Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU8334

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-12-2005
Datum publicatie
19-12-2005
Zaaknummer
134314 / KG ZA 05-734
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 19 december 2005. Vonnis in de zaak van een aantal exploitanten van seksinrichtingen in het Spijkerkwartier tegen de gemeente Arnhem. De exploitanten vorderen dat het de gemeente wordt verboden om ter beëindiging van de exploitatie van de raamprostitutiebedrijven in het Spijkerkwartier bestuursdwang uit te oefenen tot een door de exploitanten in de dagvaarding nader omschreven termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 134314 / KG ZA 05-734

Vonnis in kort geding van 19 december 2005

in de zaak van

1. S,

wonende te (woonplaats),

2. W,

wonende te (woonplaats),

3. L,

wonende te (woonplaats),

4. H.,

wonende te (woonplaats),

5. B.,

wonende te (woonplaats),

6. E,

wonende te (woonplaats),

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EXPLOITATIE EVERS B.V.,

gevestigd te Arnhem,

eisers,

procureur mr. J.M. Bosnak

advocaten mrs. B.J.M. van Meer en E.H.M. Harbers,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ARNHEM,

zetelende te Arnhem,

gedaagde,

advocaat mr. B.S. ten Kate te Arnhem.

waarin heeft gevorderd als gevoegde partij te worden toegelaten

K.,

wonende te (woonplaats),

eiser in incident tot voeging

advocaat en procureur mr. P.A.W. Eskens te Arnhem.

Partijen zullen hierna S. c.s, de gemeente en K. worden genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de incidentele conclusie tot voeging van K.

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van S. c.s.

- de pleitnota van de gemeente.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

S. c.s. alsmede K. exploiteren sedert een geruime tijd een aantal raamprostitutiebedrijven in het Spijkerkwartier te Arnhem.

2.2. Bij besluit van 1 december 1997 heeft de raad van de gemeente Arnhem (hierna: de raad) besloten dat de raamprostitutie in het Spijkerkwartier per 1 december 2002 dient te worden beëindigd. Daarbij heeft de raad het voormalige “Billitonterrein” aangewezen als een mogelijk alternatieve locatie.

2.3. Teneinde een verplaatsing van de raamprostitutie naar dit terrein mogelijk te maken heeft de raad op 17 september 2002 het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Westervoortsedijk” vastgesteld, in welk bestemmingsplan het terrein is aangewezen voor (onder meer) prostitutiedoeleinden. Bij besluit van 24 juni 2003 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland het bestemmingsplan goedgekeurd.

2.4. Bij uitspraak van 7 juli 2004 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) het goedkeuringsbesluit vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel dat voorziet in een gebruik van het Billitonterrein ten behoeve van prostitutiedoeleinden. Daarbij heeft de Afdeling – met toepassing van artikel 8:72, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht – zelf in de zaak voorzien en aan dit plandeel alsnog goedkeuring onthouden.

2.5. In vervolg op de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring en ter voldoening aan het bepaalde in artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), is op 20 januari 2005 het voorontwerp “partiële herziening 2004/01” van het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Westervoortsedijk” ter inzage gelegd, gevolgd door de terinzagelegging van het ontwerp van dit reparatieplan in juni 2005. De vaststelling van de partiële herziening door de raad heeft tot op heden niet plaatsgevonden.

2.6. Bij besluiten van 14 juni 2004, gewijzigd bij besluiten van 21 september 2004, heeft de burgemeester van Arnhem (hierna: de burgemeester) S. c.s en K. medegedeeld dat, indien zij de exploitatie van hun raamprostitutiebedrijven niet vóór 24 november 2004 zullen staken, hij op hun kosten bestuursdwang zal toepassen door gedurende een periode van twaalf maanden het doorzicht van de ramen van de panden van waarachter raamprostitutie plaatsvindt onmogelijk te maken.

2.7. Bij besluiten van 30 november 2004 heeft de burgemeester de daartegen door S. c.s. en K. gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Tegen deze besluiten hebben S. c.s., verenigd in de Belangenvereniging Exploitanten Spijkerkwartier (BES) en K. (afzonderlijk) beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 26 mei 2005 heeft de rechtbank die beroepen ongegrond verklaard.

