Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU7821

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-12-2005
Datum publicatie
12-12-2005
Zaaknummer
05/090133-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte van mensenhandel en mensensmokkel van Poolse dames veroordeeld.

Mensenhandel: Art. 250a WvSr. is met ingang van 1 januari 2005 vervallen. Art. 273a lid 1 onder 3 WvSr. kent sindsdien een bepaling die qua delictsomschrijving geen wezenlijk andere formulering kent dan art. 250a lid 1 onder 2 WvSr. (oud). Geen sprake van gunstigste bepaling. Art. 250a WvSr. toegepast, nu deze bepaling gold ten tijde van de bewezen feiten.

Mensensmokkel: art. 197a WvSr. is gewijzigd met ingang van 1 januari 2005 door het laten vervallen van het begrip "winstbejag" in het nieuwe lid 1 van dat artikel. Dit begrip is nog wel bestanddeel van art. 197a lid 2 WvSr. (nieuw). Nu art. 197a lid 1 (oude wet) is tenlastegelegd en bewezen verklaard, past de rechtbank het "oude" artikel 197a lid 1 WvSr. toe, aangezien toepassing van art. 197a lid 2 (nieuw) geen voor de verdachte gunstiger situatie oplevert. Uit de MvT met betrekking tot de wijziging van art. 197a WvSr. blijkt dat het bij de wetswijziging eerder om gaat mensensmokkel harder aan te pakken en dat het bereik van art. 197a WvSr. wordt uitgebreid tot alle landen van de Europese Unie en Noorwegen en IJsland. Daarom is art. 1 lid 2 WvSr. in dit geval niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

Parketnummer : 05/090133-04

Datum zitting : 28 november 2005

Datum uitspraak : 12 december 2005

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

Raadsman: mr. F.E.J. Janzing, advocaat te Wijchen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2001 tot en met 25 april 2004 te Zgorzelec en/of Zawiercie en/of Nijmegen, althans in Polen en/of in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één of meer personen, genaamd [namen], heeft aangeworven, mede genomen en/of heeft ontvoerd met het oogmerk die personen in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling;

2.

hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2001 tot en met 25 april 2004 te Nijmegen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, (een) anderen, te weten [namen], uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het verschaffen van toegang tot of verblijven in Nederland of enige staat welke was gehouden mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen, of die ander daartoe uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft terwijl hij, verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk was, immers heeft verdachte en/of zijn mededader voornoemde perso(o)nen Nederland binnen gebracht en/of onderdak geboden en/of contacten gelegd teneinde hen aan het werk te helpen en/of klanten voor hen geregeld en/of hen tewerkgesteld als prostituee;

3.

hij op of omstreeks 26 april 2004 te Nijmegen een of meer wapens van categorie II, te weten een vuurwapen (merk Charzy, 22 kaliber), en/of munitie van categorie II, te weten 75 stuks (voor voornoemd vuurwapen geschikte) munitie (merk X-super, 22 kaliber), voorhanden heeft gehad.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 28 november 2005 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. F.E.J. Janzing, advocaat te Wijchen.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden, waarvan 8 (acht) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de onder verdachte inbeslaggenomen geldbedragen verbeurd worden verklaard.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 juni 2001 tot en met 25 april 2004 te Zgorzelec en/of Zawiercie en/of Nijmegen, tezamen en in vereniging met een ander personen, genaamd [namen], heeft aangeworven, met het oogmerk die personen in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 1 juni 2001 tot en met 25 april 2004 te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een ander anderen, te weten [namen], uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het verblijven in Nederland terwijl hij, verdachte wist dat dat verblijf wederrechtelijk was, immers heeft verdachte en/of zijn mededader voornoemde personen onderdak geboden en contacten gelegd teneinde hen aan het werk te helpen en klanten voor hen geregeld en hen tewerkgesteld als prostituee;

3.

hij op 26 april 2004 te Nijmegen een wapen van categorie II, te weten een vuurwapen (merk Charzy, 22 kaliber), en munitie van categorie II, te weten 74 stuks (voor voornoemd vuurwapen geschikte) munitie (merk X-super, 22 kaliber), voorhanden heeft gehad.

