Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU5338

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-09-2005
Datum publicatie
02-11-2005
Zaaknummer
130927
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De Keizershoeve vordert staking van de veiling van de paarden. Zij voert daartoe allereerst aan dat de omschrijving van de verpande zaken in de pandakte onvoldoende/ te vaag is om aan te kunnen nemen dat een rechtsgeldige verpanding van (27) paarden aan de bank heeft plaatsgevonden, zodat reeds op die grond de veilingonrechtmatig jegens de Keizershoeve is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 130927 / KG ZA 05-537

Datum vonnis: 1 september 2005

Vonnis in kort geding

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STOETERIJ EN DRESSUURSTAL DE KEIZERSHOEVE B.V.,

gevestigd te Kessel,

eiseres,

procureur mr. H. van Ravenhorst te Arnhem,

advocaat mr. D. Roesink te Bussum,

tegen

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

procureur mr. J.M. Bosnak te Arnhem,

advocaten mr. A. den Ouden en mr. P.F. Hopman te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de Keizershoeve en de Bank genoemd worden.

Het verloop van de procedure

De Keizershoeve heeft de Bank ter zitting in kort geding van

1 september 2005 doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.

De Bank heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

De advocaat van de Keizershoeve en de advocaten van de Bank hebben de zaak bepleit, laatstgenoemden overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities.

Daarbij hebben zij producties in het geding gebracht.

Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter in verband met de grote spoedeisendheid van de zaak direct mondeling uitspraak gedaan en aan partijen en hun advocaten medegedeeld dat de motivering daarvan op een later tijdstip afzonderlijk op schrift zal worden gesteld.

Deze motivering, waarvan de datum op heden is bepaald, volgt hierna.

De vaststaande feiten

1. Op of omstreeks 29 oktober 2002 heeft de Bank aan de Keizershoeve een krediet verstrekt ad € 953.000,--.

Artikel 7 van de op die kredietverstrekking toepasselijke voorwaarden luidt -voor zover thans van belang- als volgt:

“Het saldo van een krediet in rekening-courant en het gehele bedrag van een lening of het nog niet afgeloste gedeelte daarvan is met de verschuldigde en lopende rente, de nog verschuldigde provisies en boeten terstond en ineens opeisbaar zonder dat enige ingebrekestelling in welke vorm dan ook is vereist:

a. (...)

b. in geval van conservatoir of executoriaal beslag op goederen van de

kredietnemer en/of van diens echtgeno(o)t(e) (...)

c. indien de kredietnemer enigerlei verplichting jegens de bank uit hoofde van

deze overeenkomst of enige andere met de bank gesloten overeenkomst al of

niet in verband daarmee niet, niet tijdig of niet volledig is nagekomen (...)”.

2. De Keizershoeve heeft in verband met deze kredietverstrekking een aantal zekerheden aan de Bank verstrekt, waaronder:

a. een eerste hypotheek op het bedrijfspand van de Keizershoeve aan de Keizersbaan 5 te Kessel en een tweede hypotheek op de daarbij behorende privé-woning;

b. een eerste verpanding van “de gehele tot zijn bedrijf behorende levende have, al dan niet voor verdere opfok, gebruik, slacht en/of verkoop bestemd, alsmede alle verhandelbare produkten die de dieren voortbrengen en alle verdere verbruikbare zaken al dan niet ten dienste van de dieren, zoals voeders, geneesmiddelen en verdere voorraden, hierna tezamen genoemd “de zaken...”.

Van deze verpanding is op 18 november 2002 een akte opgemaakt die op 9 december 2002 is geregistreerd.

Artikel 5 van deze pandakte luidt, voor zover thans van belang:

“Wanneer de kredietnemer in verzuim is met de voldoening van hetgeen waarvoor de zaken tot waarborg strekken (...), is de bank bevoegd, zonder nadere mededeling -noch vooraf, noch achteraf- de zaken in het openbaar te verkopen, teneinde op de netto-opbrengst het aan haar verschuldigde te verhalen (...).”