2.8. Bij uitspraak van 23 november 2005 heeft de Afdeling in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Daarbij heeft de Afdeling, voor zover hier relevant, het volgende overwogen (rechtsoverweging 2.5.2):

“dat appellanten er derhalve rekening mee dienden te houden dat op het moment van beëindiging van de raamprostitutie in het Spijkerkwartier geen alternatieve locatie beschikbaar zou zijn en dat, nu appellanten zich geruime tijd op die beëindiging hebben kunnen instellen, er in het ontbreken van een alternatieve locatie geen grond kan worden gevonden voor het oordeel dat van handhavend optreden moest worden afgezien of handhaving slechts met een langere begunstigingstermijn had mogen plaatsvinden.

Het betoog van appellanten sub 2 dat over de keuze van de alternatieve locatie en over de invulling daarvan ten onrechte geen overleg met hen heeft plaatsgevonden, kan evenmin leiden tot het oordeel dat de burgemeester van handhavend optreden had moeten afzien, reeds omdat tussen beëindiging van de raamprostitutie in het Spijkerkwartier en beschikbaarheid van de alternatieve locatie geen onlosmakelijke koppeling bestond.”

2.9. In rechtsoverweging 2.5.3 van de uitspraak van 23 november 2005 heeft de Afdeling, voor zover hier relevant, voorts overwogen:

“In het bijzonder is geenszins gebleken dat de mogelijkheid dat de exploitatie in het Spijkerkwartier zou moeten worden beëindigd zonder dat een alternatieve locatie voorhanden zou zijn, niet reeds lang voordat het handhavingsbesluit werd genomen, als zijnde een reëel risico voorzienbaar was, noch dat appellanten, dat zo zijnde, hunnerzijds in het zicht van de vervaldatum van 1 december 2002 alle van een redelijk handelend ondernemer te verwachten voorzieningen hebben getroffen om de dan optredende schade te ondervangen.”

2.10. De burgemeester heeft vervolgens bij besluiten van 23 november 2005 aan S. c.s. en K. medegedeeld uitvoering te zullen geven aan de bestuursdwangaanschrijvingen van 14 juni 2004, indien de exploitatie van de desbetreffende seksinrichtingen niet vóór 4 januari 2006 is beëindigd.

Het geschil

S. c.s. vorderen dat het de gemeente wordt verboden om – ter beëindiging van de exploitatie van de raamprostitutiebedrijven in het Spijkerkwartier – bestuursdwang uit te oefenen, zulks tot zes maanden na de inwerkingtreding van het reparatieplan “partiële herziening 2004/1” van het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Westervoortsedijk”, onder veroordeling van de gemeente in de kosten van deze procedure.

S. c.s. leggen aan hun vordering ten grondslag dat de gemeente (althans de raad) er immer naar heeft gestreefd de beëindiging van de raamprostitutie gepaard te doen gaan met de verplaatsing daarvan naar een andere locatie. Daarmee heeft de gemeente een inspanningsverplichting op zich genomen om tot verplaatsing te komen van de bedrijven van S. c.s. naar een andere locatie, in casu het Billitonterrein aan de Westervoortsedijk. Nu de Afdeling evenwel goedkeuring heeft onthouden aan het bestemmingsplan dat voorzag in het gebruik van het Billitonterrein voor raamprostitutie en de gemeente – in strijd met het daaromtrent bepaalde in artikel 30 van de WRO – tot op heden geen reparatieplan heeft vastgesteld, wordt het de exploitanten – zo stellen althans S. c.s. – de facto onmogelijk gemaakt de exploitatie van hun raamprostitutiebedrijven na 4 januari 2006 voort te zetten. Dit klemt, nu de raad een zogenoemd “parapluplan” heeft vastgesteld, op grond waarvan raamprostitutie (ook) elders in Arnhem – ongeacht welk bestemmingsplan van toepassing is – niet is toegestaan. Door te talmen met de vaststelling van het reparatieplan, ondanks de reeds aangezegde bestuursdwang ter beëindiging van de raamprostitutie in het Spijkerkwartier en zonder dat legitieme redenen aanwezig zijn die het uitblijven van een vastgesteld reparatieplan kunnen rechtvaardigen, heeft de (raad van de) gemeente naar de mening van S. c.s. onrechtmatig jegens hen gehandeld. Dit geldt te meer nu de gemeente zich in een onaanvaardbare machtspositie heeft gemanoeuvreerd door slechts één locatie in de gemeente in planologisch opzicht aanvaardbaar te achten voor raamprostitutiedoeleinden (van welke locatie de gemeente zelf eigenaar is) en de gemeente, zo stellen althans S. c.s., structureel heeft geweigerd om constructief en reëel overleg met hen te voeren omtrent een invulling van dit terrein als raamprostitutiegebied. Gelet op deze omstandigheden, die de Afdeling volgens S. c.s. niet bij haar uitspraak van 23 november 2005 heeft kunnen betrekken, dient de door de burgemeester gestelde begunstigingstermijn als onredelijk kort te worden aangemerkt.

