Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU4911

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
07-09-2005
Datum publicatie
25-10-2005
Zaaknummer
128582
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

In een geschil als het onderhavige geldt als uitgangspunt de contractsvrijheid van de bij een onderhands schuldsaneringsakkoord betrokken partijen. Het staat een schuldeiser in beginsel dus vrij om een aanbod tot gedeeltelijke betaling tegen finale kwijting te weigeren. Alleen indien is gebleken dat een weigerachtige schuldeiser misbruik maakt van zijn bevoegdheid tot weigering, bijvoorbeeld indien hij -in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen zijn belang bij uitoefening van die bevoegdheid en de belangen van de schuldenaar of de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad - in redelijkheid niet tot weigering tot medewerking aan het onderhands akkoord heeft kunnen komen, kan deze medewerking in kort geding worden afgedwongen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 128582 / KG ZA 05-394

Datum vonnis: 7 september 2005

Vonnis in kort geding

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. M.A. Oostendorp,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V,

statutair gevestigd te Amsterdam,

kantoorhoudende te Arnhem,

gedaagde,

advocaat mr. W.R.H. Jager.

Het verloop van de procedure

Eiser heeft gedaagde ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.

Gedaagde heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

De advocaat van eiser en de advocaat van gedaagde hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities en de daarbij behorende producties.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1. Eiser heeft op 13 juli 2004 in verband met een ontstane schuldenlast met de afdeling Budget Advies Centrum (hierna het BAC te noemen) van de gemeente Arnhem een overeenkomst tot schuldbemiddeling gesloten. Als gevolg hiervan wordt het salaris van eiser (€ 1.911,82 per maand, inclusief vakantiegeld) althans een gedeelte daarvan maandelijks overgemaakt aan het BAC.

De afloscapaciteit van eiser voor diens schulden (thans in totaal

€ 41.446,34) is door het BAC berekend op € 1.211,-- per maand.

Dit bedrag wordt door het BAC maandelijks gedurende een periode van maximaal 3 jaar gereserveerd. Het resterende bedrag blijft vrij beschikbaar voor eiser. Eiser woont samen met een partner die eigen inkomsten heeft.

2. Om tot een buitengerechtelijke schuldsanering te komen heeft het BAC namens eiser bij brief van 7 december 2004 aan de (zes) crediteuren van eiser -onder wie gedaagde- tegen finale kwijting een percentage van 70,52% van de openstaande vordering aangeboden, waarbij uitbetaling jaarlijks (na hercontrole van het besteedbare budget) zal plaatsvinden uit de door het BAC gereserveerde gelden.

Met uitzondering van gedaagde zijn alle schuldeisers akkoord gegaan met dit aanbod.

Eiser is aan gedaagde een bedrag ad € 1.210,06 verschuldigd.

Het geschil

1. Eiser vordert thans dat gedaagde wordt veroordeeld om mee te werken aan het door eiser aangeboden akkoord, dat inhoudt dat gedaagde een percentage van 70,52% van haar totale vordering ad € 1.210,06 zal ontvangen, zijnde een bedrag van € 853,33, en voorts dat gedaagde wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.

Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat de weigering van gedaagde om mee te werken aan het door eiser aangeboden crediteurenakkoord naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en misbruik van recht als bedoeld in art. 3:13 BW oplevert. Eiser heeft in dat verband aangevoerd dat gedaagde door niet in te stemmen met het akkoord, voorbijgaat aan de belangen van eiser en de overige schuldeisers, omdat de kans aanzienlijk is dat, indien het akkoord geen doorgang vindt, alle schuldeisers niets van hun totale vordering betaald zullen zien althans een geringer percentage dan thans door hem wordt aangeboden.

