Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU5747

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-10-2005
Datum publicatie
08-11-2005
Zaaknummer
AWB 05/1034
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minas. Eiser betwist handtekening op afleveringsbewijs. Levering mest niet bewezen. Passeren bewijsaanbod.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet 38
Meststoffenwet 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2005/5214
V-N 2006/15.7 met annotatie van Redactie
FutD 2005-2204
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/1034

Uitspraakdatum: 28 oktober 2005

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X[gemachtigde],

[gemachtigde]

en

de inspecteur van de Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: LNV), [gemachtigde]

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser over het jaar 1999 een naheffingsaanslag fosfaatheffing opgelegd ten bedrage van € 10.508,19 (? 23.157), een naheffingsaanslag bestemmingsheffing ten bedrage van € 181,51 (? 400) alsmede bij beschikking een boete ten bedrage van € 5.344 (50% van (€ 10.508,19 + 181,51)).

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslagen en de boete gehandhaafd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij en behoren tot de stukken van het geding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2005 te Arnhem. Daar zijn verschenen eiser en zijn [gemachtigde], alsmede [gemachtigde] namens verweerder.

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. De rechtbank rekent deze pleitnota’s tot de stukken van het geding.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. De feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

Op 17 augustus 2000 heeft eiser over het jaar 1999 opgaaf gedaan bij beperkte vrijstelling voor Minas. Daarbij heeft eiser een fosfaatproduktie van eigen dieren aangegeven van 134 kg en een fosfaataanvoer van bemonsterde en geanalyseerde dierlijke meststoffen van 7.426 kg. De totaal aangegeven hoeveelheid fosfaat bedroeg 7.560 kg. Eiser heeft 2,35 ha grasland en 75,52 ha bouwland.

Verweerder heeft de door eiser in de opgaaf verstrekte gegevens gecontroleerd aan de hand van de gegevens van de Algemene inspectiedienst (hierna: AID) en geconstateerd dat eiser een partij korrels gedroogde pluimveemest met een fosfaataanvoer van 1.059 kg niet in de opgaaf heeft vermeld. Daarnaast heeft verweerder uit de onderzoeksresultaten van de AID geconcludeerd dat eiser een levering van een partij mest met een f[A]er van 1.325 kg door [A] (hierna: [A]) op 27 maart 1999 niet heeft aangegeven. Verweerder heeft de door eiser aangegeven hoeveelheid fosfaataanvoer van dierlijke meststoffen daarom met in totaal 2.384 kg verhoogd naar 9.810 kg.

Als gevolg van deze twee correcties voldoet eiser niet aan de voorwaarden voor de vrijstelling voor Minas. Verweerder heeft daarom onderhavige naheffingsaanslagen opgelegd, waarbij de heffing is berekend volgens de forfaitaire methode (de zogeheten forfaitaire mineralenheffing). Tevens heeft verweerder een vergrijpboete opgelegd, berekend naar een percentage van 50% over het totaalbedrag van de niet betaalde heffingen.

3. Het geschil

In geschil is of:

- verweerder de aangegeven hoeveelheid aangevoerde fosfaat in verband met de levering mest door [A] terecht heeft gecorrigeerd,

- de naheffingsaanslag fosfaatheffing terecht volgens de forfaitaire methode is berekend, en ten slotte of

- de vergrijpboete terecht is opgelegd.

Eiser beantwoordt deze vragen ontkennend en verweerder bevestigend. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat de naheffingsaanslag bestemmingsheffing niet in geschil is.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van de naheffingsaanslag fosfaatheffing en vernietiging van de boetebeschikking. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Correcties aanvoer fosfaat op dierlijke meststoffen

Artikel 38 van de Meststoffenwet bepaalt aan welke voorwaarden bedrijven moeten voldoen om te zijn vrijgesteld van de Minasheffingen en dientengevolge van het doen van Minas-aangifte. In het eerste lid, aanhef en onderdeel b, van voornoemd artikel is de voor dit geschil van belang zijnde voorwaarde uitgewerkt, de zogenoemde aanvoernorm. Eiser is op grond van deze aanvoernorm vrijgesteld van fosfaatheffing indien de hoeveelheid aangevoerde overige organische meststoffen en de hoeveelheid geproduceerde dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, per kalenderjaar minder is dan 7.834 kg (2,35 ha * 120 kg fosfaat + 75,52 ha * 100 kg fosfaat).