3. Mede naar aanleiding van een tweetal op de hiervoor onder 2.a. omschreven onroerende zaak gelegde conservatoire beslagen door schuldeisers van de Keizershoeve (ter verzekering van vorderingen ad in totaal ruim € 4.000.000,--) heeft de Bank bij brief van 21 januari 2005 aan de Keizershoeve haar kredietfaciliteit met onmiddellijke ingang opgezegd en de Keizershoeve verzocht/gesommeerd om het restant

bedrag van haar -opeisbare- vordering, inclusief renten, provisies en kosten, te voldoen. Daarbij heeft de Bank tevens aan de Keizershoeve medegedeeld dat de Bank bevoegd is afgifte van de aan haar verpande

levende have te vorderen en deze te gelde te maken, zolang haar vordering niet volledig is voldaan.

4. Bij brief van 3 februari 2005 heeft de bank aan de Keizershoeve uitstel van betaling verleend tot 1 april 2005 onder een aantal voorwaarden, waaronder het inleveren van gegevens door de Keizershoeve vóór 1 april 2005. Aan deze voorwaarde is niet voldaan.

Op of omstreeks 18 april 2005 is namens de Keizershoeve aan de Bank de toezegging gedaan dat integrale aflossing van het krediet zou plaatsvinden in de periode van 25 tot 30 april 2005. Dat is niet gebeurd.

Ook daarna zijn door/namens de Keizershoeve toezeggingen tot algehele aflossing van het krediet gedaan, welke toezeggingen evenmin zijn nagekomen.

Bij brief van 27 mei 2005 heeft de Bank aan de Keizershoeve een uiterste termijn van een week gegeven om tot algehele aflossing van het krediet over te gaan. De Keizershoeve heeft hieraan geen gevolg gegeven.

5. Bij brief van 22 juni 2005 heeft de Bank (andermaal) het krediet met onmiddellijke ingang opgezegd en de Keizershoeve verzocht/ gesommeerd om het restant bedrag van haar -opeisbare- vordering, inclusief rente en kosten, te voldoen en haar (opnieuw) gewezen op de mogelijkheid van het nemen van verhaal op de aan haar verstrekte zekerheden. Per 24 juni 2005 bedroeg de vordering van de Bank

€ 916.139,75, exclusief renten, provisies en kosten.

6. Nadat betaling door/namens de Keizershoeve andermaal uitbleef, heeft de Bank op 11 juli 2005 aan de voorzieningenrechter te Roermond toestemming verzocht en verkregen om de aan haar verpande zaken onder zich te doen nemen door een door haar aan te wijzen deurwaarder. Toen die deurwaarder op 4 augustus 2005 de aan de Bank verpande paarden onder zich wilde nemen, bleken 7 tot 9 van de duurste paarden niet in de manege van de Keizershoeve aanwezig te zijn. Na een door de politie ingesteld onderzoek zijn deze paarden kort daarna elders teruggevonden.

7. Bij brief van 5 augustus 2005 heeft de Bank aan de Keizershoeve de veiling aangekondigd van zowel de verpande als de verhypothekeerde zaken bij gebreke van aflossing vóór 8 augustus 2005, 12.00 uur.

De veiling van de onroerende zaak is voorlopig opgeschort, die van de (27) paarden is bepaald op 1 september 2005 om 14.00 uur op het Landgoed Balkenschoten te Nijkerk.

Op een door de Keizershoeve op 30 augustus 2005 aan de Bank gedaan verzoek om de veiling van de paarden geen doorgang te laten vinden, omdat de Keizershoeve inmiddels van externe geldschieters

toezeggingen had gekregen dat zij op 31 augustus 2005 zou kunnen beschikken over in totaal € 575.000,--, heeft de Bank negatief beslist.

