Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU5328

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-09-2005
Datum publicatie
01-11-2005
Zaaknummer
126572
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Als gevolg van de nietigheid van de overeenkomsten is de rechtsgrond die ten grondslag lag aan de wederzijds verrichte prestaties, (met terugwerkende kracht) daaraan komen te ontvallen. Hetgeen ter uitvoering van de overeenkomsten is uitgevoerd, is overschuldigd betaald en dient te worden terugbetaald (art. 6:203 lid 1 BW). Alle omstandigheden in aanmerking genomen, in het bijzonder de wederzijdse belangen, ziet de rechtbank geen aanleiding aan de nietigheid de werking te ontzeggen. Dit betekent dat Dexia de door gedaagde betaalde rentetermijnen in beginsel dient terug te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 126572 / HA ZA 05-793

Datum vonnis: 28 september 2005

Vonnis

in de zaak van

de naamloze vennootschap

DEXIA BANK NEDERLAND NV,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

procureur mr. N.L.J.M. Rijssenbeek,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procedeerde in persoon bij de rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Tiel, doch heeft na verwijzing naar de sector civiel geen procureur gesteld.

In dit vonnis worden partijen Dexia en [gedaagde] genoemd.

1. Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 13 juli 2005 wordt naar dat vonnis verwezen. Daarna zijn de volgende processtukken gewisseld:

* een akteverzoek van de zijde van Dexia

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1 Dexia is de rechtsopvolgster van Bank Labouchere N.V. die ook handelde onder de naam Legio-Lease. Met Dexia wordt hierna ook - en vooral - Bank Labouchere bedoeld.

de Multiplier Effect

2.2 Op 21 juli 1997 heeft Dexia met [gedaagde] onder contractnummer 40000553 een aandelenleaseovereenkomst genaamd Multiplier Effect gesloten.

2.3 Volgens die overeenkomst tussen Dexia en [gedaagde] bedroeg de som van de aankoopbedragen voor de aandelen ƒ 8.237,80, de contante waarde van toekomstige administratiekosten ƒ 454,70 en de contante waarde van de tijdens de looptijd te betalen rente ƒ 3.589,42, zodat de totale leasesom ƒ 12.281,92 bedroeg. De overeenkomst is aangegaan voor de duur van 60 maanden, gedurende welke looptijd de leasesom volgens een in de overeenkomst opgenomen betalingsschema diende te worden voldaan.

2.4 De Multiplier Effect is door het verstrijken van de overeengekomen looptijd beëindigd. Volgens de eindafrekening die Dexia in verband daarmee aan [gedaagde] heeft verzonden, heeft Dexia de aandelen verkocht en hebben deze € 3.060,42 opgebracht, moest [gedaagde] nog € 3.738,15 betalen en resteerde per saldo een door haar nog te betalen bedrag van € 677,73. [gedaagde] heeft in mindering daarop € 67,73 betaald en het restant ten bedrage van € 610,00 onbetaald gelaten.

de Profit Effect

2.5 Voorts heeft Dexia op 21 oktober 1999 met [gedaagde] onder contractnummer 56000644 een aandelenleaseovereenkomst genaamd Profit Effect gesloten.

2.6 Volgens die overeenkomst tussen Dexia en [gedaagde] bedroeg de som van de aankoopbedragen voor de aandelen € 6.719,10 en de in totaal gedurende de looptijd te betalen rente € 8.331,60, zodat de totale leasesom € 15.050,70 bedroeg. De overeenkomst is aangegaan voor de duur van 120 maanden, gedurende welke looptijd de leasesom volgens een in de overeenkomst opgenomen betalingsschema diende te worden voldaan.

2.7 Die overeenkomst is door Dexia beëindigd omdat [gedaagde] met de nakoming van haar betalingsverplichtingen in gebreke bleef. Dexia heeft de aandelen verkocht. Volgens de eindafrekening die Dexia in verband daarmee aan [gedaagde] heeft verzonden, hebben de aandelen € 4.130,70 opgebracht, moest [gedaagde] € 10.782,13 betalen en resteerde per saldo een door haar nog te betalen bedrag van € 6.581,00. [gedaagde] heeft dat bedrag onbetaald gelaten.

3. Het geschil

3.1 Dexia vordert - samengevat en zakelijk weergegeven - dat de rechtbank [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 8.129,58 vermeerderd met rente en kosten.

