) tussen partijen gewezen vonnis van die datum van de voorzieningenrechter van deze rechtbank (verder te noemen het vonnis van 18 juli 2005). Bij dat vonnis heeft de voor-zienin-gen-rechter de reconventionele vordering van FHRS afgewezen en de zaak in conventie op de voet van het bepaalde in artikel 438, derde lid rechtsvordering verwezen naar de rolzitting van de enkele kamer van deze rechtbank van woensdag 31 augustus 2005.

Ter rolle heeft de procureur van Delta zich gesteld en zijn de stukken als bedoeld in artikel 34 eerste lid rechtsvordering overgelegd. FHRS is niet verschenen.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

FHRS houdt zich bezig met de registratie van afstammingsgegevens van runderen in stamboeken. Daarnaast geeft zij voor de export van rundvee beno-digde stamboekcertificaten af, certificeert zij melkcontrolediensten en verstrekt zij informatieproducten aan rundveehouders en organisaties.

CR Delta is een landelijke organisatie op het gebied van het bedrijfsmatig handelen in informatieproducten met betrekking tot rundveeverbetering en gene-tisch materiaal. Zij is, evenals FHRS, een erkend stamboek voor rundvee. In die hoedanigheid houdt zij voor haar leden de stamboekgegevens van runderen bij en is zij (ook) bevoegd de voor de export benodigde stamboekcertificaten af te geven.

NRS is een productdivisie/werkmaatschappij van CR Delta, die zich bezig houdt met de verwerking van (onder meer) stamboekgegevens. Ter uitvoering daarvan hanteert NRS een informatiesysteem, een databank met gegevens van runderen, genaamd NIS. Hierin zijn tevens gegevens met betrekking tot de melkproductie(controle), fokwaarden en zogenaamde exterieurgegevens opgenomen. Het NIS is begin jaren 90 opgezet door NRS met behulp van een overheidssubsidie waarbij door het betrokken ministerie de voorwaarde is gesteld dat het systeem onder dezelfde condities beschikbaar dient te staan voor alle in Nederland erkende stamboekorganisaties. Sedert omstreeks 1992/1993 zijn de FHRS-stamboekgegevens overgeheveld naar de NIS-computer en sindsdien maakt FHRS gebruik van het NIS. De informatie uit het NIS wordt door FHRS met name gebruikt voor het samenstellen van fokwaarden en stamboek-certi-fi-ca-ten. Zij heeft daarbij de mogelijkheid om de stamboekgegevens van haar leden en/of klanten in het NIS zelf in te voeren, te wijzigen, op te vragen en te verwijderen en bezit daartoe een electronische verbinding met het NIS.

Op 6 januari 1999 hebben FHRS en CR Delta een overeenkomst gesloten, krachtens welke CR Delta tegen betaling ten behoeve van FHRS gegevens registreert en verwerkt op het gebied van stamboekregistratie en melkproductiecontrole. In deze overeenkomst (hierna de overeenkomst te noemen) zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

Artikel 4 Reglementen en voorschriften

Voor de organisatie gelden terzake van de diensten als genoemd in artikel 5 de reglementen en voorschriften als vastgesteld door CR Delta en voor FHRS haar eigen reglementen. De vigerende reglementen voor de betreffende verzameling van de gegevens (inclusief de bijlagen) maken deel uit van deze overeenkomst. Toekomstige wijzigingen zijn hieronder mede begrepen.

Artikel 7 Kwaliteitscontrole

Een door de kwaliteitscommissie of beroepscommissie van CR Delta of de kwaliteits-commissie of beroepscommissie van FHRS genomen besluit dan wel een gerechtelijk vonnis of arbitrale betreffende het niet fiatteren van stamboekregistraties of melklijsten van runderen en deelname van veehouders aan de diensten stamboekregistratie en melkcontrole uitspraak heeft rechtskracht tussen partijen.

Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van CR Delta toepasselijk verklaard

In de loop van 2003 heeft NRS naar aanleiding van de inwerking-treding van de Wet Bescherming Persoonsgegevens een nieuwe (concept-)over-eenkomst aan FHRS toegezonden. FHRS heeft deze overeenkomst niet getekend, omdat zij het niet eens is met een aantal daarin gestelde voorwaarden. Bij aan FHRS gerichte brief van 27 mei 2004 heeft NRS de (oude) overeenkomst opgezegd tegen 1 september 2004. Op laatstgenoemde datum heeft NRS de tot die tijd door haar aan FHRS geboden faciliteiten gestaakt c.q. de toegang tot het NIS ten behoeve van FHRS afgesloten.

