Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU6849

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-11-2005
Datum publicatie
24-11-2005
Zaaknummer
AWB 05/1500
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het terugvorderingsbesluit van 16-1-1998 is van rechtswege een executoriale titel. De brief van 10-4-2002 waarin verweerder de woorden “in Naam der Koningin” heeft toegevoegd, is dan ook geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het daartegen gemaakte bezwaar is door verweerder terecht niet ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 05/1500

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiseres]

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. F. Jagersma,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tiel, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 1 april 2005.

2. Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 1998 is aan eiseres meegedeeld dat van haar, gezien haar hoofdelijke aansprakelijkheid, een bedrag van fl. 81.708,90 (thans € 37.077,78) wordt teruggevorderd vanwege ten onrechte ontvangen bijstand over de periode van 1 september 1993 tot en met 30 juni 1997.

Bij brief van 10 april 2002 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat “In naam der Koningin” wordt overgegaan tot terugvordering van bijstand ten bedrage van € 37.077,78 gezien voornoemd terugvorderingsbesluit van 16 januari 1998.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het hiertegen ingediende bezwaar (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 26 oktober 2005. Namens eiseres zijn aldaar verschenen, de heer [X] en mr. F. Jagersma, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. D.J. Stoffer, ambtenaar bij verweerders gemeente.

3. Overwegingen

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat het primaire besluit overduidelijk niet op nieuwe beoogde rechtsgevolgen is gericht en derhalve niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het bezwaar van eiseres is daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb aangezien de brief van 10 april 2002 als een nieuw terugvorderingsbesluit moet worden gezien waardoor het besluit van 16 januari 1998 is komen te vervallen. Eiseres stelt, subsidiair, dat er sprake is van een appellabel besluit omdat daarmee wordt beoogd een executoriale titel te creëren nu het besluit van 16 januari 1998 op zichzelf genomen geen grondslag biedt voor het leggen van loonbeslag.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het geschil beperkt zich naar het oordeel van de rechtbank tot de vraag of verweerder het bezwaar van eiseres terecht niet ontvankelijk heeft verklaard omdat de brief van 10 april 2002, aldus verweerder, geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De vraag of eiseres tijdig bezwaar heeft gemaakt en de vraag of zij nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het in voormelde brief vervatte standpunt nu verweerder in het verweerschrift van 5 juli 2005 te kennen heeft gegeven niet meer tot terugvordering te zullen overgaan, behoeven derhalve geen bespreking.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit - waartegen op grond van artikel 7:1 in samenhang met artikel 8:1 van de Awb een bezwaarschrift kan worden ingediend - verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

De rechtbank stelt vast dat het (rechtens onaantastbare) terugvorderingsbesluit van 16 januari 1998 ingevolge het bepaalde in het toentertijd van kracht zijnde artikel 87, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) van rechtswege een executoriale titel oplevert in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Ingevolge het tweede lid van genoemde bepaling in verbinding met artikel 14f van de Abw, biedt het besluit tot terugvordering grondslag om zonder tussenkomst van de rechter over te gaan tot dwanginvordering. Het hiervoor overwogene brengt mee dat de brief van 10 april 2002 moet worden gezien als een herhaling dan wel bevestiging van het besluit van 16 januari 1998. De in genoemde brief vermelde aanhef “In naam der Koningin” doet daaraan niet af. Gelet hierop is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het primaire besluit op zichzelf beschouwd niet gericht is op enig rechtsgevolg en derhalve geen publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt.

Naar het oordeel van de rechtbank is de brief van 10 april 2002 dan ook geen appelabel besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Uit het hetgeen hierboven is overwogen volgt tevens dat verweerder op goede gronden gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid het bestreden besluit te nemen zonder eiseres te horen (artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb).

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient mitsdien ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank ziet om die reden geen aanleiding voor vergoeding van de schade op grond van artikel 8:73 van de Awb. Het verzoek van eiseres om verweerder te veroordelen tot schadevergoeding moet dan ook worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. E. Klein Egelink, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. R. Zijmers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2005.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: