Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU5733

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-10-2005
Datum publicatie
08-11-2005
Zaaknummer
AWB 05/1651
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Havengeld. Water in eigendom van een derde dat niet voor de openbare dienst is bestemd in de zin van artikel 229 Gemeentewet.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 229
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2006/196
FutD 2005-2175 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/1651

Uitspraakdatum: 20 oktober 2005

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[X],

wonende te [Z],

eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Arnhem,

verweerder,

[gemachtigde].

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft van eiser havengeld geheven over 2005 door middel van een nota van 19 januari 2005, die ingevolge artikel 4 van de Verordening op de heffing en de invordering van scheepvaartrechten 2005, hierna: de Verordening, geldt als aanslag(biljet) in de zin van artikel 233a Gemeentewet.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerder bij de uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder en behoren tot de stukken van het geding. Verweerder heeft op verzoek van de rechtbank de bewijzen van publicatie van de Verordening en van de bij verweerschrift overgelegde mandaat- en aanwijzingsbesluiten aan de rechtbank doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2005 te Arnhem.

Partijen zijn daar verschenen.

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. De rechtbank rekent deze pleitnota’s tot de stukken van het geding.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. De feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

Eiser is eigenaar van een tjalk, genaamd [A]. De tjalk heeft een lengte van 22 meter. Eiser is met enige regelmaat op de tjalk aanwezig en vaart er af en toe mee met vrienden en familie.

Eiser heeft vanaf 1976 in de [a-haven] te [Q] een ligplaats gehad voor zijn tjalk. Op de locatie van de ligplaats is in 2002 een scheepsrestauratiebedrijf gesitueerd. Gevolg daarvan was uiteindelijk dat eiser zijn tjalk vanaf 21 maart 2004 niet langer op die plaats kon afmeren. Verweerder heeft andere ligplaatsen aangeboden, maar deze waren voor eiser niet acceptabel. Uiteindelijk is eiser met zijn tjalk aangemeerd aan een steiger van [het Industriepark], in de zogenaamde [b-haven], een verlengstuk van de [a-haven].

Het Industriepark heeft aan eiser toegestaan om aan de steiger te blijven liggen. Als eiser de tjalk via de kade wil betreden en verlaten, moet hij aan het Industriepark € 1.000,- exclusief BTW per jaar betalen. Voor dat geld krijgt hij dan ook recht op een parkeerplaats, alsmede op het gebruik van de portiersdienst, de beveiligingsdienst en de bedrijfsbrandweer. Eiser is (vooralsnog) niet op dit aanbod ingegaan, zodat hij zijn tjalk slechts met een roeiboot kan bereiken.

Het Industriepark is de rechtsopvolger van [B N.[B N.V.]. Verweerder heeft in 1941 aan [B N.V.] een terrein met opstallen overgedragen, gelegen nabij de [b-straat] te [Q], groot 23 hectaren en 50 aren, een en ander zoals dit terrein op een aan de akte gehechte kaart met rode omlijning is aangegeven (deze kaart is niet overgelegd). In de akte van 1941 is sprake van een ter plaatse te maken haven. [B N.V.] krijgt in de akte het recht om te allen tijde gebruik te maken van die haven voor de aanvoer en afvoer van goederen ten behoeve van het bedrijf van [B N.V.] met alle schepen die de Rijn kunnen bevaren. [B N.V.] zal daarvoor volgens de akte geen havengeld of retributie hoeven te betalen “tenzij deze schepen langer blijven liggen dan in verband met het laden en lossen van goederen ten behoeve van op het verkochte te stichten bedrijf noodzakelijk is, zullende de Gemeente de verplichting op zich nemen de haven en het verbindingskanaal in goeden staat van onderhoud en op diepte te houden. Het onderhoud van de werken, welke op het terrein van koopster liggen, zal echter voor rekening van koopster zijn.”

Op 29 juni 1943 heeft verweerder aan [B N.V.] vergunning verleend om een aantal steigers aan te leggen voor zeilschepen in de zuidwesthoek van de haven langs de nieuwe fabrieken in de Kleefse Waard. De steigers zouden worden gebruikt voor jachten toebehorend aan het personeel van [B N.V.]. Volgens de vergunning diende [B N.V.] de steigers te onderhouden. Verweerder heeft voorts als voorwaarde bij het verlenen van die vergunning gesteld dat de verordening voor het heffen van haven- en kadegelden van toepassing zou zijn. [B N.V.] heeft verzocht om deze voorwaarde te laten vervallen, maar verweerder heeft dit verzoek afgewezen bij brief van 30 juli 1943.