In een in kort geding (onder rolnummer 117658/KG ZA 04-586) tussen partijen gewezen vonnis van 1 oktober 2004 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank (verder te noemen het vonnis van 1 oktober 2004) is Delta c.s. veroordeeld om met onmiddellijke ingang al haar huidige en toekomstige verplichtingen jegens FHRS voortvloeiende uit de overeen-komst na te komen en te blijven nakomen zolang in een (eventueel) door (een van) hen aanhangig te maken bodemprocedure niet anders is beslist, zulks versterkt met een dwangom van € 5.000,-- per dag, echter tot een maximum van € 250.000,--, een en ander met dien verstande dat FHRS de door Delta c.s. gewenste aanpassingen in die overeenkomst dient te te accepteren voor zover deze aanpassingen op grond van de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP) noodzakelijk zijn.

Het vonnis van 1 oktober 2004 is op 7 oktober 2004 aan Delta c.s. betekend.

De heer [betrokk[betrokkene] (verder te noemen [betrokkene]) is melkveehouder. [betrokkene] is lid geweest van CR Delta. [betrokkene] is thans lid van FHRS.

De Commissie Toezicht Erkende Gegevensverzameling (CTEG) is een commissie van CR Delta als bedoeld in artikel 7 van de overeenkomst. Bij besluit van 28 oktober 2003 heeft de CTEG aan [betrokkene] vanwege een weigering van een hercontrole op 8 oktober 2003 in het kader van de MPR-regeling een sanctie opgelegd, inhoudende dat de lopende lactatie van [betrokkene]’ koeien die ten tijde van de weigering melkgevend waren niet erkend zou worden. Dit besluit is na bezwaar door [betrokkene] op 20 januari 2004 door de CTEG gehandhaafd.

Sinds 22 maart 2004 heeft Delta c.s. geweigerd om de door FHRS aangeleverde melkproductiegegevens van [betrokkene] in het NIS te verwerken.

In een in kort geding (onder rolnummer 115176/KG ZA 04-427) tussen [betrokkene] en Delta c.s. gewezen vonnis van 10 september 2004 van de voorzieningen-rechter van deze rechtbank (verder te noemen het vonnis van 10 september 2004) is de vordering van [betrokkene] afgewezen die er op gericht was om Delta c.s. te gebieden om, binnen twee dagen na betekening van het vonnis,

a) over te gaan tot herstel van de MPR-uitslag in die zin dat de lactatie van de koeien van [betrokkene] die ten tijde van diens weigering om mee te werken aan de hercontrole melkgevend waren alsnog wordt erkend;

b) de door FHRS verzamelde en erkende melkproductie-gegevens van [betrokkene]' koeien te verwerken in het NIS,

een en ander versterkt met een dwangsom.

Op 19 november 2004 heeft FHRS CR Delta gesommeerd de gegevens van [betrokkene] te registreren en te verwerken. Op 24 november 2004 heeft CR Delta schriftelijk medegedeeld dat de gegevens van [betrokkene] niet worden geregistreerd en verwerkt omdat zij bevoegd zou zijn dit te weigeren op grond van het vonnis van 10 september 2004.

Op verzoek van FHRS is bij deurwaardersexploit van 17 december 2004 aan Delta c.s. aangezegd dat zij niet aan de inhoud van het vonnis van 1 oktober 2004 heeft voldaan en op grond daarvan gedurende de periode tot en met 9 december 2004 een bedrag ad € 110.000,-- wegens dwangsommen verschul-digd is geworden. Delta c.s. is daarbij tevens bevolen om dat bedrag onmiddellijk aan de desbetreffende deurwaarder te betalen. Delta c.s. heeft daaraan niet voldaan.

Het geschil

Het geschil tussen partijen betreft de executie van het vonnis van 1 oktober 2004. Delta c.s. vordert FHRS te gebieden de executie van de in het vonnis van 1 oktober 2004 opgelegde dwangsommen terzake van de weigering om de gegevens van [betrokkene] te verwerken te staken en gestaakt te houden, zulks op straffe van verbeurte van een eenmalige dwangsom van € 350.000,--, althans te bepalen dat de dwangsommen niet verschuldigd zullen worden terzake van de weigering om de gegevens van [betrokkene] te erkennen en/of te verwerken, met veroordeling van FHRS in de kosten van de procedure. Delta c.s. voert aan dat zij zich volledig aan het vonnis van 1 oktober 2004 heeft gehouden.