De vorderingen

1. De Keizershoeve vordert thans, kort gezegd, staking van de veiling van de paarden en deze veiling gestaakt te houden, zulks versterkt met een dwangsom. Zij voert daartoe allereerst aan dat de omschrijving van de verpande zaken in de pandakte onvoldoende/te vaag is om aan te kunnen nemen dat een rechtsgeldige verpanding van (27) paarden aan de Bank heeft plaatsgevonden, zodat reeds op die grond de veiling onrechtmatig jegens de Keizershoeve is.

Daarnaast handelt de Bank volgens de Keizershoeve in strijd met de tussen partijen gemaakte afspraak dat de veiling niet door zou gaan, indien de Keizershoeve haar 9 meest kostbare paarden aan de Bank zou afgeven, waartoe zij bereid is (geweest).

Tot slot stelt de Keizershoeve zich op het standpunt dat een belangenafweging in haar voordeel dient uit te vallen, omdat het doorgaan van de veiling haar onevenredige schade zal toebrengen.

Zij heeft daarbij met name gewezen op het verlies van de kwalitatief hoogwaardige bloedlijnen van de paarden, waarmee het werk van

15 à 20 jaar teniet gedaan zal worden, nog afgezien van het feit dat de paarden onvoldoende zullen opbrengen en de paardenmarkt als gevolg daarvan overvoerd zal raken.

Nu de Keizershoeve bovendien de beschikking heeft over voldoende zekerheden ten behoeve van de Bank -waaronder een geldbedrag van (in elk geval) € 575.000,-- en een schriftelijke toezegging van een andere kredietverstrekker om onder bepaalde voorwaarden een financiering van € 600.000,-- aan de Keizershoeve te verstrekken- dient haar belang om de veiling geen doorgang te laten vinden in haar visie zwaarder te wegen dan het belang van de Bank bij het doorgaan van de veiling.

2. De Bank voert gemotiveerd verweer dat, voor zover nodig, hierna zal worden besproken.

De beoordeling van de vorderingen

1. De voorzieningenrechter is allereerst -anders dan de Keizershoeve meent- van oordeel dat hier wèl sprake is van een rechtsgeldige verpanding. Nu het hier om een stoeterij gaat, moet de onder de feiten sub 2.b. geciteerde, in de pandakte vermelde omschrijving van de

verpande zaken, ook al worden daarvan in die akte geen aantallen genoemd, voldoende duidelijk/bepaald worden geacht.

Dat gold kennelijk ook voor de Keizershoeve zelf, nu zij zich nooit eerder op het standpunt heeft gesteld dat de verpanding niet rechtsgeldig was.

2. De stelling van de Keizershoeve dat de Bank de tussen partijen gemaakte afspraak heeft geschonden om de veiling “af te blazen” na afgifte door de Keizershoeve van haar 9 meest kostbare paarden, wordt verworpen. De Bank heeft het bestaan van een dergelijke afspraak uitdrukkelijk betwist (c.q. gesteld dat die afspraak betrekking had op de veiling van het onroerend goed van de Keizershoeve) en de Keizershoeve heeft tegenover die betwisting nagelaten haar andersluidende stelling voldoende aannemelijk te maken.

Het ligt ook niet voor de hand om de juistheid van die stelling aan te nemen, nu de Bank onweersproken heeft gesteld dat (ten minste) 7 van die 9 kostbare paarden in eerste instantie door/namens de Keizershoeve zijn weggevoerd c.q. buiten de macht van de Bank zijn gebracht, zodat op zijn minst vraagtekens gezet moeten worden bij de bereidheid van de Keizershoeve tot afgifte van de paarden.

3. Nu voorshands van de rechtsgeldigheid van de onderhavige verpanding moet worden uitgegaan en nu vast staat dat de Keizershoeve niet aan haar betalingsplicht jegens de Bank heeft voldaan, is de Bank in beginsel bevoegd om de aan haar verpande zaken in het openbaar te verkopen (art. 5 van de pandakte).

Voor zover de Keizershoeve heeft willen betogen dat de Bank het krediet ten onrechte heeft opgezegd, faalt dit betoog.

