Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU7376

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-10-2005
Datum publicatie
02-12-2005
Zaaknummer
131427
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Volgens gedaagde bestond de samenwerking van partijen er in dat na ontwikkeling van de cursus en de brochure ieder van hen (via de eigen onderneming) de cursus zou gaan verkopen en dan de ander als trainer zou inhuren.

Het hiervoor overwogene brengt mee dat beoordeeld moet worden of de (eenzijdige) beëindiging door gedaagde rechtens effect sorteert, en zo ja of hij daardoor schadeplichtig is geworden jegens eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 131427 / KG ZA 05-574

Datum vonnis: 4 oktober 2005

Vonnis in kort geding

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 16 september 2005,

advocaat en procureur mr. A.F.J.M. Mulders,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. S.A. van Snippenburg te Malden.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. Het verloop van de procedure

1.1. [eiser] heeft [gedaagde] ter terechtzitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd zoals weergegeven in de dagvaarding, met dien verstande dat hij ter zitting zijn eis heeft verminderd zoals hierna vermeld.

1.2. [gedaagde] heeft geconcludeerd tot weigering van de gevraagde voorzieningen.

1.3. De advocaten van beide partijen hebben de zaak bepleit, mr. Mulders overeenkomstig zijn overgelegde pleitnotities. Zij hebben daarbij producties in het geding gebracht.

1.4. Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1. [eiser] en [gedaagde] hebben in 2004/2005 de cursus “Inspirerend Leiderschap” – hierna: de cursus – ontwikkeld.

Ten behoeve daarvan hebben zij tevens een brochure – hierna: de brochure – ontwikkeld, welke brochure als productie 2 door [eiser] in het geding is gebracht. [eiser] en Lanenen worden in de brochure als docenten van de cursus gepresenteerd en er wordt uitleg gegeven over de vier delen (modules) van de cursus.

2.2. Op briefpapier van “Chispa”, een onderneming van [gedaagde], is op 1 maart 2005 aan de ANWB een offerte uitgebracht voor het geven van de cursus met een aantal terugkomdagen na afloop van de cursus. De ANWB heeft de offerte geaccepteerd.

2.3. Op 30 augustus 2005 heeft [gedaagde] aan [eiser] in een gesprek kenbaar gemaakt dat hij in de toekomst zonder [eiser] de cursus wil gaan geven, te beginnen met de vierde module van de cursus aan de ANWB, eind september 2005. De eerste drie modules van de cursus aan de ANWB waren toen al door [gedaagde] en [eiser] samen gegeven.

2.4. De eerste drie modules van de cursus zijn aan de ANWB gefactureerd door Chispa. [eiser] heeft voorafgaand aan ieder van die modules een bedrag van € 8.032,50 inclusief omzetbelasting, gefactureerd aan Chispa voor zijn werkzaamheden in de betreffende module. Chispa heeft die facturen voldaan.

2.5. Bij factuur van 30 augustus 2005 heeft [eiser] voor zijn werkzaamheden in de vierde module van de cursus aan de ANWB Chispa een rekening gestuurd van € 8.032,50 inclusief omzetbelasting. Deze factuur heeft Chispa niet voldaan.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert – zakelijk weergegeven – na vermindering van eis:

a. veroordeling van [gedaagde] om aan [eiser] een voorschot op schadevergoeding te betalen van € 10.000,00;

b. veroordeling van [gedaagde] om op straffe van verbeurte van dwangsommen over de beëindiging van de samenwerking van partijen naar derden niet anders te communiceren dan met de navolgende, of een door de voorzieningenrechter te bepalen, tekst:

“Geachte zakenrelatie,

Bij deze delen wij u mede dat geheel onverwachts de samenwerking en dienstverlening onder de naam “Inspirerend Leiderschap” van [eiser] & [gedaagde] is afgebroken. Wij betreuren dit ten zeerste, zowel naar bestaande als nieuwe klanten. Uiteraard verzekeren wij U bestaande contracten uit te dienen.

Ten aanzien van vervolgopdrachten en nieuwe klanten maken wij U attent op het feit dat [eiser] en [gedaagde] ieder hun eigen expertise en kwaliteit op het vlak van management en leidinggeven, zullen blijven inzetten. Voor nadere informatie raadpleegt U één van onze websites.