FHRS heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij stelt dat Delta c.s. niet aan het vonnis van 1 oktober 2004 heeft voldaan en dat de in dat vonnis bepaalde dwang-sommen verbeurd zijn aangezien Delta c.s. zich niet aan de overeenkomst heeft gehouden nu zij vanaf 18 november 2004 geen gegevens van [betrokkene] geregi-streerd en verwerkt heeft op gelijke wijze als dat geschiedt voor andere leden van FHRS. Andere inbreuken op de overeenkomst zijn door FHRS niet genoemd

Delta c.s. stelt dat zij gelet op de in overweging 2.8 aangehaalde uitspraak van de CTEG en het vonnis van 10 september 2004 gerechtigd is te weigeren om de gegevens van [betrokkene] te verwerken, dat deze uitspraken gelet op de bepalingen 4 en 7 tussen partijen rechtskracht hebben en er dus geen sprake is van handelen in strijd met de overeenkomst.

Subsidiair heeft Delta c.s. aangevoerd dat zij aan haar verplichtin-gen uit de overeenkomst heeft voldaan aangezien zij aangeboden heeft dat zij hetzij de gegevens van [betrokkene] zou verwerken en erkennen, waarbij [betrokkene] zich zou moeten conformeren aan het reglement van NRS, hetzij de gegevens van [betrokkene] koeien zou verwerken onder de voorwaarde dat FHRS de verantwoordelijkheid van de juistheid van die gegevens zou aanvaarden, welke voorstellen FHRS (en [betrokkene]) zou(den) hebben geweigerd.

FHRS, die niet betwist dat op grond van artikel 7 van de overeenkomst uitspraken van de CTEG en rechterlijke of arbitrale uitspraken betreffende het niet fiatteren van melklijsten en deelname van veehouders aan de dienst melkcontrole tussen partijen rechtskracht hebben, voert aan dat de door Delta c.s. genoemde uitspraken voor deze zaak niet van belang zijn omdat zij slechts zien op melkcontrole-gegevens over de ten tijde van de door [betrokkene] geweigerde hercontrole lopende lactatieperiodes. Thans gaat het, aldus FHRS om gegevens over nieuwe lactatieperiodes, waarvan [betrokkene] niet een hercontrole heeft geweigerd, welke gegevens onder de verantwoordelijkheid van de FHRS zijn verzameld.

Ten aanzien van de subsidiaire stelling van Delta c.s. heeft FHRS de stelling genomen dat er krachtens de overeenkomst voor haar geen reden bestond om voor een van de haar door Delta c.s. gegevens opties te kiezen.

De beoordeling van het geschil

De beantwoording van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd, dient in een geval als het onderhavige plaats te vinden door een toetsing van de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. In casu spitst deze toetsing zich toe op de vraag of de weigering, van Delta c.s. om de gegevens van [betrokkene] te registreren en te verwerken in de periode vanaf 18 november 2004 wel of niet gerechtigd is binnen de, door Delta c.s. op grond van het vonnis van 1 oktober 2004 na te komen, overeenkomst.

Daarbij is om te beginnen de vraag van belang of, gelet op het bepaalde in artikel 7 van de overeenkomst, de meer genoemde uitspraak van de CTEG en/of het vonnis van 10 september 2004 met zich brengen dat de weige-ring van Delta c.s. om de gegevens van [betrokkene] te verwerken gerechtvaardigd is.

De rechtbank stelt vast dat de uitspraak van de CTEG niet anders kan worden uitgelegd dan dat zij uitsluitend ziet op gegevens over de tijdens de hercontrole lopende lactatieperiode. Deze uitspraak kan Delta c.s., die niet betwist dat een lactatieperiode ongeveer 9 maanden duurt, dan ook niet ontheffen van de uit de overeenkomst voortvloeiende plicht om de gegevens van [betrokkene] te verwerken over de periode vanaf 18 november 2004. Ook het afwijzen in het vonnis van 10 september 2004 van de vordering van [betrokkene] om “over te gaan tot herstel van de MPR-uitslag in die zin dat de lactatie van de koeien van [betrokkene] die ten tijde van diens weigering om mee te werken aan de hercontrole melkgevend waren, alsnog worden erkent” ontslaat Delta c.s. niet van haar verplichtingen in de thans van belang zijnde periode.

