Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU4016

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-10-2005
Datum publicatie
10-10-2005
Zaaknummer
05/970003-05 05/080172-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte rijdt in een auto en krijgt op een kruising woorden met een fietser die hem geen voorrang geeft. Beiden rijden door en verdachte ziet even later de fietser voor zich rijden. Verdachte rijdt met de auto toe op de fietser en rijdt tegen de fietser en zijn fiets aan. De fietser komt te vallen en raakt daardoor gewond. De fiets wordt door de aanrijding beschadigd. Verdachte rijdt vervolgens door. Tenlastegelegd is een poging toto doodslag en het doorrijden na een ongeval.

De raadsman zegt dat verdachte zich binnen 12 uur vrijwillig heeft gemeld bij de politie, zodat de situatie van artikel 184 WVW 1994 zich voordoet. OM niet-ontvankelijk, aldus de raadsman. De miliaire kamer is van oordeel dat die situatie zich niet voordoet en dat er geen sprake is van vrijwillig melden als bedoeld in art. 184 WVW 1994. OM wel ontvankelijk in strafvervolging.

De militaire kamer acht voorwaardelijk opzet bewezen bij deze poging tot doodslag. De militaire kamer is van mening dat bij het inrijden op een fietser, zoals verdachte heeft gedaan, de auto is te beschouwen als een moordwapen, hoewel de militaire kamer aanneemt dat verdachte de fietser niet dood wilde rijden.

Ook het doorrijden na de aanrijding is bewezen. Verdachte is zich bewust geweest van het feit dat de fietser gewond raakte door de aanrijding en de fiets daarbij schade opliep.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 7
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2005/82 met annotatie van TvdP
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector strafrecht

Militaire Kamer

Parketnummers : 05/970003-05 en 05/080172-04 (vord. TUL)

Datum zitting : 19 september 2005

Datum uitspraak : 3 oktober 2005

VERKORT VONNIS

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

rang/stand : soldaat der eerste klasse,

rnr. : [nummer],

laatstelijk ingedeeld bij [X],

thans gedetineerd in P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid, Ir. Molsweg 5 te Arnhem.

Raadsman: mr. C.W.J. de Bont, advocaat te Doetinchem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de militaire kamer toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 juni 2005 te Zutphen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk de bestuurder van een fiets, te weten [slachtoffer], van het leven te beroven, opzettelijk met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto is toegereden en/of ingereden op voornoemde [slachtoffer] en/of daarmee is aangereden/opgereden tegen die [slachtoffer] en/of de fiets waarop die [slachtoffer] was gezeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 19 juni 2005 te Zutphen aan de bestuurder van een fiets, ye weten [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (schaafwonden en kneuzingen achterhoofd, rug, rechter- en linker elleboog, vingers rechterhand, enkel en/althans (waardoor) voornoemde [slachtoffer] gedurende de periode 20 juni 2005 tot 25 juli 2005 zijn beroepsbezigheden niet heeft kunnen uitoefenen), heeft toegebracht, door opzettelijk met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto toe te rijden en/of in te rijden op voornoemde [slachtoffer] en/of de fiets waarop die [slachtoffer] was gezeten ;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 19 juni 2005 te Zutphen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan de bestuurder van een fiets, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto is toegereden en/of ingereden op voornoemde [slachtoffer] en/of de fiets waarop die [slachtoffer] was gezeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

artikel 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 19 juni 2005, te Zutphen, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op Berkenlaan, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer]) letsel en/of schade was toegebracht, zonder dat de verdachte behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit en/of de identiteit van het door verdachte bestuurde motorrijtuig;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 19 september 2005 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. C.W.J. de Bont, advocaat te Doetinchem.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd en is ter terechtzitting verschenen:

? [slachtoffer], wonende te [adres]