Gelet op de hiervoor onder de feiten sub 1 geciteerde op de onderhavige kredietverstrekking toepasselijke voorwaarden was de Bank immers gerechtigd het krediet op te zeggen.

Dat geldt temeer nu als onweersproken vast staat dat de Bank herhaalde malen bij de Keizershoeve op betaling heeft aangedrongen en dat de Keizershoeve eerdere toezeggingen tot betaling niet is nagekomen. Daaruit moet voorshands tevens worden afgeleid dat de Keizershoeve ook niet eerder heeft geprotesteerd tegen de opzegging van het krediet door de Bank.

4. Wat de door/namens de Keizershoeve aan de Bank aangeboden zekerheden betreft wordt als volgt overwogen.

Daarbij wordt voorop gesteld dat de Bank aanspraak heeft op betaling van het aan haar verschuldigde en in beginsel geen genoegen hoeft te nemen met het stellen van zekerheden door/namens de Keizershoeve, temeer niet nu de aangeboden zekerheden door de voorzieningen-rechter voorshands onvoldoende worden geacht.

Weliswaar is voldoende aannemelijk geworden dat zich op de bankrekening van het door de Keizershoeve genoemde [betrokkene 1] te Rijswijk en op de derdenrekening van de advocaat van de Keizershoeve inmiddels een bedrag van in totaal € 575.000,-- bevindt, maar de Bank heeft geen enkele zekerheid gekregen dat dat bedrag ook daadwerkelijk (onvoorwaardelijk) aan haar zal worden betaald.

In dit verband verdient tevens aandacht dat de onderhavige kwestie al geruime tijd duurt, dat de Keizershoeve -naar voldoende is komen vast te staan- meer schuldeisers heeft en dat eerdere toezeggingen tot betaling door/namens de Keizershoeve niet zijn nagekomen.

5. Het door de Keizershoeve ter zitting overgelegde aanbod van de vennootschap Unibeheer BV te Gemert d.d. 1 september 2005 om aan de Keizershoeve een financiering van € 600.000,-- te verstrekken ter aflossing van de bij de Bank lopende kredietfaciliteit, wordt evenmin voldoende geacht. Niet blijkt immers dat dit aanbod door/namens de Keizershoeve is aanvaard, terwijl bovendien onvoldoende aannemelijk is geworden dat genoemd bedrag binnen afzienbare tijd aan de Keizershoeve ter beschikking zal worden gesteld en aan de Bank zal worden betaald.

6. Gelet op het voorgaande worden de door/namens de Keizershoeve aangeboden zekerheden onvoldoende geacht om bij een belangenafweging tussen partijen het belang van de Keizershoeve bij staking van de veiling zwaarder te laten wegen dan het belang van de Bank bij het doorgaan van de veiling.

Daarbij speelt tevens een rol dat de Keizershoeve, hoewel zij al eerder van de aangekondigde veiling op de hoogte was, tot de laatste dag heeft gewacht met het instellen van de onderhavige vordering, toen de veiling al lang en breed geregeld was, hoge kosten daarvoor waren gemaakt (volgens de Bank tot een totaalbedrag van € 250.000,--) en kopers uit de gehele wereld daarvoor waren uitgenodigd).

Niet althans onvoldoende weersproken is gebleven dat het “afblazen” van de veiling in dit stadium opnieuw zeer hoge kosten met zich mee zou brengen. Het belang van de Bank bij doorgang van de veiling moet in dit stadium dan ook beduidend groter worden geacht dan wanneer dit kort geding eerder zou hebben plaatsgevonden.

7. Al het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen moeten worden afgewezen.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal de Keizershoeve in de kosten van dit kort geding worden verwezen.

De beslissing

De voorzieningenrechter

weigert de gevorderde voorzieningen en

veroordeelt de Keizershoeve in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Bank bepaald op € 816,-- voor salaris en op € 244,-- voor verschotten.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Wouters op 1 september 2005, terwijl de motivering van voormelde beslissing op

15 september afzonderlijk op schrift is gesteld.

de griffier de rechter