Met betrekking tot feit 1 is de rechtbank van oordeel dat verdachte de in de bewezenverklaring genoemde personen heeft aangeworven. Ingevolge de uitspraak van de Hoge Raad van 18 april 2000, NJ 2000,443, wordt onder aanwerven verstaan “iedere daad waardoor een persoon wordt aangeworven teneinde die persoon in een ander land tot prostitutie te brengen, zonder dat behoeft te blijken dat de wijze van aanwerving de keuzevrijheid heeft beperkt". Blijkens de verklaringen van de in de bewezenverklaring genoemde personen, alsmede de verklaring van verdachte en diens vriendin [namen] is in casu sprake geweest van aanwerven in de hierboven genoemde zin.

Ten aanzien van feit 2 overweegt de rechtbank het navolgende:

Het behulpzaam zijn bij het verblijf van personen in Nederland is strafbaar als deze hulp verstrekt wordt aan personen die wederrechtelijk hier te lande verblijven. Verdachte moet van de wederrechtelijkheid van dat verblijf op de hoogte zijn. Dat de desbetreffende vreemdelingen daadwerkelijk wederrechtelijk in Nederland verbleven, leidt de rechtbank af uit de verklaringen van die vreemdelingen, uit de verklaring van verdachte en die van zijn vriendin [namen], alsmede uit de modus operandi.

Voorts is voor strafbaarheid noodzakelijk dat de hulp aan personen bij het verblijven in Nederland gegeven wordt uit winstbejag. Uit de hiervoor reeds genoemde verklaringen blijkt ook dat de vreemdelingen door middel van prostitutie geld voor verdachte verdienden, dit geld afdroegen aan verdachte en daarvan later slechts een gedeelte van die bedragen terugkregen van verdachte. Hieruit blijkt dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte uit louter ideële motieven heeft gehandeld, maar is naar het oordeel van de rechtbank gehandeld uit winstbejag.

Hetgeen verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Met betrekking tot feit 1 overweegt de rechtbank het navolgende.

Artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht is met ingang van 1 januari 2005 komen te vervallen. Artikel 273a van het Wetboek van Strafrecht kent met ingang van die datum onder lid 1 sub 3º een bepaling die qua delictsomschrijving geen wezenlijk andere formulering kent dan artikel 250a lid 1 onder 2º, zoals dit tot 1 januari 2005 gold. Aangezien er geen sprake is van een “gunstigste” bepaling behoeft naar het oordeel van de rechtbank ingevolge artikel 1 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht daarvoor niet te worden gekozen.

De rechtbank zal dan ook de bepaling van artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht toepassen, nu deze bepaling gold ten tijde van die feiten.

Per 1 januari 2005 is artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht gewijzigd door het laten vervallen van het begrip winstbejag in het nieuwe lid 1 van genoemd artikel. Dit begrip is nog wel bestanddeel van artikel 197a lid 2 (nieuw) van genoemde wet.

Nu artikel 197a lid 1 (oud) van genoemde wet is tenlastegelegd en bewezen verklaard, zal de rechtbank het “oude” artikel 197a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht toepassen, aangezien toepassing van artikel 197a lid 2 (nieuw) geen voor de verdachte gunstiger situatie oplevert.

Gelet op de jurisprudentie mogen materiële wetswijzigingen immers alleen maar doorwerken ten gunste van verdachte ingeval de wijzigingen blijk geven van een gewijzigd inzicht in de strafwaardigheid van het feit. In het onderhavige geval is daarvan naar het oordeel van de rechtbank geen sprake door de toetreding van, voor zover in dit geval van belang, Polen tot de Europese Unie na de in de onderhavige zaak bewezen geachte periode. Uit de memorie van toelichting met betrekking tot de wijziging van artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht blijkt dat het er bij deze wijziging eerder om gaat mensensmokkel harder aan te pakken en dat het bereik van artikel 197a van genoemde wet wordt uitgebreid tot alle landen van de Europese Unie en Noorwegen en IJsland. Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 1 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht daarom in dit geval niet van toepassing.

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

“medeplegen van een persoon aanwerven met het oogmerk die persoon in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling”,

MEERMALEN GEPLEEGD;

feit 2:

“medeplegen van een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het verblijven in Nederland, terwijl hij weet dat dit verblijf wederrechtelijk is”,

MEERMALEN GEPLEEGD;

feit 3:

“handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een wapen van categorie II”,

en

“handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”.