Eiser heeft als productie 17 bij het beroepschrift twee kadastrale kaarten overgelegd van het betreffende gebied. Hij heeft daarop ingetekend waar zijn tjalk is afgemeerd. Verder heeft hij ter verduidelijking van de situatie zelf een tekening toegevoegd op één van de kadastrale kaarten. Volgens de kaarten en de tekening van eiser behoort de kade van de [b-haven] tot het eigendomsrecht van de Industriepark, alsmede een strook water van 30 meter vanaf de kade. Op 18 meter van de kade staan palen in het water. De steigers van het Industriepark beginnen bij de kade en eindigen bij de palen. In de overige 12 meter water ligt de tjalk van eiser, aan één van de steigers. Aldus ligt eisers tjalk volgens deze kaarten afgemeerd op een stuk water waarvan de ondergrond in eigendom is van het Industriepark.

In artikel 7 van de Verordening is bepaald:

“1. Onder de naam haven- en kadegeld wordt een recht geheven wegens het gebruik maken van de haven en/of kade ten behoeve van een vaartuig.

2. Onder gebruik maken van wordt mede verstaan het niet-onmiddellijk doch door middel van een ander drijvend voorwerp in de haven of aan de kade aanmeren van een vaartuig.”

In artikel 1 van de Verordening staat onder 2 het begrip “haven” gedefinieerd als volgt:

“de haven van [R] zoals op de bij deze verordening aangehechte tekening is aangegeven;”

In artikel 1 onder 4 van de Verordening staat het begrip “pleziervaartuig” gedefinieerd:

“een vaartuig dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor de recreatie, niet zijnde een passagiersschip of zeilend bedrijfsvaartuig.”

De tekening van de haven zoals bedoeld in artikel 1 onder 2 van de Verordening is door verweerder overgelegd als onderdeel van bijlage 3 van het verweerschrift. Volgens deze tekening behoort het water van de [b-haven] tot aan de kade van het Industriepark, dus inclusief het gedeelte waar de tjalk van eiser ligt afgemeerd, tot de haven waarop de Verordening van toepassing is.

Verweerder heeft eiser havengeld in rekening gebracht, ook over de periode waarin eiser aan de steiger van het Industriepark is afgemeerd (vanaf 21 maart 2004).

Het van eiser geheven havengeld is vanaf 1992 door verweerder berekend naar het tarief genoemd in de tarieventabel onder 1.1.4.1, dat geldt voor “sleepboten, baggermachines, elevatoren, drijvende werktuigen, zogenaamd aannemersmateriaal, botenhuizen, aanlegsteigers e.d.”. Van 1976 tot 1992 was eiser ingedeeld in categorie 1.2.3.1., welke geldt voor pleziervaartuigen.

Het van eiser geheven havengeld voor het jaarabonnement 2005 bedraagt € 449,64 inclusief BTW.

3. Het geschil

In geschil is of verweerder gerechtigd is om in 2005 van eiser havengeld te heffen en zo ja, tegen welk tarief. Daarnaast heeft eiser de vraag gesteld of de mandaat- en aanwijzings-besluiten ter zake van de bevoegdheid tot heffing van havengeld en ter zake van de afhandeling van bezwaarschriften wel juist zijn.

Eiser is van mening dat verweerder geen havengeld mag heffen, althans dat een lager tarief van toepassing is. Verweerder is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij hieraan nog stellingen toegevoegd, die voor zover van belang bij de beoordeling zullen worden vermeld.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslag.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Bevoegdheid heffing havengelden?

Aan de orde is de vraag of verweerder in 2005 havengeld mocht heffen ter zake van het feit dat eiser zijn tjalk heeft afgemeerd aan de steiger van het Industriepark. Eiser stelt dat verweerder die bevoegdheid niet heeft, omdat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 229 Gemeentewet. Eiser voert met name aan dat niet is voldaan aan het vereiste “voor de openbare dienst bestemd”, aangezien het stuk water waar de tjalk ligt in eigendom is bij het Industriepark en daarom niet behoort tot de openbare gemeentehaven.