3.2 Het gevorderde bedrag bestaat uit de hoofdsom ten bedrage van € 610,00 met de wettelijke rente daarover vanaf 17 juli 2002 tot en met 27 juni 2003 van € 38,72, uit de hoofdsom van € 6.581,00 met de wettelijke rente daarover vanaf 21 juli 2003 tot en met 5 december 2003 van € 110,89 en uit buitengerechtelijke incassokosten van € 788,97 inclusief BTW.

3.3 Tegen deze vordering voert [gedaagde] gemotiveerd verweer.

4. De beoordeling

4.1 De rechtbank ziet geen aanleiding de zaak aan te houden als door Dexia verzocht. Daartoe overweegt de rechtbank dat Dexia de eisende partij is, dat zij [gedaagde] heeft opgeroepen bij exploot van 27 april 2005 - hoewel op die datum de bemiddeling door dr. Duisenberg reeds liep, welke bemiddeling op 28 april 2005 heeft geleid tot het akkoord op hoofdlijnen - en dat [gedaagde], doordat zij geen procureur heeft gesteld, zich niet zal kunnen uitlaten omtrent dat verzoek.

4.2 Voorts begrijpt de rechtbank, hoewel de stellingen van Dexia

terzake niet eenduidig lijken te zijn, dat naar het oordeel van Dexia geen betalingsregeling met [gedaagde] overeengekomen is. De vordering van Dexia is overigens met dit standpunt in overeenstemming, nu immers geen nakoming van een betalingsregeling dan wel ontbinding daarvan wordt gevorderd, doch nakoming van de verplichtingen uit de overeenkomsten zelf.

4.3 In de Wet op het consumentenkrediet (WCK) wordt onder krediettransactie onder meer verstaan iedere overeenkomst en ieder samenstel van overeenkomsten met de strekking dat door of vanwege de kredietgever aan de kredietnemer een geldsom ter beschikking wordt gesteld en de kredietnemer aan de kredietgever een of meer betalingen doet (art. 1 aanhef en sub a onder 1 WCK).

4.4 De onderhavige overeenkomsten kenmerken zich onder meer hierdoor dat Dexia aan [gedaagde] bedragen ter beschikking heeft gesteld, waarover [gedaagde] periodiek rente diende te betalen en welke bedragen zij aan het einde van de looptijd diende terug te betalen. Aldus voldoen deze overeenkomsten aan bovengenoemde definitie. In dit verband is van belang dat de wetsgeschiedenis bij art. 1 WCK onder meer vermeldt: “Centraal in de wet staat het begrip krediettransactie, dat beoogt alle relevante vormen van consumentenkrediet te omvatten. Uitgangspunt is dat een feitelijke omschrijving wordt gegeven van de verschillende elementen, waaruit een krediettransactie kan bestaan. Bij een meer formeel-juridische benadering bestaat het gevaar van ontduiking van de wet via juridische constructies die de economische werkelijkheid maskeren.” (kamerstukken II, 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 68). Nu ook aan de overige eisen voor toepasselijkheid van de WCK is voldaan, geldt deze wet.

4.5 Hierbij is in aanmerking genomen dat de onderhavige overeenkomsten niet voldoet aan art. 4 lid 1 onder h WCK. In casu is immers geen sprake van het verstrekken van zekerheid door middel van “belening” van effecten van [gedaagde] reeds omdat de desbetreffende aandelen ingevolge de onderhavige overeenkomsten [gedaagde] nog niet toebehoorden. Ook uit de Memorie van Toelichting op de WCK (kamerstukken II, 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 40/41), waarin, kort samengevat, wordt gesteld dat de regering wat betreft effectenbelening ervoor heeft gekozen deze niet onder de WCK te brengen, omdat de bestendige praktijk is dat de lening niet groter mag zijn dan ongeveer 70% van de waarde van de effecten en de aldus geboden ruime mate van zekerheid hier tot gevolg heeft dat het krediet goedkoper is, volgt dat deze bepaling niet ziet op een constructie als de onderhavige. De hiertegenover staande opvatting die volgt uit de beantwoording van kamervragen door de Minister van Financiën op 6 juli 1998 (aanhangsel kamerstukken II, 1997-1998, nr. 1470, blz. 3015-3016) en uit de Memorie van Toelichting op de wet van 20 december 2001, Stb. 2001, 669, tot wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en de Wet op het consumentenkrediet teneinde de reikwijdte van de bepalingen inzake de informatieverstrekking aan publiek uit te breiden dat aandelenleaseconstructies onder art. 4 lid 1 onder h WCK vallen (kamerstukken II, 2000-2001, 27 869, nr. 3, blz. 3), kan niet tot een ander oordeel leiden. Deze interpretatie strookt namelijk niet met de duidelijke bewoordingen van de wet en de bedoeling van de (toenmalige) wetgever, zoals die volgt uit de hiervoor genoemde passage in de Memorie van Toelichting op de WCK en gaat kennelijk uit van de onjuiste opvatting dat aandelenleaseconstructies onder andere bestaan uit het verstrekken van zekerheid door de kredietnemer op aandelen van hem.

