Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU4914

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-09-2005
Datum publicatie
25-10-2005
Zaaknummer
123925
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De partijen verschillen van mening over de vraag of een vaste prijs voor de werkzaamheden is overeengekomen. Art. 7:752 BW bepaalt dat indien bij het sluiten van de overeenkomst geen prijs is bepaald de opdrachtgever een redelijke prijs is verschuldigd. De vordering van Van der Linde is kennelijk daarop gebaseerd dat bij gebreke van een vaste prijsafspraak een redelijke prijs op basis van nacalculatie verschuldigd is. Hecra stelt echter dat bij de overeenkomst wel een vaste prijs is afgesproken en dat de gevorderde hoofdsom de door Hecra opgestelde begroting overstijgt. In de visie van Hecra zou zij derhalve, voor zover zij al betaling verschuldigd zou zijn, niet gehouden zijn het meerdere te betalen. Nu het Hecra is die zich beroept op de rechtsgevolgen van een tussen partijen gemaakte afspraak is het ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv aan Hecra te bewijzen dat Van der Linde akkoord is gegaan met een door Hecra vastgestelde begroting op basis van vaste prijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 123925 / HA ZA 05-337

Datum vonnis: 7 september 2005

Vonnis

in de zaak van

[eiser] h.o.d.n. [eiser] BOUWMANAGEMENT,

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HECRA AFBOUW B.V.,

gevestigd te Barneveld,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. W.D. Huizinga.

Partijen worden verder aangeduid met “[eiser]” en “Hecra”.

Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van de kantonrechter van 23 februari 2005 wordt naar dat vonnis gewezen. Verder zijn nog de volgende processtukken gewisseld:

* een akte tot vermeerdering van eis aan de zijde van [eiser];

* een conclusie van dupliek in conventie tevens houdende conclusie van repliek en vermeerdering van eis in reconventie;

* een conclusie van dupliek in reconventie.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

Hecra heeft in het voorjaar 2004 [eiser] als onderaannemer opdracht gegeven voor het verrichten van werkzaamheden aan de badkamers van de familie [betrokkene 1] in Bilthoven en de familie [betrokkene 2] in Hilversum.

Eerst is opdracht gegeven voor de werkzaamheden bij de familie [betrokkene 1]. Kort na aanvang daarvan is de opdracht gegeven voor de werkzaamheden bij de familie [betrokkene 2] in Hilversum. De medewerkers van [eiser] hebben vervolgens in dezelfde periode gedurende enkele weken aan de beide badkamers gewerkt.

Bij brief d.d. 9 juni 2004 heeft Hecra, onder opgave van redenen, aangeven niet tevreden te zijn over de werkwijze van [eiser] bij de beide projecten. Hecra heeft door middel van deze brief de samenwerking met [eiser] met onmiddellijke ingang stopgezet en [eiser] aansprakelijk gesteld voor de schade die Hecra heeft geleden als gevolg van ondeugdelijke werkzaamheden door [eiser].

In reactie op deze brief heeft [eiser] bij brief d.d. 14 juni 2004 aan Hecra onder andere het volgende bericht.

“U maakt melding dat de laatste werkzaamheden en de opleverpunten al in opdracht zijn gegeven aan en deels uitgevoerd zijn door een andere onderaannemer. Hierdoor zijn wij niet in staat gesteld de opleverpunten af te werken. Derhalve beschouwen wij het werk als opgeleverd.

De door ons gemaakte kosten bedragen voor het werk fam. [betrokkene 1] € 5.608,32 exclusief de in opdracht staande, nog te leveren en te monteren deur, en fam. [betrokkene 2] € 5.731,12 (beide bedragen zijn exclusief B.T.W.). Het schilderwerk bij de fam. [betrokkene 2] is apart aan u gefactureerd, zie ons factuurnummer 2004065 d.d. 5 juni 2004. Dit is door ons uitgevoerd buiten de opdracht om en na uw goedkeuring. Opleverpunten voor beide werken tezamen, welke door u genoemd zijn, zijn door ons ingeschat op maximaal € 1.000,00, wat zeer ruim is. Alle openstaande facturen dienen door u binnen 1 week na datum van deze brief te worden voldaan.”