3.3. De gemeente heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dit verweer komt er samengevat op neer dat de aanzegging van bestuursdwang met de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2005 formele rechtskracht heeft verkregen en dat hetgeen door S. c.s en K. is aangevoerd geen nieuwe feiten of omstandigheden opleveren die, waren zij ten tijde van de beslissing op bezwaar van 30 november 2004 bij de burgemeester bekend geweest, tot een andere uitkomst zouden hebben geleid, althans de bestuursrechter aanleiding zouden hebben gegeven om, in geval de burgemeester ook dan tot handhaving zou zijn overgegaan, het bestuursdwangbesluit te vernietigen. Dit brengt mee, zo stelt de gemeente, dat zelfs ingeval het niet tijdig vaststellen van het reparatieplan als onrechtmatig dient te worden gekwalificeerd jegens S. c.s. en K., van het gevorderde uitstel van de bestuursdwang geen sprake kan zijn. De vordering dient om die reden te worden afgewezen. Daaraan is zijdens de gemeente nog toegevoegd dat S. c.s. tot medio 2005 immer hebben betoogd dat een bedrijventerrein ongeschikt is als locatie voor raamprostitutie.

3.4. K. heeft verzocht zich in deze procedure te mogen voegen, nu ook hij met sluiting van zijn raamprostitutiebedrijven wordt geconfronteerd zonder dat uitzicht op verplaatsing aanwezig is. K. sluit zich daarbij aan bij het hetgeen door Smit c.s aan de vordering ten grondslag is gelegd, met dien verstande dat K. heeft benadrukt dat hij zich nimmer tegen een verplaatsing naar het Billitonterrein heeft verzet en ook zelf initiatieven heeft ontplooid om tot een verplaatsing te komen, waarop de gemeente evenwel afwijzend heeft gereageerd.

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

van de incidentele vordering tot voeging

Nu S. c.s. en de gemeente geen bezwaar hebben gemaakt tegen de voeging van Kousbroek aan de zijde van S. c.s. en K. een rechtstreeks en in rechte erkenbaar belang heeft om als partij in het geding op te komen, zal de vordering van K. tot voeging worden toegewezen.

van het geschil

4.2. Het spoedeisend belang van S. c.s en K. vloeit voort uit hun stellingen.

4.3. De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of de gemeente – bezien in het licht van reeds aangezegde bestuursdwang ter beëindiging van de raamprostitutie in het Spijkerkwartier – onrechtmatig heeft gehandeld jegens S. c.s. en K. door niet tijdig te voorzien in een reparatieplan als bedoeld in artikel 30 WRO, welk plan een verplaatsing van de raamprostitutie naar het Billitonterrein mogelijk moet maken. Het antwoord op deze vraag kan – gelet op de gevorderde opschorting van de aangezegde bestuursdwang – niet los worden gezien van de vraag of de burgemeester zonder het voorhanden zijn van deze alternatieve locatie in redelijkheid tot beëindiging van de raamprostitutie in het Spijkerkwartier heeft kunnen besluiten. Ten aanzien van dit laatste aspect wordt het volgende overwogen.

