Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU6309

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-07-2005
Datum publicatie
16-11-2005
Zaaknummer
AWB 04/1000
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2006:AW7309
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerders hebben op grond van artikel 12, vierde lid, van de Financiële-verhoudingswet (Fvw) aan de gemeente Geldermalsen een aanvullende uitkering uit het gemeentefonds verleend.

Verweerders hebben een gedeelte van deze aanvullende uitkering teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 04/1000

Uitspraak

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geldermalsen, eiser,

gevestigd te Geldermalsen,

en

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Financiën, verweerders, vertegenwoordigd door mr. E.J. Daalder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerders van 11 maart 2004.

2. Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 1999 hebben verweerders op grond van artikel 12, vierde lid, van de Financiële-verhoudingswet (Fvw) aan de gemeente Geldermalsen een aanvullende uitkering uit het gemeentefonds verleend.

Bij besluit van 9 april 2003 hebben verweerders een gedeelte van deze aanvullende uitkering teruggevorderd. Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit hebben verweerders het daartegen door eiser ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit met een nadere motivering gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerders is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 25 mei 2005. Eiser heeft zich aldaar doen vertegenwoordigen door J.M.M.H. Thomas, gemeentesecretaris en L.J.H. van Dam, ambtenaar van de gemeente Geldermalsen. Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door mr. E.J. Daalder, en de heer J.J.E.M. van Setten, gemachtigden.

3. Overwegingen

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Fvw kunnen de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Financiën, op aanvraag van een gemeente, aan de gemeente over een uitkeringsjaar een aanvullende uitkering verlenen.

Op grond van het vierde lid van dit artikel kunnen de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Financiën een verleende aanvullende uitkering verminderen of intrekken indien:

a. de financiële positie van de gemeente verbetert;

b. de gemeente in strijd handelt met een wettelijk voorschrift dat betrekking heeft op de aanvullende uitkering, of met een voorschrift dat aan het besluit tot verlening van de aanvullende uitkering is verbonden.

De rechtbank is uit de gedingstukken gebleken als volgt.

Op 25 november 1997 heeft de raad van de gemeente Geldermalsen de begroting voor het jaar 1998 gesloten met een tekort van f. 14.098.487. Op diezelfde datum heeft de raad besloten een aanvullende uitkering uit het gemeentefonds te vragen.

De Inspectie Financiën lokale en provinciale overheden (hierna: de Inspectie) heeft in een rapport van 23 oktober 1998 verweerders geadviseerd om voor het jaar 1998 aan Geldermalsen aanvullende steun uit het gemeentefonds toe te kennen ter hoogte van het zogenoemde relevant begrotingstekort over 1998 (f 8.813.000). Het advies is mede gebaseerd op de meerjarenbegroting 1999-2003 van Geldermalsen. In deze meerjarenbegroting zijn kapitaallasten opgenomen ten behoeve van de nieuwbouw van een schoolgebouw (De Lingeborgh). Bij de berekening van het relevant begrotingstekort zijn deze kapitaallasten voor 1998 ten behoeve van De Lingeborgh geschrapt. De Inspectie heeft in het advies verder geconcludeerd dat de voor de jaren 1999-2003 geraamde resultaten een blijvend tekort laten zien en dat de betreffende jaarschijven aan het terugdringen van het relevant begrotingstekort geen bijdrage konden leveren.

Bij besluit van 3 maart 1999 hebben verweerders aan eiser een aanvullende uitkering uit het gemeentefonds verleend voor 1998 ten bedrage van € 3.999.165 (f 8.813.000).

Uit een provinciaal verslag over de begroting Geldermalsen 2000 is verweerders gebleken van een vrijval van lasten van f 770.000 (€350.000), welke verband houdt met een school die wordt gebouwd op kosten van een aannemer.