Verweerder heeft aangevoerd dat volgens de bij de Verordening horende kaart het stuk water waar eiser ligt afgemeerd, behoort tot de haven waarop de Verordening van toepassing is, zodat verweerder havengeld kan heffen. Verweerder stelt ook dat uit de stukken van 1941 expliciet blijkt dat de eigendomsoverdracht van de strook grond aan [B N.V.] niet tot gevolg had dat de overheid zich uit deze strook publiekrechtelijk wilde terugtrekken. Verweerder verwijst bovendien naar het besluit van 29 juni 1943 waarin aan [B N.V.] vergunning werd verleend onder voorwaarde van toepasselijkheid van de havengeldverordening. Verder beroept verweerder zich op de memorie van toelichting bij artikel 229 Gemeentewet, waarin is opgemerkt dat de gemeente niet de eigendom hoeft te bezitten van de gronden waarop zij werken enzovoort heeft aangelegd, en nog beheert en onderhoudt. Volgens verweerder voert zij wel degelijk onderhoudstaken uit in de haven, zoals het bergen van wrakken, het breken van ijs en het verwijderen van vervuilende objecten.

De rechtbank heeft ter zitting de door eiser overgelegde kadastrale kaarten en de door eiser zelf gemaakte tekening aan verweerder voorgehouden met de vraag of hierop de situatie correct is weergegeven. Verweerder heeft daarop geantwoord dat deze kaarten en tekening kloppen. Daarmee staat de juistheid van die kaarten en die tekening in dit geding vast. Dit brengt mee dat eiser inderdaad ligt afgemeerd in water, waarvan de ondergrond in eigendom is van een ander dan verweerder.

Artikel 229 Gemeentewet bepaalt in lid 1 en onder a: “Rechten kunnen worden geheven ter zake van het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn.”

De eerste vraag die beantwoord dient te worden is of het water waar eiser zijn tjalk heeft afgemeerd, kan worden aangemerkt als “voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen” dan wel als “voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen”. Als die vraag bevestigend beantwoord zou worden, dan zou vervolgens de tweede vraag moeten worden beantwoord, namelijk de vraag of dat stuk water bij de gemeente in beheer of onderhoud is. Aan beide vereisten moet zijn voldaan voordat rechten als de onderhavige mogen worden geheven.

Vaststaat dat het water waar eiser met zijn tjalk ligt, niet in eigendom is bij de gemeente. Er zijn ook geen stukken waaruit blijkt dat dit water voor de openbare dienst is bestemd. De eigendomsakte van 1941 kan niet als een zodanig stuk gelden, omdat het een privaatrechtelijke overeenkomst is. Bovendien blijkt uit de akte van 1941 niet dat verweerder de bestemming voor de openbare dienst voor deze strook water heeft willen voorbehouden. De afspraak over de heffing van havengelden, zoals geciteerd onder de feiten, is daarvoor te civielrechtelijk ingekleed en te weinig specifiek. Ook het besluit van 29 juni 1943 (de vergunningverlening onder de voorwaarde van toepasselijkheid van de havengeldverordening) is niet een stuk waaruit volgt dat er een bestemming voor de openbare dienst is. De rechtbank acht daarom van doorslaggevend belang of het water desondanks strekt tot algemeen nut waarbij een ieder in beginsel belang kan hebben.

Verweerder heeft aangevoerd dat iedereen het stuk water kan bevaren en dat het stuk water dat eindigt op 12 meter van de palen, niet is afgescheiden van de rest van de haven. Eiser heeft echter gemotiveerd gesteld dat de strook water niet openbaar is en dat de bevaring door derden alleen wordt gedoogd door het Industriepark, omdat er niet voortdurend iemand op de kade kan staan om te zeggen dat dit stuk water privé-eigendom is. De rechtbank is het met eiser eens dat de omstandigheid dat derden bij gebreke van een hek in het water op de strook water kunnen varen, nog niet betekent dat die strook water ook openbaar is. Van algemeen nut is daarom geen sprake.

Aangezien verweerder onvoldoende heeft aangevoerd om tot een ander oordeel te kunnen komen, neemt de rechtbank aan dat de strook water door de privaatrechtelijke overeenkomst van overdracht van de grond in 1941 aan de bestemming openbare dienst is onttrokken. Daarmee is gegeven dat niet is voldaan aan de vereisten die in artikel 229 Gemeentewet zijn gesteld voor het heffen van havenrechten. De vraag of de gemeente de strook water beheert en onderhoudt, behoeft derhalve geen beantwoording meer.