4.4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat met de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2005 de besluiten van de burgemeester tot toepassing van bestuursdwang rechtens onaantastbaar zijn geworden. In deze uitspraak heeft de Afdeling (zoals hiervoor in de feiten onder 2.8. en 2.9 reeds is weergegeven) uitdrukkelijk gesteld dat de burgemeester bij de effectuering van de besluiten tot toepassing van bestuursdwang geen rekening behoeft te houden met het ontbreken van een alternatieve locatie, nu naar het oordeel van de Afdeling tussen de beëindiging van de raamprostitutie in het Spijkerkwartier en de beschikbaarheid van de alternatieve locatie geen onlosmakelijke koppeling bestond en het ook overigens voor de exploitanten voorzienbaar was dat zij de exploitatie van hun raamprostitutiebedrijven diende te beëindigen zonder dat een alternatieve locatie voorhanden was.

4.5. De voorzieningenrechter overweegt dat een behoorlijke taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter, mede met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige rechterlijke uitspraken, meebrengt dat hij zich – behoudens bijzondere omstandigheden – van een oordeel dient te onthouden inzake een geschilpunt waaromtrent de bestuursrechter zich reeds heeft uitgesproken. Het oordeel van de bestuursrechter dient in zulke gevallen in beginsel als maatgevend te worden beschouwd. Ware dit anders dan zou dit mogelijk kunnen leiden tot een verkapt hoger beroep, welke mogelijkheid reeds vanuit een oogpunt van rechtszekerheid als onwenselijk terzijde moet worden geschoven.

4.6. Indachtig het hiervoor weergegeven uitgangspunt en gelet op hetgeen de Afdeling in zijn uitspraak van 23 november 2005 heeft overwogen, dient de voorzieningenrechter het er in beginsel voor te houden dat beëindiging van de raamprostitutie in het Spijkerkwartier is toegestaan zonder dat de alternatieve locatie op het Billitonterrein beschikbaar is. In dit licht bezien dient thans te worden geoordeeld dat, wat er ook zij van de gestelde onrechtmatigheid van het niet tijdig te voorzien in een reparatieplan als bedoeld in artikel 30 WRO, zulk een onrechtmatigheid er op zichzelf niet toe kan leiden dat het gevorderde verbod tot het uitoefenen van bestuursdwang voor toewijzing in aanmerking komt. Immers, zelfs indien het niet tijdig vaststellen van het reparatieplan als onrechtmatig dient te worden gekwalificeerd jegens S c.s. en K, kan daarin – gelet op hetgeen door de Afdeling is overwogen – geen grond zijn gelegen om de thans gestelde begunstigingstermijn onredelijk kort te achten.

4.7. De voorzieningenrechter heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te veronderstellen dat de gemeente na de uitspraak van de Afdeling alsnog een koppeling heeft willen leggen tussen de realisatie van een alternatieve locatie en de effectuering van de bestuursdwangbesluiten. Ook overigens is de voorzieningenrechter niet gebleken van bijzondere omstandigheden die nopen tot een uitzondering op het hiervoor genoemde uitgangspunt dat de burgerlijke rechter zich aan het oordeel van de bestuursrechter dient te refereren. De door S. c.s. en K. gestelde weigerachtige houding van de gemeente ten aanzien van het voeren van overleg noch de veronderstelde machtspositie die de gemeente zich zou hebben verworven kunnen als zodanig worden aangemerkt. Dit leidt tot de conclusie dat de vordering van S. c.s. en K. reeds hierom dient te worden afgewezen. De vraag of het niet tijdig vaststellen van het reparatieplan als onrechtmatig dient te worden gekwalificeerd jegens S. c.s. en K. kan gelet hierop dan ook buiten (verdere) bespreking blijven.

4.8. Tot slot, doch hier ten overvloede, merkt de voorzieningenrechter op dat het aanbeveling verdient dat partijen op korte termijn in overleg treden over de voorwaarden waaronder de ontwikkeling, uitgifte en exploitatie van het Billitonterrein kan plaatsvinden, zodat -ingeval het reparatieplan de eindstreep haalt – op korte termijn tot invulling van dit terrein kan worden overgegaan.

4.9. S. c.s. en K. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De beslissing

De voorzieningenrechter

in het incident tot voeging

5.1. laat K. toe als gevoegde partij aan de zijde van S. c.s.;

ten aanzien van de vordering

5.2. weigert de gevorderde voorziening;

5.3. veroordeelt S. c.s. en K. in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 816,00 salaris procureur en € 244,00 griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.A. van Hoof