Verweerders hebben eiser naar aanleiding van deze vrijval van lasten bij brief van 22 juni 2000 verzocht om informatie. Uit door eiser verstrekte informatie is hen vervolgens gebleken dat op 24 maart 1997 een intentie-overeenkomst is gesloten tussen de gemeente Geldermalsen en een aannemer, waarin basis-afspraken zijn neergelegd over de bouw van een scholencomplex voor rekening en risico van de aannemer. Als tegenprestatie dient de gemeente Geldermalsen bepaalde (bouw)gronden te leveren tegen de boekwaarde.

Verweerders hebben advies gevraagd bij Gedeputeerde Staten van Gelderland en de Raad voor de Financiële Verhoudingen, welke instanties op respectievelijk 7 november 2002 en 3 februari 2003 advies aan verweerders hebben uitgebracht.

Vervolgens hebben verweerders op 9 april 2003 besloten om €350.000 van de in 1999 verstrekte aanvullende uitkering uit het gemeentefonds terug te vorderen. Dat besluit is bij het thans bestreden besluit onder het geven van een nadere motivering gehandhaafd.

Verweerders hebben aan het bestreden besluit - samengevat - ten grondslag gelegd dat bij de vaststelling van de aanvullende uitkering rekening is gehouden met de kapitaallasten die in de meerjarenbegroting 1999-2003 van Geldermalsen waren opgenomen ten behoeve van de Lingeborgh. Doordat deze kapitaallasten deels voor rekening van een aannemer zijn gekomen is volgens verweerders sprake van een verbeterde financiële positie van de gemeente. Met deze omstandigheden zou volgens verweerders rekening zijn gehouden als deze ten tijde van de aanvraag om een aanvullende uitkering bekend zouden zijn geweest.

Eiser heeft daartegen samengevat aangevoerd dat hij bij de totstandkoming van de aanvullende uitkering alle informatie heeft verschaft die met betrekking tot de financiering van de nieuwbouw van de Lingeborgh bekend was, inclusief de bijbehorende onzekerheden. Van onjuiste informatieverschaffing is volgens eiser in het geheel geen sprake. Hij heeft er op gewezen dat uit een advies van Gedeputeerde Staten van Gelderland van 7 november 2002 blijkt dat hem geen verwijt kan worden gemaakt. Mede gezien het feit dat de verleende aanvullende uitkering een afkoopsom betrof, is van een aanvaardbare risicoverdeling tussen partijen volgens eiser geen sprake. Hij acht het niet redelijk dat verweerders thans nog (gedeeltelijk) op de toegekende afkoopsom terugkomen, te minder nu uit het schrappen van de kapitaallasten bij de bepaling van het relevante begrotingstekort, mag worden afgeleid dat de Inspectie bij het uitbrengen van haar advies op de hoogte was of behoorde te zijn van de feitelijke stand van zaken en relevante omstandigheden van het project de Lingeborgh.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van de hiervóór genoemde feiten stelt de rechtbank vast dat verweerders bij het toekennen van aanvullende steun aan de gemeente Geldermalsen rekening hebben gehouden met de in de begroting 1998-2002 opgenomen kapitaallasten voor de Lingeborgh. Weliswaar zijn de kapitaallasten bij het vaststellen van het relevant begrotingstekort over 1998 uit het feitelijk begrotingstekort geschrapt, maar tevens is bezien in hoeverre de geraamde resultaten voor 1999-2003 ruimte boden om het tekort terug te dringen. Aangezien verweerders hebben geconcludeerd dat daarvoor geen ruimte aanwezig is, terwijl in de jaarschijven 1999-2001 van de begroting de kapitaallasten voor de Lingeborgh waren opgenomen, moet worden geconcludeerd dat deze kapitaallasten mede bepalend zijn geweest voor de hoogte van de aanvullende uitkering.

Verder staat vast dat de betreffende kapitaallasten gedeeltelijk zijn vrijgevallen, waardoor sprake is van een verbeterde financiële positie van de gemeente.