2. Gedaagde voert gemotiveerd verweer waarop, voor zover van belang, hierna zal worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil

1. In een geschil als het onderhavige geldt als uitgangspunt de contractsvrijheid van de bij een onderhands schuldsaneringsakkoord betrokken partijen. Het staat een schuldeiser in beginsel dus vrij om een aanbod tot gedeeltelijke betaling tegen finale kwijting te weigeren. Alleen indien is gebleken dat een weigerachtige schuldeiser misbruik maakt van zijn bevoegdheid tot weigering, bijvoorbeeld indien hij -in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen zijn belang bij uitoefening van die bevoegdheid en de belangen van de schuldenaar of de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad - in redelijkheid niet tot weigering tot medewerking aan het onderhands akkoord heeft kunnen komen, kan deze medewerking in kort geding worden afgedwongen. Voor de beantwoording van de vraag of deze situatie zich hier voordoet, is het volgende van belang.

2. Allereerst is de voorzieningenrechter, anders dan gedaagde meent, van oordeel dat de schuldenpositie van eiser, gelet op de hoogte van de totale schuldenlast, als problematisch moet worden aangemerkt en dat een sanering van deze schuldenlast -al dan niet buiten rechte- de aangewezen weg is om tot een oplossing te komen.

Daaraan doet niet af de stelling van gedaagde (indien al juist) dat deze schuldenlast ook zonder akkoord of wettelijke schuldsanering binnen drie of vier jaar geheel dan wel grotendeels moet kunnen zijn afgebouwd.

3. Vaststaat dat het door/namens eiser aangeboden akkoord door een onafhankelijke en deskundige partij (het BAC) is getoetst en dat de daarbij gehanteerde berekeningsmethode is ontwikkeld door de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK) waarvan de Nederlandse Vereniging van Banken, waarbij gedaagde is aangesloten, deel uitmaakt. In het licht daarvan moet voldoende aannemelijk worden geacht dat de financiële gegevens (waaronder het inkomen) van eiser behoorlijk zijn getoetst en dat het aangeboden akkoord het maximaal haalbare is waartoe eiser in staat moet worden geacht.

4. Daarbij verdient aandacht dat de advocaat van eiser ter zitting het aanbod als volgt heeft toegelicht. Het BAC zal gedurende (maximaal) 3 jaren maandelijks een bedrag dat gelijk is aan de afloscapaciteit ten behoeve van de schuldeisers van eiser reserveren. Dat bedrag zal na aftrek van de bemiddelingskosten worden uitgekeerd aan die schuldeisers. Indien de afloscapaciteit gedurende 3 jaren ongewijzigd € 1.211,-- per maand blijft, zullen de schuldeisers 70,52% van hun vorderingen uitgekeerd krijgen. Dat percentage kan hoger of lager uitvallen als gevolg van een wijziging van de afloscapaciteit door gewijzigde financiële omstandigheden van eiser. Ingeval de genoemde afloscapaciteit van € 1.211,-- per maand tot een hoger uitkeringspercentage zou kunnen leiden, zoals gedaagde betoogt, zal dat hogere percentage worden voldaan.

In deze zin zal de voorzieningenrechter het aanbod derhalve verstaan.

5. Gedaagde komt bij een gelijke aflossingscapaciteit op een beduidend hoger uitkeringspercentage uit. Dat verschil kon ter zitting niet worden verklaard. Indien het door gedaagde berekende uitkeringspercentage juist is, zal zij derhalve een groter gedeelte van haar vordering ontvangen dan eiser heeft aangeboden.

Gelet op voormelde toetsing door het BAC van de financiële gegevens van eiser wordt het door gedaagde gevoerde verweer dat bij de berekening van het inkomen van eiser van onjuiste c.q. verouderde gegevens (namelijk van 2003/2004) is uitgegaan, verworpen. Dat geldt temeer nu niet is gebleken dat gedaagde aan eiser of het BAC om een salarisspecificatie van recente datum heeft verzocht en gedaagde evenmin heeft gesteld dat het huidige salaris van eiser substantieel hoger is dan in 2003/2004 het geval is geweest. Van dit laatste is ter zitting ook niet gebleken.