Tussen partijen is niet in geschil dat de aangegeven hoeveelheid aangevoerde fosfaat terecht met 1.059 kg is verhoogd in verband met de aanvoer van korrels gedroogde pluimveemest. Deze eerste correctie heeft reeds tot gevolg dat de hoeveelheid fosfaat de aanvoernorm van 7.834 kg fosfaat overschrijdt, zodat eiser ten onrechte heeft verzuimd de verschuldigde fosfaatheffing op aangifte te voldoen.

De tweede correctie van verweerder bestaat uit een verhoging van de aangegeven hoeveelheid aangevoerde fosfaat met 1.325 kg wegens een levering op 27 maart 1999 door [A] aan eiser. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn correctie een afleveringsbewijs met nummer [001] overgelegd, waarop zowel een handtekening van leverancier als van afnemer staan vermeld. De analyseresultaten van de mest zijn door het laboratorium aan de Dienst Regelingen verstrekt, waardoor verweerder de hoeveelheden fosfaat en stikstof mee kon nemen in de (controle)berekening van de aanvoer van bemonsterde en geanalyseerde dierlijke meststoffen.

Eiser betwist dat voornoemde levering heeft plaatsgevonden. Het afleveringsbewijs dat verweerder als bewijs voor de levering heeft overgelegd is niet door hem ondertekend. Hij stelt dat de handtekening die onder het kopje “afnemer” is geplaatst niet van hem afkomstig is. Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst hij naar de afwijkende handtekening die op de opgaaf bij beperkte vrijstelling 1999 is geplaatst en welke opgaaf tot de gedingstukken behoort. Ter zitting zijn, bij gebreke van het kunnen overleggen van (een kopie van) zijn identiteitsbewijs, door eiser voorts een vijftal handtekeningen geplaatst op een vel papier. De rechtbank stelt vast dat deze vijf handtekeningen meer lijken op de handtekening op de opgaaf dan op de handtekening op het afleveringsbewijs.

Nu eiser de levering door [A] gemotiveerd betwist, dient verweerder aannemelijk te maken dat deze levering feitelijk heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hierin niet geslaagd. Verweerder heeft naast het gewraakte afleveringsbewijs geen andere stukken of gegevens kunnen overleggen, die steun bieden aan zijn stelling dat [A] mest heeft geleverd aan eiser. Verweerder heeft niet betwist dat de handtekening op de opgaaf de handtekening van eiser is. Verweerder stelt dat ook op andere afleveringsbewijzen, die niet zijn overgelegd, handtekeningen zijn geplaatst die gelijkenis vertonen (“naam voluit geschreven”) met de handtekening op het gewraakte bewijs. Maar zelfs in het geval de rechtbank zich kan vinden in deze waarneming, dan heeft verweerder daarmee nog steeds niet aannemelijk gemaakt dat de bewuste levering door [A] aan eiser feitelijk heeft plaatsgevonden. Immers, ook als de handtekeningen op de andere afleveringsbewijzen overeen komen met die op het in geding zijnde afleveringsbewijs, volgt daaruit nog niet dat eiser die handtekeningen heeft gezet. Het aanbod van verweerder om alsnog deze andere afleveringsbewijzen te overleggen, wordt door de rechtbank dan ook gepasseerd.

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder de hoeveelheid aangevoerde fosfaat ten onrechte heeft verhoogd met 1.325 kg en dat de naheffingsaanslag fosfaatheffing dienovereenkomstig dient te worden verminderd. Het beroep is gegrond.

Eisers grief dat verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel bij de tweede correctie heeft geschonden, behoeft derhalve geen bespreking meer.

Schending evenredigheidsbeginsel

Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat verweerder het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden nu hij hem niet in de gelegenheid heeft gesteld om alsnog verfijnde aangifte te doen, hetgeen tot een lagere naheffingsaanslag zou hebben geleid dan de onderhavige aanslag die op basis van de forfaitaire methode is vastgesteld.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. De Meststoffenwet geeft belastingplichtigen in beginsel de keuzemogelijkheid om forfaitaire dan wel verfijnde aangifte te doen. In artikel 22 van de Meststoffenwet is daartoe bepaald dat ten aanzien van een tijdig daartoe aangemeld bedrijf niet de forfaitaire mineralenheffingen, maar de “verfijnde mineralenheffingen” worden geheven. Blijkens de parlementaire geschiedenis van deze bepaling is tijdige aanmelding noodzakelijk in verband met het toezicht op de naleving van de bijzondere regels die bij deelname aan het verfijnde spoor gelden (MvA, Kamerstukken II 1996/97, 24 782, nr. 5, p. 4-5).