Hoogachtend,

[eiser] [gedaagde]

(...)”

c. veroordeling van [gedaagde] om op straffe van verbeurte van dwangsommen de brochure en/of de naam van [eiser] niet meer te gebruiken;

d. veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

[eiser] legt aan het gevorderde voorschot op schadevergoeding ten grondslag dat hij als gevolg van de beëindiging van de samenwerking door [gedaagde], zijn belangrijkste bron van inkomsten verliest. [eiser] houdt [gedaagde] aansprakelijk voor de schade die daarvan het gevolg is, te beginnen met het honorarium voor de vierde module van de cursus aan de ANWB, omdat [gedaagde] volgens [eiser] geen redelijke termijn in acht genomen heeft voor de opzegging van de samenwerking. [eiser] knoopt voor de opzegging aan bij de daarvoor geldende regels van een maatschapsovereenkomst. Omdat het volgens [eiser] geen goede reclame voor partijen is dat hun samenwerking abrupt is geëindigd, vindt [eiser] dat [gedaagde] de brochure, waarin zij samen staan en/of de naam van

[eiser], niet meer mag gebruiken en dat [gedaagde] over de beëindiging van de samenwerking aan derden niet anders bericht dan met de hiervóór weergegeven brief of met een tekst die de voorzieningenrechter geraden acht.

3.2. Volgens [gedaagde] bestond de samenwerking van partijen er in dat na ontwikkeling van de cursus en de brochure ieder van hen (via de eigen onderneming) de cursus zou gaan verkopen en dan de ander als trainer zou inhuren, zoals bij onderaanneming.

Volgens [gedaagde] kon hij op 30 augustus 2005 de samenwerking per direct beëindigen omdat de cursus alleen nog maar verkocht was aan de ANWB. [gedaagde] heeft de samenwerking beëindigd omdat hij geen vertrouwen meer heeft in [eiser].

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Voor toewijzing van een voorschot op schadevergoeding in kort geding moet in ieder geval het bestaan en de omvang van de schadevergoedingsvordering in hoge mate aannemelijk zijn.

Dit betekent dat om het gevorderde voorschot van € 10.000,00 toe te kunnen wijzen het niet alleen in hoge mate aannemelijk moet zijn dat [eiser] in verband met de beëindiging van de samenwerking een schadevergoedingsvordering heeft op [gedaagde], maar ook dat de omvang ervan dusdanig is dat een voorschot van € 10.000,00 reëel is.

4.2. Vaststaat dat partijen gezamenlijk de cursus en de brochure hebben ontwikkeld en dat partijen samen drie van de vier modules van de cursus aan de ANWB hebben gegeven. Voorshands wordt aangenomen dat door deze samenwerking de partijen een maatschapsovereenkomst hebben gesloten, niet slechts voor een bepaald werk (de cursus aan de ANWB) maar voor onbepaalde tijd. Een zodanig overeenkomst is in beginsel opzegbaar, mits om een behoorlijke reden en tegen een redelijke termijn, als gevolg waarvan de maatschap wordt ontbonden. [gedaagde] heeft de overeenkomst op 30 augustus 2005 per direct opgezegd. [eiser] heeft gemotiveerd betwist dat hij daarmee heeft ingestemd. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dat, gelet op het door beide partijen geschetste verloop van hun gesprek op 30 augustus 2005, ook onvoldoende aannemelijk geworden. Het lijkt er eerder op dat [gedaagde] toen zijn aan de beëindiging van de maatschaps-overeenkomst te verbinden gevolgen – krachtig – heeft geformuleerd terwijl [eiser] dat één en ander heeft aangehoord zonder dat daarover een overeenkomst tot stand is gekomen. Daarvoor is noodzakelijk dat [eiser] zijn wil daartoe heeft verklaard of zich dienovereenkomstig heeft gedragen.