Nu ten aanzien van de onderhavige strook water (die loopt van de kade van het Industriepark tot 12 meter uit de palen, totaal 30 meter) niet is voldaan aan de vereisten van artikel 229 Gemeentewet, is de haven zoals deze is ingetekend op de bij deze Verordening gewaarmerkte tekening, niet juist. Anders dan op die tekening is aangegeven, behoort de onderhavige strook water niet tot de haven als bedoeld in artikel 1, onder 2 van de Verordening. De Verordening is in zoverre onverbindend en kan verweerder geen recht op heffing verlenen.

Conclusie van het bovenstaande is dat verweerder ten onrechte havengeld over 2005 van eiser heeft geheven, zodat het beroep gegrond is. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd toegezegd dat als zij in deze procedure, die alleen het jaar 2005 betreft, ongelijk zou krijgen, zij in beginsel zal overgaan tot ambtshalve teruggave van het havengeld over 2004 (vanaf 21 maart 2004).

Tariefindeling

Eiser heeft, voor het geval hij op het punt van de havengeldheffing gelijk zou krijgen, verzocht om een overweging ten overvloede ten aanzien van de hoogte van het in rekening gebrachte havengeld. Dit in verband met zijn wens om bij verweerder te verzoeken om een ambtshalve teruggave van het bedrag dat hij vanaf 1992 teveel meent te hebben betaald door indeling in een onjuiste (en duurdere) categorie. De rechtbank komt aan dit verzoek tegemoet en overweegt als volgt.

Het gebruik dat eiser van de tjalk maakt (af en toe varen met vrienden en familie en met enige regelmaat op de tjalk verblijven) moet worden aangemerkt als gebruik voor de recreatie, zoals bedoeld in artikel 1 onder 4 van de Verordening. Verweerder heeft ook ter zitting niet kunnen uitleggen waarop zij kan baseren dat de tjalk van eiser geen pleziervaartuig zou zijn. De stelling dat eiser heel weinig vaart met de tjalk en dat hij de ligplaats vooral als overwinterplaats gebruikt, kan verweerder niet baten, aangezien in de tekst van de Verordening en de daarbij behorende tarieventabel nergens een dergelijk criterium wordt genoemd. Ook de omstandigheid dat het schip groot is, waardoor het niet in de gewone plezierjachthaven past, kan volgens de tekst van Verordening en tarieventabel geen aanleiding zijn om eiser in een ander tarief in te delen dan in het tarief voor een pleziervaartuig. De grootte van het schip is in die tekst immers niet als criterium opgenomen. Nu niet is gesteld of gebleken dat de tariefindeling of de definities in de teksten van de Verordening of de tarieventabel over eerdere jaren in dit opzicht afwijken van de huidige tekst, is het van eiser geheven havengeld inderdaad vanaf 1992 berekend naar een te hoog tarief. Eiser heeft daartegen over die jaren geen bezwaar gemaakt. Dit klemt omdat eiser, zoals hij onweersproken heeft gesteld, in 1992 of op een later moment niet ervan op de hoogte is gesteld dat hij in een andere categorie werd ingedeeld, zodat hij ook geen aanleiding kon zien om daartegen bezwaar te maken. Pas in het kader van de onderhavige procedure heeft hij de onjuiste tariefindeling ontdekt.

Bevoegdheden besluitvorming

Eiser heeft zijn bezwaren tegen de mandaat- en aanwijzingsbesluiten ter zitting ingetrokken. Nu uit de vóór de zitting op verzoek van de rechtbank door verweerder toegezonden stukken blijkt dat de Verordening is gepubliceerd en dat de heffingsbevoegdheid is gemandateerd aan de directeur van de Dienst Stadsbeheer (inclusief publicatie), ziet de rechtbank geen aanleiding om het beroep op deze punten gegrond te verklaren.

5. Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, omdat de rechtbank niet gebleken is dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. De opgevoerde kosten van het inspectierapport, dat de geschiktheid van de door de gemeente laatstelijk aangeboden ligplaats betreft, kan niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat het geen betrekking heeft op het onderwerp van dit geding, de heffing van havengeld over 2005.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de aanslag havengeld 2005;

- gelast dat de gemeente Arnhem het door eiser betaalde griffierecht van € 37,- vergoedt.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs F.M. Smit, voorzitter, A.J.H. van Suilen en I. Linssen, leden. De beslissing is in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Gankema, griffier, op 20 oktober 2005.

De griffier De voorzitter

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem;

dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.