Niet in geschil is dat eiser zich niet (tijdig) heeft aangemeld voor de verfijnde mineralenheffingen, zodat eiser van rechtswege onder de forfaitaire heffingen valt. De bevoegdheid tot het opleggen van een naheffingsaanslag fosfaatheffing berekend over de heffingsgrondslag van de forfaitaire heffingen vloeit rechtstreeks voort uit de niet-tijdige voldoening van de op aangifte verschuldigde heffing. Schending van het evenredigheidsbeginsel kan in dat geval niet aan de orde komen. Voor zover eiser tevens heeft bedoeld te stellen dat de wetgever het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden, kan die grief evenmin doel treffen. De rechtbank is niet bevoegd een wet in formele zin te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel.

Uit vorenstaande volgt dat verweerder de naheffingsaanslag fosfaatheffing terecht volgens de forfaitaire methode heeft berekend.

Boete

Gelet op het hiervoor overwogene dient de boete voor zover die betrekking heeft op de correctie wegens de levering door [A] te vervallen. Ter beoordeling staat derhalve de vergrijpboete voor zover deze betrekking heeft op de bestemmingsheffing en de fosfaatheffing over de levering van korrels gedroogde pluimveemest.

Artikel 26 van de Beleidsregels bestuurlijke boeten Bureau Heffingen 1999 (BBBBH) bepaalt -voor zover van belang- dat als het aan opzet of grove schuld van de heffingplichtige te wijten is dat een verschuldigde forfaitaire mineralenheffing of de verschuldigde bestemmingsheffing niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig is betaald, de inspecteur een vergrijpboete oplegt. Op grond van artikel 23 van de BBBBH past de inspecteur bij het berekenen van het bedrag van de vergrijpboete ingeval van grove schuld een percentage van 50% toe. Grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid (artikel 22, tweede lid, van de BBBBH).

Vast staat dat de levering van korrels gedroogde pluimveemest door eiser niet in de opgaaf is meegenomen omdat op het moment van invullen van de opgaaf geen overzicht van het eerste kwartaal aanwezig was en het wel aanwezige jaaroverzicht geen melding maakte van deze levering.

Het niet opgeven van de levering van korrels gedroogde pluimveemest, ook als dit het gevolg was van het ontbreken van een juist overzicht, is naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als grove onachtzaamheid aan de zijde van eiser en daarmee als grove schuld. Dit betekent dat verweerder terecht een vergrijpboete wegens grove schuld heeft opgelegd en het bedrag van de boete terecht heeft berekend naar een percentage van 50%. Naar het oordeel van de rechtbank is deze boete (50% van (€ 181,51 + € 4.495)) in het onderhavige geval passend en geboden.

Eiser heeft nog aangevoerd dat de boete dient te vervallen of te worden gematigd omdat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. De redelijke termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd (Hoge Raad 22 april 2005, nr. 37984). Naar het oordeel van de rechtbank sluit eiser voor de aanvang van deze termijn ten onrechte aan bij het eerste verhoor eind 2001. Naar het oordeel van de rechtbank is vorenbedoelde termijn pas aangevangen op het moment dat vanuit Bureau Heffingen per brief van 25 november 2004 aan eiser het voornemen tot het opleggen van een vergrijpboete kenbaar is gemaakt. Nu de rechtbank binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen uitspraak doet, is geen inbreuk gemaakt op het aan de beboete toegekende recht op berechting binnen redelijke termijn. Het beroep faalt in zoverre.

5. Proceskosten

In de omstandigheden van het geval vindt de rechtbank aan-lei-ding verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kos-ten die eiser in verband met de behande-ling van het beroep redelij-kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). De rechtbank wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag fosfaatheffing tot een berekend naar een bedrag van € 4.495;

- herroept het primaire boetebesluit en stelt de boete nader vast op € 2.338;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door eiser betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. J.J. Catsburg, voorzitter, mr. J.H.M. Delnooz-Engels en mr. drs. L. Klein Tank, rechters. De beslissing is op 28 oktober 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. I. Linssen, griffier.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem

; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.