In paragraaf 3.9 van de Memorie van toelichting bij de Fvw heeft de wetgever aandacht besteed aan de aanvullende uitkering, waarbij de situaties waarin de verbetering van de financiële positie van de betrokken gemeente tot vermindering van de uitkering dient te leiden op grond van artikel 12, vierde lid, nader zijn uitgewerkt. De wetgever blijkt daarbij onder meer te hebben gedacht aan de volgende situatie:

“Daarnaast achten wij het ook gewenst de aanvullende uitkering te kunnen verminderen als de hoogte ervan naar achteraf blijkt op onjuiste of achterhaalde informatie berust, dan wel wanneer de budgettaire positie van de gemeente aanmerkelijk verbetert als gevolg van omstandigheden waarmee bij de bepaling van de hoogte van de aanvullende uitkering rekening zou zijn gehouden als ze op het moment van bepaling bekend zouden zijn geweest.” ( Tweede kamer, vergaderjaar 1995-1996, nr. 3 blz. 39)

Naar het oordeel van de rechtbank doet laatstgenoemde, door de wetgever bedoelde situatie zich hier voor. Het is voldoende aannemelijk dat door verweerders met de in 1997 gesloten intentie-overeenkomst bij de bepaling van de hoogte van de aanvullende uitkering rekening zou zijn gehouden als zij daarmee bekend waren geweest. De rechtbank kan zich daarbij vinden in het standpunt van de Raad voor de financiële verhoudingen, zoals dit tot uitdrukking is gebracht in het advies van 3 februari 2003. In dat advies is opgemerkt dat ook indien de uitkomsten van het overleg met de aannemer nog onzeker waren geweest, tijdige kennis van deze informatie invloed op de aanvullende steun zou hebben gehad, in die zin dat dan mogelijk gekozen was voor voorwaardelijke steunverlening met terugbetalingsverplichting.

Voldoende aannemelijk is verder dat verweerders ten tijde van het verlenen van de aanvullende uitkering niet bekend waren of redelijkerwijs konden zijn met de tussen de gemeente en de aannemer reeds gemaakte (basis)afspraken. Voor een andersluidend oordeel heeft de rechtbank geen steun kunnen vinden in de gedingstukken.

Nu verder vaststaat dat de financiële positie van de gemeente door de vrijval van kapitaallasten is verbeterd, moet worden geconcludeerd dat verweerders bevoegd waren om tot (gedeeltelijke) terugvordering van de aanvullende uitkering over te gaan.

De door eiser aangevoerde omstandigheden geven de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat verweerders van terugvordering hadden moeten afzien. Aan eiser kan worden toegegeven dat hem niet het verwijt kan worden gemaakt bewust informatie te hebben achtergehouden of onjuiste informatie te hebben verschaft. Verwijtbaarheid aan de zijde van de gemeente is echter geen voorwaarde voor het corrigeren van een - naar achteraf blijkt - onjuist vastgestelde aanvullende uitkering. Verweerders hebben aan die omstandigheid bij de belangenafweging ook niet die betekenis hoeven toekennen die eiser eraan gehecht wil zien.

De stelling van eiser dat hier sprake zou zijn van een afkoopsom doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan het feitelijke karakter van de aan de gemeente verleende aanvullende uitkering. Verweerders hebben in het verweerschrift terecht opgemerkt dat sprake is van een eenmalige saneringsbijdrage voor meerdere jaren, welke niet het karakter van een afkoopsom in de door eiser bedoelde zin heeft.

De rechtbank is resumerend van oordeel dat verweerders de belangen die met terugvordering zijn gediend - met name het belang dat bij het verstrekken van een aanvullende uitkering geen zwaarder beroep op andere gemeenten wordt gedaan dan strikt noodzakelijk - hebben kunnen laten prevaleren boven de belangen van eisers gemeente.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen.

Het beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.J. Penning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. G.W.B. Heijmans, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2005.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 6 juli 2005