4.6 Dexia beschikte ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten niet over een vergunning als bedoeld in art. 9 WCK en de, naar de rechtbank ambtshalve bekend is, op 12 april 2003 verkregen vergunning is niet van toepassing op effectenleaseovereenkomsten, maar uitsluitend op de renteloze lening als bedoeld in het zogenaamde Dexia-Aanbod.

Dit brengt ingevolge art. 3:40 lid 2 BW mee dat de overeenkomsten nietig wegens strijd met een dwingende wetsbepaling en niet vernietigbaar zijn, aangezien art. 9 WCK niet uitsluitend ziet op bescherming van een van de partijen bij de overeenkomst. In de memorie van Toelichting op de WCK (kamerstukken II, 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 27) wordt hieromtrent immers gesteld: ”Aan het onderhavige wetsontwerp ligt, in aansluiting op het voorgaande, de visie ten grondslag dat er een kader dient te zijn, waarbinnen kredietgevers verantwoord op de markt opereren en consumenten, geruggesteund door goede markt- en productinformatie, op redelijke voorwaarden krediet kunnen opnemen.” Voorts vermeldt de Memorie van Antwoord op de WCK (kamerstukken II, 1987-1988, 19 785, nr. 7, blz. 10) dat gekozen is voor een zodanig vergunningenstelsel, dat serieuze ondernemers zonder moeilijkheden de markt kunnen betreden. Dit vergunningenstelsel is dus blijkens de wetgeschiedenis kennelijk mede gericht op bescherming van de toegelaten aanbieders tegen ondeskundige en/of malafide concurrenten met als achtergrond dat een negatief imago van de financiële markten schadelijk is voor een goed functionerende economie en daarmee het algemeen belang schaadt. Deze bredere doelstelling van de WCK volgt ook uit de parlementaire geschiedenis van het wetsvoorstel Wet financiële dienstverlening. Zie hiervoor kamerstukken II, 2003-2004, 29 507, nr. 3, par. 2, waarin onder meer wordt opgemerkt dat de zorgvuldige behandeling van de consument tevens bijdraagt aan ordelijke en transparante marktprocessen en een beter functionerende economie en dat de WCK al tot op zekere hoogte bijdraagt aan een effectieve bescherming van de consument. Dat van nietigheid geen sprake is nu die sanctie niet in de WCK zelf is opgenomen, is niet juist, mede in het licht van de hierboven aangehaalde strekking van artikel 9 van de WCK.

Hierbij is verder in aanmerking genomen dat de kredietdelen van de Multiplier Effect en de Profit Effect in onverbrekelijk verband staan met de rest van die overeenkomsten, aangezien door middel van het ter beschikking gestelde bedrag de desbetreffende aandelen zijn “geleasd” (art. 3:41 BW).

4.7 Die nietigheid volgt overigens ook uit de richtlijnconforme interpretatie die ten grondslag ligt aan het voorlopig oordeel van deze rechtbank in haar vonnis van 14 juli 2004, LJN-nr. AQ1551.

4.8 Als gevolg van de nietigheid van de overeenkomsten is de rechtsgrond die ten grondslag lag aan de wederzijds verrichte prestaties, (met terugwerkende kracht) daaraan komen te ontvallen. Hetgeen ter uitvoering van de overeenkomsten is uitgevoerd, is onverschuldigd betaald en dient te worden terugbetaald (art. 6:203 lid 1 BW). Alle omstandigheden in aanmerking genomen, in het bijzonder de wederzijdse belangen, ziet de rechtbank geen aanleiding aan de nietigheid de werking te ontzeggen. Dit betekent dat Dexia de door [gedaagde] betaalde rentetermijnen in beginsel dient terug te betalen. De (contante waarde van de) rentetermijnen betreffende de Multiplier Effect, een bedrag van ƒ 3.589,42, zijnde € 1.628,80, heeft [gedaagde] kennelijk, gezien de eindafrekening, geheel voldaan. Uit de eindafrekening betreffende de Profit Effect begrijpt de rechtbank dat ten tijde van de beëindiging van de overeenkomst nog 75 maandtermijnen resteerden, waaruit volgt dat [gedaagde] 45 maandtermijnen had betaald. Die termijnbedragen, elk € 69,43, kwalificeren gezien de overeenkomst als rente. Ingevolge de Profit Effect heeft [gedaagde] derhalve in totaal (45 x € 69,43 =) € 3.124,35 betaald.