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot:

een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden, waarvan zes (6) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde op te leggen reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt behandeling bij Kairos of een soortgelijke instelling en voorts met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling heeft de officier van justitie gevorderd de tenuitvoerlegging van twee (2) weken militaire detentie die door de militaire politierechter op 27 januari 2005 voorwaardelijk is opgelegd.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot het gevorderde bedrag van € 470,- (vierhonderd zeventig euro) wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door negen (9) dagen hechtenis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 aangevoerd dat verdachte zich na het ongeval waarbij hij betrokken was vrijwillig binnen twaalf uren na dat ongeval heeft gemeld bij de politie, zodat zich de situatie van artikel 184 van de Wegenverkeerswet 1994 voordoet. De raadsman heeft vervolgens geconcludeerd tot vrijspraak. De militaire kamer is evenwel van oordeel dat dit beroep opkomt tegen de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de strafvervolging van verdachte. De militaire kamer zal dit beroep dan ook in die zin beoordelen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting, en met name uit het proces-verbaal van politie, is komen vast te staan dat het ongeval waarbij verdachte betrokken was plaatsvond op 19 juni 2005 kort voor 17.31 uur.

Getuige [naam] heeft het kenteken van de auto die bij het ongeval was betrokken, kort na dat ongeval doorgegeven aan de politie. Door het kenteken wist de politie aanstonds dat het voertuig dat bij het ongeval was betrokken op naam stond van verdachte en was verdachte als betrokken bij het ongeval vanaf dat moment in beeld. Vervolgens is door de politie actief naar de bestuurder en het voertuig gezocht.

Op 19 juni 2005 omstreeks 19.30 uur kregen verbalisanten een telefoontje van de vader van verdachte met de mededeling dat zijn zoon zojuist betrokken was bij een verkeersongeval in Zutphen. Vader en zoon is toen aangezegd zich die dag om 19.45 uur te melden op het politiebureau te Zutphen, hetgeen zij hebben gedaan.

Uit de hierboven geschetste gang van zaken leidt de militaire kamer af dat niet gesproken kan worden van een zich vrijwillig melden als bedoeld in artikel 184 van de Wegenverkeerswet 1994. De verdenking tegen verdachte bestond reeds voordat verdachte zijn identiteit en die van zijn voertuig bekend maakte bij de politie.

Het beroep op de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie wordt daarom afgewezen.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 19 juni 2005 te Zutphen, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk de bestuurder van een fiets, te weten [slachtoffer], van het leven te beroven, opzettelijk met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto is toegereden en ingereden op voornoemde [slachtoffer] en daarmee is aangereden tegen die [slachtoffer] en de fiets waarop die [slachtoffer] was gezeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 19 juni 2005, te Zutphen, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval op Berkenlaan, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist aan een ander (te weten [slachtoffer]) letsel en schade was toegebracht, zonder dat de verdachte behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit en de identiteit van het door verdachte bestuurde motorrijtuig.

De militaire kamer heeft op grond van de inhoud van het proces-verbaal van de Koninklijke marechaussee, waaronder in het bijzonder het sporenonderzoek, de medische informatie betreffende [slachtoffer], diens verklaringen, de verklaringen van de getuigen [naam] en [naam] zowel in dat proces-verbaal als ter terechtzitting, en uit de verklaring van verdachte, de overtuiging verkregen dat verdachte door met een auto toe te rijden op een fietser en deze fietser en diens fiets aan te rijden, zoals hij heeft gedaan volgens de beschikbare bewijsmiddelen zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de volgens algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans dat door zijn wijze van handelen de fietser om het leven zou kunnen komen. Het onder 1 primair tenlastegelegde is derhalve bewezen geacht.

Verder is gebleken dat verdachte zich bewust is geweest dat hij de fietser en de fiets heeft aangereden en dat de fietser over de auto is geslagen en daarachter op de grond terecht is gekomen. Verdachte wist dat hij de fietser letsel had toegebracht en dat de fiets tengevolge van zijn handelen schade had opgelopen. Vervolgens is verdachte doorgereden zonder zijn identiteit prijs te geven. Hiermee is ook het onder 2 tenlastegelegde bewezen verklaard.

De verklaring van verdachte dat hij zou zijn uitgestapt, vervolgens werd bedreigd en daarom is weggereden, is gelet op de getuigenverklaringen ter terechtzitting volstrekt ongeloofwaardig.

Hetgeen verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair:

“poging tot doodslag”;

feit 2:

“overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994”.