4.3. Het hiervoor overwogene brengt mee dat beoordeeld moet worden of de (eenzijdige) beëindiging door [gedaagde] rechtens effect sorteert, en zo ja of [gedaagde] daardoor schadeplichtig is geworden jegens [eiser]. Aangenomen wordt dat [eiser] zich niet (langer) verzet tegen de opzegging als zodanig. Voor zover [eiser] die opzegging al buitengerechtelijk zou hebben vernietigd wegens strijd met de redelijkheid en de billijkheid op grond van art. 7A:1686

lid 1 BW, dan wordt aangenomen dat hij daarop ter zitting is teruggekomen met het intrekken van zijn aanvankelijke vordering die ertoe strekte de samenwerking voort te zetten. Dat doet niet eraan af dat [eiser] er aanspraak op kan maken dat, rekening houdend met zijn belangen, de maatschapsovereenkomst door [gedaagde] zou zijn opgezegd met inachtneming van een redelijke termijn. Daarbij wordt overwogen dat [eiser] inkomsten zou hebben gehad uit de vierde module van de cursus aan de ANWB, als de samenwerking niet was beëindigd. [eiser] was als docent ingepland voor de vierde module. Doordat [gedaagde] de samenwerking heeft beëindigd, is [eiser] de mogelijkheid ontnomen om de vierde module te geven, terwijl hij in plaats daarvan niet aanstonds vervangend werk heeft kunnen vinden. Het is daarom in hoge mate aannemelijk dat [gedaagde] er aansprakelijk voor is dat [eiser] de cursus aan de ANWB niet heeft kunnen afmaken en dat [gedaagde] om die reden aan [eiser] het honorarium voor de vierde module dient te betalen. De vordering tot betaling van een voorschot op schadevergoeding zal daarom worden toegewezen voor een bedrag van € 8.032,50 inclusief omzetbelasting, zijnde het bedrag van de factuur van 30 augustus 2005 voor de vierde module van de cursus aan de ANWB. De voorzieningen-rechter merkt daarbij nog het volgende op. Ter zitting heeft [gedaagde] verklaard dat hij de factuur van 30 augustus 2005 zal gaan voldoen. Indien en voor zover [gedaagde] (of Chispa) in de periode van de zitting tot aan de betekening van dit vonnis de factuur van 30 augustus 2005 heeft voldaan, dient die betaling in mindering te strekken op de hierna te geven veroordeling tot betaling van een voorschot op schadevergoeding. Het is niet in hoge mate aannemelijk dat [gedaagde] aansprakelijk is voor verlies van verdere toekomstige inkomsten van [eiser]. Daar komt bij dat [eiser] niet,

althans onvoldoende, de omvang van zijn toekomstige inkomsten inzichtelijk heeft gemaakt, te meer omdat onvoldoende gebleken is dat de cursus aan meer bedrijven verkocht is of daadwerkelijk verkocht zal worden, dan aan de ANWB.

4.4. De vordering onder 3.1 sub b is niet toewijsbaar omdat [eiser] die vordering te algemeen en daardoor te vaag heeft geformuleerd, door de derden/zakenrelaties niet te concretiseren. Toewijzing van de vordering zou te veel kunnen leiden tot executiegeschillen, hetgeen zoveel mogelijk voorkomen moet worden.

4.5. [gedaagde] heeft toegezegd de brochure niet meer te zullen gebruiken. De vordering onder 3.1 sub c zal om die reden in zoverre worden toegewezen, evenals de gevorderde versterking van het verbod met een dwangsom. Ambtshalve zal de dwangsom gemaximeerd worden zoals hierna vermeld. Het te geven verbod hoeft [gedaagde] niet te schaden omdat hij, gelet op zijn toezegging, het niet zal overtreden. Voor het overige, een verbod om de naam van [eiser] te gebruiken, zal de vordering onder 3.1 sub c worden afgewezen omdat dat deel van de vordering te algemeen is en daardoor executiegeschillen in de hand werkt.

4.6. Nu geen van partijen grotendeels in het ongelijk is gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [gedaagde] om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] als voorschot op schadevergoeding een bedrag te betalen van € 8.032,50 als [gedaagde] ten tijde van de betekening aan hem van dit vonnis niet kan aantonen dat hij of Chispa de factuur met nummer 0200577 van [eiser], ten bedrage van

€ 8.032,50 inclusief omzetbelasting, heeft voldaan;

5.2. verbiedt [gedaagde] om exemplaren van de brochure die als productie 2 door [eiser] in het geding is gebracht, te gebruiken;

5.3. veroordeelt [gedaagde] om een dwangsom aan [eiser] te betalen van € 1.000,00 voor iedere keer dat hij het verbod onder 5.2. overtreedt, met een maximum van in totaal € 25.000,00;

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5. weigert het anders of meer gevorderde;

5.6. compenseert de kosten van dit kort geding, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.G. Roovers en in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.J. Daggenvoorde uitgesproken op 4 oktober 2005.