Het totale door [gedaagde] betaalde en door Dexia in beginsel aan haar terug te betalen rentebedrag is dus (€ 1.628,80 + € 3.124,35 =) € 4.753,15.

4.9 Dexia heeft - naar onweersproken is gebleven - ter uitvoering van de overeenkomsten geld ter beschikking gesteld, waarmee zij de in de overeenkomsten vermelde aandelen heeft gekocht. Dexia’s prestatie, als geheel genomen, kan naar haar aard niet ongedaan worden gemaakt. Omdat [gedaagde] heeft ingestemd met het verrichten van een tegenprestatie, heeft Dexia op grond van art. 6: 210 lid 2 BW aanspraak op vergoeding van de waarde van de prestatie op het moment van ontvangst van de prestatie voor zover dit redelijk is.

4.10 De waarde van de prestatie op het moment van ontvangst, te weten het moment van verkrijging van de aandelen door Dexia, is de waarde van de aandelen tegen de koers van de dag van verkrijging. Dexia heeft de aandelen inzake de Multiplier Effect verkregen tegen de in die overeenkomst genoemde aankoopkoersen op 17 juli 1997 en de aandelen inzake de Profit Effect tegen de in die overeenkomst genoemde aankoopkoersen op 20 oktober 1999.

De rechtbank oordeelt dat als uitgangspunt de waarde van de prestatie van Dexia het totaal van de aankoopbedragen van de in de Multiplier Effect en Profit Effect genoemde aandelen is, te weten ƒ 8.237,80, zijnde € 3.738,15, respectievelijk € 6.719,10, in totaal € 10.457,25.

4.11 Van deze waarde moet de verkoopprijs van de aandelen van € 3.060,42 respectievelijk € 4.130,70, in totaal € 7.191,12, worden afgetrokken. Dexia heeft deze aandelen immers voor [gedaagde] vervreemd en de verkoopsom geïncasseerd. Het verschil is € 3.266,13.

4.12 De rechtbank oordeelt dat het niet redelijk is in de zin van art. 6:210 lid 2 BW dat [gedaagde] de gehele restschuld moet betalen aan Dexia. Zij oordeelt dat het als uitgangspunt redelijk is dat het aan het slot van r.ov. 4.11 genoemde bedrag tussen partijen wordt verdeeld.

4.13 Enerzijds is de strekking van de WCK onder meer consumenten te beschermen tegen kredietvormen die worden aangeboden door ondernemingen die daarvoor geen vergunning hebben en die verborgen zitten in een voor de gemiddelde consument moeilijk te doorgronden financieel product.

4.14 Anderzijds wist [gedaagde], althans behoorde [gedaagde] te weten dat Dexia met het door haar betaalde geld zou beleggen op de beurs en dat zij daarom het risico liep door dalende koersen geld te verliezen.

4.15 Op grond hiervan brengt de redelijkheid, genoemd in art. 6:210 lid 2 BW, naar het oordeel van de rechtbank mee dat [gedaagde] aan Dexia in beginsel de helft van € 3.266,13, te weten € 1.633,07, moet restitueren.

4.16 Door verrekening van beide te restitueren prestaties (€ 4.753,15 en € 1.633,07) ontstaat een saldo van € 3.120,08 ten gunste van [gedaagde].

4.17 Uit het bovenstaande volgt dat de vordering van Dexia zal worden afgewezen. [gedaagde] heeft geen vordering in reconventie ingesteld en de toewijzing van enig bedrag aan haar is dan ook niet aan de orde.

4.18 Als de in het ongelijk gestelde partij zal Dexia worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1 wijst de vordering af,

5.2 veroordeelt Dexia in de proceskosten, gevallen aan de zijde van [gedaagde] en tot aan dit vonnis begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2005.

de griffier de rechter