4b. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Over verdachte is een monodisciplinair rapport opgemaakt door drs. C.W.J. Seegers, psycholoog, gedateerd 24 september 2004, waarin zij concludeert:

Betrokkene is een zeer intelligente man, met een gemengde persoonlijkheidsstoornis, met narcistische, theatrale en antisociale trekken. Dit was zo ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde.

De persoonlijkheidsstoornis beïnvloedde wel het gedrag van betrokkene in die zin dat hij deze vorm van antisociaal gedrag “gekozen” heeft.

Betrokkene is ingesteld op het lustprincipe, dat betekent op een gemakkelijke manier aan de kost komen en primaire behoeftebevrediging. Zijn anale trekken geven hem behoefte aan macht en controle. Wat hij gedaan heeft, indien bewezen, is een gemakkelijke manier om geld te verdienen en het hebben van controle en macht over de vrouwen zal die behoefte ook bevredigen. Hij wist heel goed waarmee hij bezig was en was zich ook bewust van het ontoelaatbare van zijn handelingen. Hij heeft dit echter heel handig vertaald, om het sociaal acceptabel te laten lijken. Dat is een bewust proces en geeft aanleiding om betrokkene volledig toerekeningsvatbaar te achten.

De rechtbank neemt deze conclusie over.

Overeenkomstig deze conclusie kan niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is. Er is voorts ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 24 oktober

2005;

- een voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland, Unit Nijmegen,

gedateerd 28 juni 2004, betreffende verdachte; en

- het hiervoor onder 5 vermelde monodisciplinair rapport opgemaakt door

drs. C.W.J. Seegers, psycholoog, gedateerd 24 september 2004, betreffende

verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich samen met een ander meermalen schuldig gemaakt aan mensenhandel door vrouwen aan te werven voor het werken in de prostitutie. Verder heeft verdachte tezamen met een ander onderdak verschaft aan personen van wie hij wist dat deze illegaal in Nederland verbleven. Hierdoor hebben verdachte en zijn mededader bijgedragen aan het frustreren van het beleid van de Nederlandse overheid met betrekking tot het verblijf van illegalen in Nederland. Verdachte heeft gehandeld uit winstbejag en dit vergroot het risico dat de belangen van de illegale vreemdelingen ondergeschikt worden gemaakt aan het behalen van winst.

Dit zijn ernstige feiten die met hoge straffen zijn bedreigd met name om uitbuiting van vrouwen te voorkomen.

Voorts heeft verdachte een vuurwapen en bijbehorende munitie voorhanden gehad.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat oplegging van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende strafrechtelijk reactie is. De rechtbank neemt in aanmerking dat verdachte in verhouding een milde vorm van mensenhandel heeft uitgeoefend; dat verdachte first offender is op dit gebied en dat het erg lang heeft geduurd voordat deze zaak kon worden afgedaan.

Dit alles geeft de rechtbank aanleiding in aanzienlijke mate af te wijken van de eis van de officier van justitie.

De voorwaardelijke gevangenisstraf dient enerzijds om de ernst van het feit aan te geven en tevens om verdachte ervan te weerhouden zich wederom aan soortgelijke feiten schuldig te maken.

De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedragen betreffen voorwerpen die aan verdachte toebehoren en die door middel van de strafbare feiten sub 1 en 2 zijn verkregen. De rechtbank zal deze geldbedragen daarom verbeurd verklaren.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 33, 33a, 47, 57, 63, 91, 197a (oud) en 250a (oud) van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 26, 55 en 56 van de Wet wapens en munitie.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (TWAALF) MAANDEN.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (ZES) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechtbank stelt een proeftijd vast van twee (2) jaren. De tenuitvoerleg-ging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoer-legging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

de onder veroordeelde inbeslaggenomen geldbedragen.

Aldus gewezen door:

mr. I. de Waal-van Wessem, rechter als voorzitter,

mr. E.G. Smedema, rechter,

mr. A.M. van Gorp, rechter,

in tegenwoordigheid van J.L. de Vos, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 december 2005.