Delta c.s. heeft nog aangevoerd dat zij niet gehouden is de gegevens van [betrokkene] te verwerken nu de voorzieningenrechter in het vonnis van 10 september 2004 ook het tweede deel van de vordering van [betrokkene], om “de door FHRS verzamelde en erkende melkproductiegegevens van [betrokkene]’ koeien te verwerken in het NIS”, heeft afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat deze afwijzing Delta c.s. evenmin ontheft van de verplichtingen uit de overeenkomst ten aanzien van het verwerken van de gegevens van [betrokkene] in de periode vanaf 18 november 2004.

Immers, de rechtbank stelt op basis van de in het geding gebrachte stukken vast dat dit deel van de afgewezen vordering, ingediend bij dagvaarding van 14 juli 2004, slechts zag op de destijds door FHRS bij [betrokkene] verzamelde gegevens, terwijl nergens uit blijkt dat tevens een uitspraak is gevraagd of gegeven over toen nog te verzamelen gegevens. Ook de inhoud of motivering van de afwijzing brengt niet met zich dat daarmee een inhoudelijke, verderstrekkende uitspraak is gedaan over het al dan niet ook in de periode na dat vonnis bestaan van een plicht van Delta c.s. om gegevens van [betrokkene] te verwerken. De afwijzing van de vordering is immers gemotiveerd met de vaststelling dat die vordering onderwerp van geschil is tussen NRS en FHRS, welk geschil door die partijen moest worden opgelost, waarvoor in het kort geding tussen [betrokkene] en Delta c.s. van 10 september 2004 geen plaats was. Hieruit volgt dat er juist geen inhoudelijke beslissing is genomen over deze verplichtingen van Delta c.s.

Voorts dient beoordeeld te worden in hoeverre Delta c.s., gelet op haar stelling dat zij aangeboden heeft dat zij hetzij de gegevens van [betrokkene] zou verwerken en erkennen, waarbij [betrokkene] zich zou moeten conformeren aan het reglement van NRS, hetzij de gegevens van [betrokkene]’ koeien zou verwerken onder de voorwaarde dat FHRS de verantwoordelijkheid van de juistheid van die gegevens zou aanvaarden, welke voorstellen FHRS (en [betrokkene]) zou(den) hebben geweigerd, aan haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan, althans in hoeverre het afwijzen van deze voorstellen door FHRS het verbeuren van de dwangsom in de weg staat. De rechtbank heeft op dit punt behoefte aan meer informatie.

Daarnaast zijn blijkens het vonnis van 18 juli 2005 bij de behandeling van het kort geding de vragen aan de orde gesteld of FHRS, zoals in het vonnis van 1 oktober is bepaald, de door Delta c.s. gewenste op grond van de WBP noodzakelijke aanpassingen in de oorspronkelijke overeenkomst (volledig) heeft geaccepteerd en voorts op welke wijze die aanpassingen verwerkt zijn.

Ook op dit punt heeft de rechtbank behoefte aan meer informatie.

Er zal om die reden een comparitie van partijen worden belegd om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of de partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Daarbij kan de mogelijkheid van doorverwijzing naar een mediator aan de orde komen. Voor de comparitie is twee uur uitgetrokken.

De partijen dienen de stukken waarop zij tijdens de comparitie een beroep willen doen, uiterlijk twee weken tevoren in fotokopie aan de andere partij en aan de rechtbank toe te zenden.

Ter bevordering van een voortvarende afwikkeling van de procedure moeten de partijen erop voorbereid zijn dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis, bijvoorbeeld tot een bewijsopdracht of deskundigenonderzoek, kan wijzen overeenkomstig art. 232, tweede lid, aanhef en onder a, Rv.

Ter comparitie kan aan de orde komen wie de partijen eventueel als deskundigen benoemd willen zien.

De rechtbank wijst FHRS, voor wie zich in deze procedure na verwijzing nog geen procureur heeft gesteld, er op dat rolhandelingen, die eventueel, ingeval van een bewijsopdracht of deskundigenonderzoek nodig zijn, slechts door een procureur kunnen worden verricht. Op de datum van de rol waarop de zaak in verband met de te houden comparitie zal worden geplaatst kan een procureur zich stellen.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank

Bepaalt dat de partijen, vergezeld van hun advocaten, voor de rechtbank (mr. T.P.E.E. van Groeningen) zullen verschijnen in het Paleis van Justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4 om inlichtingen over de zaak te geven en te laten onderzoeken of de partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden, op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd (in beginsel op een woensdag),

verwijst de zaak naar de tweede rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken, voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden november 2005 tot en met januari 2006, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

bepaalt dat de partijen dan vertegenwoordigd zullen zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

verzoekt de tijdige toezending van de stukken zoals bedoeld onder 4.7,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen en uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2005.

De griffier de rechter