Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU4912

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-09-2005
Datum publicatie
25-10-2005
Zaaknummer
124313
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tijdens de comparitie heeft gedaagde erkent dat de wilg binnen een afstand van twee meter van de gezamenlijke erfgrens staat, hetgeen in strijd is met artikel 5:42 BW. Dat is slechts anders in het geval dat zoals gedaagde stelt, de boom meer dan twintig jaar ter plaatse aanwezig is. Zijn daarop gegronde beroep op verjaring zal hij moeten waarmaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 124313 / HA ZA 05-408

Datum vonnis: 7 september 2005

Vonnis

in de zaak van

1. [eiser],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

procureur en advocaat mr. P. Winkelman te Tiel,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. H. van Ravenhorst te Arnhem,

advocaat mr. L.F. van Wijck te Zoetermeer.

Het verloop van de procedure

Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar het tussenvonnis van 25 mei 2005. De daarop gehouden comparitie van partijen ter plaatse, waarvan het proces-verbaal zich bij de stukken bevindt, heeft niet tot overeenstemming geleid. Vervolgens is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten en het geschil in conventie en in reconventie

1. [eiser 1] c.s. wonen aan de [adres]. Naast hen

woont de familie [gedaagde] op het adres [adres]. Hun erfgrens loopt in het midden van een gemeenschappelijke sloot. Aan de voorzijde bij de [adres] staat op het terrein van [gedaagde] nabij de erfgrens een wilg. Meer naar achteren bevindt zich op het perceel van [eiser 1] c.s. een negental hoge populieren. De afstand daarvan tot de erfgrens van de partijen bedraagt meer dan twee meter.

2. [eiser 1] c.s. vorderen - verkort weergegeven - [gedaagde] te veroordelen

binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis een aanvang te maken met de verwijdering van de wilg en deze verwijderd te houden, zodanig dat deze binnen 14 dagen nadien is verdwenen, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

[eiser 1] c.s. stellen daartoe dat de wilg zich in strijd met het bepaalde in artikel 5: 42 BW binnen twee meter van de erfgrens bevindt. Door de wilg ondervinden zij ernstige overlast door het wegnemen van licht en water, waardoor de gewassen in de moestuin op bepaalde plaatsen slecht groeien. Ook is er in de herfst veel overlast door bladval en vocht.

3. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer. In reconventie vordert hij

[eiser 1] c.s. te veroordelen de negen populieren die zich aan de oostkant langs de sloot op hun terrein bevinden te verwijderen, althans te snoeien en teruggesnoeid te houden tot een hoogte van vijf meter, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

[gedaagde] stelt dat de bomen zo extreem hoog zijn geworden en bovendien nog eens zo dichtbegroeid met klimop dat er sprake is van ernstige onrechtmatige hinder. Er is een sterk verminderde inval van (zon)licht en enorme overlast van bladeren.

Tijdens de comparitie hebben [eiser 1] c.s. de vordering van [gedaagde] in reconventie tegengesproken.

De beoordeling van het geschil

4. Tijdens de comparitie heeft [gedaagde] erkent dat de wilg binnen een afstand van twee meter van de gezamenlijke erfgrens staat, hetgeen in strijd is met artikel 5: 42 BW. Dat is slechts anders in het geval dat zoals [gedaagde] stelt, de boom meer dan twintig jaar ter plaatse aanwezig is. Zijn daarop gegronde beroep op verjaring zal hij moeten waarmaken.

De lopende verjaring is op de voet van artikel 3: 316 BW voor het eerst gestuit op de dag van de betekening van de dagvaarding, 23 februari 2005, nu van een eerdere stuiting niet is gebleken. De schriftelijke aanmaningen, zoals laatstelijk die van de raadsman van [eiser 1] c.s. van 13 juli 2004, hadden geen stuitende werking omdat deze niet binnen zes maanden zijn gevolgd door een daad van rechtsvervolging (artikel 3: 317 lid 2 BW). Dit betekent dat [gedaagde] zal moeten aantonen dat de wilg er op 23 februari 1985 al stond. Overeenkomstig zijn aanbod zal hij tot het leveren van bewijs worden toegelaten. Hierbij wordt voor de goede orde nog aangetekend dat [gedaagde] de wilg in elk geval zodanig zal moeten onderhouden dat geen takken over de erfgrens heen steken.

5. Tijdens de comparitie zijn de negen populieren vanuit de tuin

van [gedaagde] door de rechter waargenomen. Ook is gezien dat de woningen van de partijen in een boomrijke omgeving zijn gelegen. Het zal zeker waar zijn dat door de populieren in de loop van de middag zonlicht wordt weggenomen en dat [gedaagde] in de herfst last zal ondervinden van vallend blad. Onrechtmatige hinder zoals bedoeld in artikel 5: 37 BW levert dat echter niet op. Het algemene belang dat is gediend met de aanwezigheid van bomen dwingt tot terughoudendheid bij het verwijderen ervan. Dat spoort met de in veel gevallen door de overheid gestelde voorwaarde van een kapvergunning. Terugsnoeien is geen reëel alternatief, omdat daardoor de verschijningsvorm van de populieren zou worden aangetast. Al met al is de conclusie dat [gedaagde] de aanwezigheid van de bomen zal moeten dulden. Zijn vordering in reconventie stuit daarop af. Er is aanleiding de beslissing daarop aan te houden totdat ook in conventie een eindoordeel mogelijk is.

6. De mogelijkheid van dit vonnis in hoger beroep te komen is

beperkt. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

de rechtbank,

in conventie

laat [gedaagde] toe te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de vordering tot verwijdering van de wilg, die zich in strijd met artikel 5: 42 BW op het terrein van [gedaagde] bevindt, is verjaard,

bepaalt voor het geval [gedaagde] dit bewijs door middel van getuigen wil leveren, dat dezen zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank, Walburgstraat 2-4 te Arnhem, door mr. D. van Driel van Wageningen op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd (een dinsdag),

verwijst de zaak naar de tweede rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor het opgeven van de eventuele getuigen met hun respectieve verhinderdagen in de maanden oktober-december 2005,

bepaalt dat het aldus vastgestelde tijdstip behoudens dringende redenen niet zal worden gewijzigd,

verstaat dat bij gebreke van de gevraagde getuigenopgave geen gelegenheid meer zal worden gegeven voor het doen horen van getuigen,

verwijst de zaak in dat geval naar de zesde rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor het nemen van een conclusie na niet gehouden enquête aan de zijde van [gedaagde] of voor het wijzen van vonnis,

in conventie en in reconventie

verstaat dat van dit vonnis geen hoger beroep mogelijk is dan tegelijk met dat van een later wel voor hoger beroep vatbaar vonnis,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Driel van Wageningen en uitgesproken in het openbaar op 7 september 2005.

de griffier de rechter