Ter zake van de beide opdrachten heeft [eiser] onderstaande bedragen aan Hecra gefactureerd:

Factuur 2004053 d.d. 22 mei 2004, badkamer Hilversum € 3.570,00

Factuur 2004054 d.d. 22 mei 2004, badkamer Bilthoven € 3.570,00

Factuur 2004065 d.d. 5 juni 2004, badkamer Hilversum € 571,20

Factuur 2004069 d.d. 14 juni 2004, badkamer Hilversum € 2.655,03

Factuur 2004070 d.d. 14 juni 2004, badkamer Bilthoven € 2.508,90

€ 12.875,13

Hecra heeft deze facturen onbetaald gelaten.

Het geschil

In conventie

[eiser] vordert na vermeerdering van eis Hecra bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 13.723,88 met veroordeling van Hecra in de kosten van het geding. Het gevorderde bedrag is opgebouwd uit de hoofdsom van € 12.875,13, een bedrag van € 67,75 ter zake van rente over de hoofdsom en een bedrag van € 781,-- ter zake van buitengerechtelijke incassokosten. Tevens vordert [eiser] de wettelijke rente over de hoofdsom van € 12.875,12 vanaf 11 augustus 2004 tot aan de dag der algehele voldoening.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag de nakoming van de overeenkomst tussen Hecra en [eiser] uit hoofde waarvan Hecra de gefactureerde bedragen verschuldigd is geworden maar onbetaald laat.

Hecra heeft de vordering van [eiser] gemotiveerd betwist.

In reconventie

Hecra vordert, na vermeerdering van eis, [eiser], voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan Hecra te betalen:

- primair een bedrag van € 17.567,10 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2004 tot aan de dag der algehele voldoening. Dit bedrag is opgebouwd uit kosten die gemaakt zijn om de schade als gevolg van wanprestatie aan de zijde van [eiser] te herstellen;

- subsidiair een bedrag van € 9.803,30. Dit bedrag betreft de kosten zoals hiervoor genoemd minus de totaalprijzen van de projecten van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] die door Hecra zijn begroot op respectievelijk € 4.741,75 en € 4.771,80 maar inclusief € 1.749,75 vanwege niet door [eiser] uitgevoerde, maar wel door hem gefactureerde, tegelwerkzaamheden.

- € 894,53 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten te vermeerden met de wettelijke rente vanaf de factuurdatum 27 augustus 2004 tot aan de dag der algehele voldoening;

- althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen vergoeding, te vermeerden met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;

- met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding in reconventie.

Hecra legt aan zijn vordering ten grondslag dat [eiser] de aan haar uitbestede opdrachten niet goed heeft uitgevoerd en derhalve wanprestatie heeft gepleegd en deswege schadeplichtig is geworden.

[eiser] heeft de vordering in reconventie gemotiveerd betwist.

De boordeling van het geschil

In conventie en in reconventie

Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [eiser] de vijf onder 2.5 vermelde facturen overgelegd. De factuurbedragen vormen tezamen de gevorderde hoofdsom van € 12.875,13. [eiser] stelt dat het door hem gevorderde bedrag de prijs op basis van nacalculatie is voor de werkzaamheden die hij heeft verricht bij de beide families. Hecra is van mening dat [eiser] hiervoor een te hoog bedrag in rekening heeft gebracht. Zij stelt dat overeengekomen is dat [eiser] de werkzaamheden voor een vaste aanneemsom zou verrichten en dat [eiser] de door Hecra opgestelde begrotingen voor de werkzaamheden (stilzwijgend) heeft geaccepteerd.

De partijen verschillen dus van mening over de vraag of een vaste prijs voor de werkzaamheden is overeengekomen. Art. 7:752 BW bepaalt dat indien bij het sluiten van de overeenkomst geen prijs is bepaald de opdrachtgever een redelijke prijs is verschuldigd. De vordering van [eiser] is kennelijk daarop gebaseerd dat bij gebreke van een vaste prijsafspraak een redelijke prijs op basis van nacalculatie verschuldigd is. Hecra stelt echter dat bij de overeenkomst wel een vaste prijs is afgesproken en dat de gevorderde hoofdsom de door Hecra opgestelde begroting overstijgt. In de visie van Hecra zou zij derhalve, voor zover zij al betaling verschuldigd zou zijn, niet gehouden zijn het meerdere te betalen. Nu het Hecra is die zich beroept op de rechtsgevolgen van een tussen partijen gemaakte afspraak is het ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv aan Hecra te bewijzen dat [eiser] akkoord is gegaan met een door Hecra vastgestelde begroting op basis van vaste prijzen.

[eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat gedurende de uitvoering van de werkzaamheden voorschotten, zoals te doen gebruikelijk in de bouwwereld, in rekening mochten worden gebracht, wat zij door middel van de facturen heeft gedaan. Omdat Hecra de in rekening gebrachte voorschotten niet heeft voldaan vordert [eiser] rente over de voorschotten. Hecra betwist dat het in rekening brengen van voorschotten is afgesproken en daarmee dat zij rente vanaf de factuurdatum verschuldigd is. Nu het [eiser] is die zich beroept op de rechtsgevolgen van een overeengekomen bevoorschotting, is het aan [eiser] te bewijzen dat hij - ook indien komt vast te staan dat [eiser] akkoord is gegaan met een door Hecra vastgestelde begroting - voorschotten in rekening mocht brengen.

Alvorens eventueel bewijsopdrachten op deze punten te geven, ziet de rechtbank aanleiding een comparitie te gelasten om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of de partijen het op één of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Daarbij kan de mogelijkheid van doorverwijzing naar een mediator aan de orde komen. Voor de comparitie is twee uur uitgetrokken.

Tijdens de comparitie zal eveneens de door Hecra gestelde wanprestatie van [eiser] aan de orde komen. Hecra heeft zich in conventie onder meer verweerd met de stelling geen betaling verschuldigd te zijn omdat [eiser] wanprestatie heeft gepleegd. Indien komt vast te staan dat [eiser] wanprestatie heeft gepleegd, ontslaat dit Hecra echter nog niet zonder meer van haar betalingsverplichting. Daartoe is noodzakelijk dat Hecra de overeenkomst met [eiser] heeft ontbonden. Vooropgesteld moet worden dat niet op voorhand vast staat dat de brief d.d. 9 juni 2004 van Hecra voldoet aan de vereisten van een schriftelijke ontbindingsverklaring zoals bedoeld in art. 7:267 BW. Daarnaast is van belang dat Hecra slechts dan tot ontbinding bevoegd was zonder dat [eiser] in verzuim was, indien nakoming door [eiser] blijvend of tijdelijk onmogelijk was. Was nakoming nog mogelijk dan ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas indien [eiser] door Hecra op de juiste wijze in gebreke is gesteld. Vooralsnog staat niet vast dat nakoming door [eiser] blijvend onmogelijk was en evenmin dat door [eiser] (op de juiste wijze) in gebreke is gesteld. Nu het voornoemde ook voor de vordering tot schadevergoeding in reconventie van belang is, zullen tijdens de comparitie hierover inlichtingen worden gevraagd. Ook de overige punten kunnen daarbij zonodig aan de orde komen.

De partijen wordt verzocht de stukken waarop zij tijdens de comparitie een beroep willen doen uiterlijk twee weken tevoren in fotokopie aan de andere partij en aan de rechtbank toe te zenden.

[eiser] wordt tevens verzocht uiterlijk twee weken van tevoren specificaties van de facturen van de werkzaamheden die hij heeft verricht bij de families [betrokkene 1] en [betrokkene 2] toe te zenden aan de andere partij en aan de rechtbank.

Ter bevordering van een voortvarende afwikkeling van de procedure moeten de partijen erop voorbereid zijn dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis, bijvoorbeeld tot een bewijsopdracht of deskundigenonderzoek, kan wijzen overeenkomstig art. 232, tweede lid, aanhef en onder a, Rv.

Ter comparitie kan aan de orde komen wie de partijen eventueel als deskundige(n) benoemd willen zien.

Hoger beroep van dit vonnis staat slechts open tegelijk met dat van het eindvonnis (art. 337, tweede lid, Rv.). Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank:

In conventie en in reconventie

bepaalt dat de partijen, vergezeld van hun advocaten, voor de rechtbank (mr. R.J.B. Boonekamp) zullen verschijnen in het Paleis van Justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4 om inlichtingen over de zaak te geven en te laten onderzoeken of de partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden, op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

verwijst de zaak naar de tweede rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken, voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de donderdagen in de maanden september 2005 tot en met december 2005, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

bepaalt dat de partijen dan vertegenwoordigd zullen zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

verzoekt de tijdige toezending van de stukken zoals onder 4.7 bedoeld,

verstaat dat hoger beroep van dit vonnis alleen mogelijk is tegelijk met dat van het eindvonnis,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en uitgesproken in het openbaar op 7 september 2005.

de griffier de rechter