Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU6310

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-11-2005
Datum publicatie
16-11-2005
Zaaknummer
AWB 05/843
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft bij besluit van 20 juli 2004 de vrijwillige verzekering krachtens de Ziektewet (Zw) van eiseres ingaande 26 juni 2004 beëindigd, daarbij vaststellende dat beëindiging met terugwerkende kracht niet mogelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 05/843

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiseres], eiseres,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door R.T. van Baarlen,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 17 februari 2005.

2. Procesverloop

Naar aanleiding van een brief van eiseres van 26 juni 2004 heeft verweerder bij besluit van 20 juli 2004 de vrijwillige verzekering krachtens de Ziektewet (Zw) van eiseres ingaande 26 juni 2004 beëindigd, daarbij vaststellende dat beëindiging met terugwerkende kracht niet mogelijk is.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 15 september 2005. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door R.T. van Baarlen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door L.E. Willemen, werkzaam bij het UWV te Amsterdam.

3. Overwegingen

Eiseres is als zelfstandige (eenmanszaak) door verweerder medio 1991 toegelaten tot (onder meer) de vrijwillige Zw-verzekering. Per 1 januari 1999 heeft eiseres haar bedrijf ingebracht in een BV, met eiseres als directeur-grootaandeelhouder (dga). Zij heeft verweerder daarvan toen niet op de hoogte gebracht, omdat zij meende dat dit niet van invloed was op bedoelde verzekering.

Bij “algemene” brief van 14 juni 2004 heeft verweerder eiseres als vrijwillig verzekerde op de hoogte gebracht van wetswijzigingen per 1 januari 2004. Daarin is onder meer aangegeven dat een dga geen vrijwillige ZW-verzekering kan afsluiten, wegens het recht op loondoorbetaling. In reactie daarop heeft eiseres bij brief van 26 juni 2004 aan verweerder de vraag voorgelegd hoe zich dat verhoudt tot de door haar - als dga- sinds 1999 betaalde premie voor de vrijwillige Zw-verzekering.

Verweerder heeft daarop bij besluit van 20 juli 2004 vastgesteld dat op verzoek van eiseres haar vrijwillige Zw-verzekering per 26 juni 2004 is beëindigd. Beëindiging van de verzekering met terugwerkende kracht, zoals door eiseres gevraagd, is volgens verweerder niet mogelijk. De betaalde premies worden dan ook niet gerestitueerd. Het bezwaar van eiseres tegen dat besluit is ongegrond verklaard.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen en is van mening dat de vrijwillige Zw-verzekering met terugwerkende kracht tot 1 januari 1999 beëindigd had moeten worden. Volgens eiseres ontbrak sindsdien een wettelijke grondslag voor deze verzekering en heeft verweerder bovendien geen risico gelopen omdat eventueel ten onrechte uitgekeerde vergoedingen als onverschuldigd betaald teruggevorderd hadden kunnen worden.

De rechtbank overweegt als volgt.

In dit geding gaat het om de vraag of verweerder terecht de vrijwillige Zw-verzekering (pas) ingaande 26 juni 2004 heeft beëindigd.

Artikel 67a van de Ziektewet luidt, voor zover hier van belang, als volgt.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beëindigt de vrijwillige verzekering:

a. op verzoek van de vrijwillig verzekerde met ingang van een door hem te bepalen datum;

(..)

De rechtbank stelt vast dat deze bepaling niet in de weg staat aan beëindiging van de verzekering met terugwerkende kracht. De beslissing om in situaties als de onderhavige niet met terugwerkende kracht te beëindigen berust blijkens het verhandelde ter zitting op beleid van verweerder en zijn voorgangers. Dit beleid komt erop neer dat tegenover het dragen van verzekerd risico premieheffing dient te staan, zodat een verzekering achteraf niet ongedaan kan worden gemaakt.

In navolging van de Centrale Raad van Beroep (uitspraken van onder meer 16 november 1988, RSV 1989/43 en 10 december 1998, RSV 1999/147), is de rechtbank van oordeel dat dit beleid de rechterlijke toets kan doorstaan.

De rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in dit geval van toepassing van dit beleid had behoren af te zien. Zoals in het bestreden besluit is aangegeven, komt de omstandigheid dat eiseres ervoor heeft gekozen om het feit dat zij dga was geworden niet aan verweerder te melden geheel voor haar eigen rekening. Bij twijfel had eiseres eenvoudig informatie bij verweerder kunnen inwinnen. Verweerder kan bij dit verzuim niet worden verweten dat hij zelf niet het initiatief tot beëindiging van de verzekering heeft genomen.

Het voorgaande betekent dat eiseres niet kan worden gevolgd in haar stelling dat een wettelijke grondslag voor de vrijwillige verzekering heeft ontbroken en dat ook het standpunt dat verweerder materieel gezien geen verzekerd risico heeft gelopen moet worden verworpen.

Ten slotte heeft eiseres aangevoerd dat verweerder niet tijdig heeft beslist op het bezwaar en dat haar daarom vergoeding van immateriële schade toekomt, zulks onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 december 2004, gepubliceerd in RSV 2005/71.

De rechtbank stelt in dit verband vast dat ten tijde van het bestreden besluit de wettelijke beslistermijn van artikel 74 van de Zw met minder dan drie maanden was overschreden. Mede gezien de aard van de zaak is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake van schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, zodat reeds daarom geen aanspraak bestaat op vergoeding van immateriële schade. De enkele overschrijding van de wettelijke beslistermijn geeft nog geen aanspraak op vergoeding.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het bestreden besluit geen doel treffen.

Het beroep dient mitsdien ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek tot vergoeding van schade af.

Aldus gegeven door mr. E.M. Vermeulen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.C.G. Sturkenboom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2005.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 14 november 2005