6. Vervolgens is de vraag aan de orde of -zoals gedaagde stelt- de crediteuren van eiser (en met name gedaagde) beter af zullen zijn, indien gedaagde wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Hieromtrent wordt als volgt geoordeeld. In het geval van toepassing van de WSNP zullen voor de berekening van de afloscapaciteit dezelfde normen worden toegepast als het BAC heeft gedaan, en de uitkomst zal dan ook gelijk zijn. Ook het inkomen van eisers partner wordt in beide gevallen buiten beschouwing gelaten, zij het dat (telkens) een -negatieve- correctie wordt toegepast op de beslagvrije voet in verband met de verdeling van de woonlasten tussen eiser en diens partner.

In financieel opzicht bestaat het enige verschil tussen beide situaties, schuldsanering buiten rechte respectievelijk in het kader van de WSNP, dan nog (slechts) uit de kosten: het BAC rekent bemiddelingskosten (9% van het totaalbedrag van de aan de schuldeisers uit te keren bedragen, zijnde bij een uitkeringspercentage van 70,52 een bedrag van € 2.890,67) terwijl in het kader van de WSNP aan de bewindvoerder salaris toekomt en publicatiekosten worden gemaakt (naar de voorzieningenrechter ambtshalve bekend is, bedraagt de bijdrage van de schuldenaar/saniet ad € 44,63 per maand gedurende drie jaar, in totaal € 1.606,68, en bedragen de publicatiekosten (minimaal) € 278,--).

Uitgaande van het door eiser aangeboden uitkeringspercentage van 70,52% en van het feit dat de hoogte van de vordering van gedaagde 2,92% van de totale schuldenlast bedraagt, betekent dit verschil in kosten dat bij toepassing van de WSNP per saldo een bedrag ad € 29,37 meer kan worden uitgekeerd aan gedaagde dan in het geval uitvoering wordt gegeven aan het door eiser aangeboden akkoord. Indien wordt uitgegaan van een uitkeringspercentage van 95,72% (dat volgens de advocaat van gedaagde haalbaar is), bedraagt dit verschil per saldo € 59,53.

7. De belangen van partijen tegen elkaar afwegende is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het belang van gedaagde om bij toepassing van de WSNP een bedrag van (maximaal) € 59,53 meer te ontvangen, minder zwaar weegt dan het belang van eiser om buiten de WSNP te blijven. Dit belang van eiser bestaat -naast het feit dat hij niet het stempel/stigma van de WSNP opgeplakt krijgt- hierin dat hij tengevolge van de met het BAC gesloten overeenkomst onder intensief, streng en onafhankelijk toezicht staat en daardoor beter met geld leert om te gaan. Het door/namens gedaagde gevoerde verweer dat dit laatste evenzeer en waarschijnlijk beter zal kunnen geschieden in het kader van de WSNP wordt als onvoldoende onderbouwd, verworpen.

Tot slot is nog van belang dat door/namens eiser onweersproken is gesteld dat 95% van de schuldsaneringstrajecten onder begeleiding van het BAC zonder problemen verloopt.

8. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat gedaagde in dit concrete geval in redelijkheid niet tot weigering tot deelname aan het door eiser aangeboden akkoord heeft kunnen komen en dus misbruik van haar bevoegdheid tot weigering maakt.

Daarbij is de voorzieningenrechter, anders dan gedaagde meent, van oordeel dat een (eventueel) minder juiste wijze van voorlichting aan de crediteuren door/namens eiser (de onder de feiten sub 2 genoemde brief van/namens eiser aan de crediteuren verdient inderdaad niet “de schoonheidsprijs”) in dit geval geen belemmering vormt voor de aanvaarding van het aangeboden akkoord.

9. De vordering van eiser -waarvan het spoedeisend belang voldoende is aangetoond- zal gelet op het vorenstaande worden toegewezen.

10. Als de in het ongelijk gestelde partij zal gedaagde in de kosten van dit kort geding worden verwezen.

De beslissing

De voorzieningenrechter

1. veroordeelt gedaagde om mee te werken aan het door eiser aangeboden crediteurenakkoord, inhoudende dat gedaagde een percentage van 70,52% zal verkrijgen van haar totale vordering ad

€ 1.210,06, zijnde het bedrag van € 853,33,

2. veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eiser bepaald op € 816,-- voor salaris en op € 329,60 voor verschotten,

3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4. weigert het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2005 in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Wouters.

de griffier de rechter