4b. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Over verdachte is een multidisciplinair rapport opgemaakt door drs. H.M.J. Vandenboorn, gezondheidszorgpsycholoog BIG, drs. V. Versteeg, arts en kolonel-arts R.J.M. Mooren, psychiater, allen van de afdeling Forensische en Sociale Psychiatrie te Amersfoort, gedateerd respectievelijk 6 september 2005 en 7 september 2005, waarin zij het navolgende concluderen:

Betrokkene kent een lacunaire gewetensfunctie. Er is sprake van een verstoorde agressieregulatie. Het geheel imponeert als een zich ontwikkelende persoonlijkheidsproblematiek. Dit was ten tijde van het ten laste gelegde in een zelfde mate het geval. Betrokkene was zich bewust van het ongeoorloofde van het ten laste gelegde, in zoverre bewezen, en in staat tot het kiezen van een ander gedrag. De consequenties van zijn keuze op dat moment, heeft hij hierbij niet of nauwelijks in overweging genomen aangezien hij prevaleerde zijn gelijk te willen halen. Weliswaar speelde hierbij een aanzienlijke boosheid een sterke rol doch had deze, naar de mening van de onderzoekers, geen imperatieve betekenis. Gezien deze bevindingen stellen wij dat betrokkene niet verminderd toerekeningsvatbaar is voor het ten laste gelegde, in zoverre bewezen.

De militaire kamer verenigt zich met deze conclusie en maakt die tot de hare.

Overeenkomstig deze conclusie kan niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is. Er is voorts ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 21 juni 2005;

- een voorlichtingsrapportage van de Reclassering Nederland, Unit1 Arnhem, gedateerd 14 september 2005, betreffende verdachte, en

- het hiervoor onder 5 vermelde multidisciplinair rapport opgemaakt door drs. H.M.J. Vandenboorn, gezondheidszorgpsycholoog BIG, drs. V. Versteeg, arts en kolonel-arts R.J.M. Mooren, psychiater, allen van de afdeling Forensische en Sociale Psychiatrie te Amersfoort, gedateerd respectievelijk 6 september 2005 en 7 september 2005.

De militaire kamer overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft als bestuurder van een auto gepoogd een fietser van het leven te beroven. Na het aanrijden van de fietser is verdachte doorgereden zonder dat hij zijn identiteit en die van het door hem bestuurde voertuig behoorlijk heeft laten vaststellen.

Het één en ander vond plaats zonder enige noemenswaardige aanleiding. Verdachte ging na een scheldpartij van de fietsers die hem geen voorrang hadden gegeven verhaal halen. Hij heeft hierbij niet de bedoeling gehad een en ander op gewone wijze uit te praten maar is welbewust achter één van de fietsers aangegaan en heeft deze vervolgens aangereden. Op de wijze zoals verdachte is ingereden op de fietser, is de auto te beschouwen als een moordwapen. Dat verdachte de fietser niet dood wilde rijden neemt de militaire kamer wel aan, maar in casu is sprake van voorwaardelijk opzet. In deze zaak is derhalve sprake van een bijzonder laakbaar verkeersgedrag.

Met de psychiater, psycholoog en de reclassering is de militaire kamer van oordeel dat verdachte een therapeutische behandeling behoeft.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de mate waarin de feiten aan verdachte kunnen worden aangerekend, is de militaire kamer van oordeel dat verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd als door de officier van justitie gevorderd.

De militaire kamer houdt daarbij rekening met de laakbare – want kennelijk leugenachtige – opstelling van verdachte zoals hij deze ten toon heeft gespreid ter zitting. Voorts wordt rekening gehouden met de recidive op het gebied van agressie.

De militaire kamer ziet, gelet op verdachtes persoonlijke omstandigheden, aanleiding aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, en dat verdachte zal meewerken aan een therapeutische behandeling door de forensisch psychiatrische polikliniek Kairos te Apeldoorn.

6a. De beoordeling van de vordering na voorwaardelijke

veroordeling

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting acht de militaire kamer de feitelijke grondslag van de vordering van de officier van justitie juist.

Hij zal derhalve de tenuitvoerlegging gelasten van de voorwaardelijke militaire detentie die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de militaire politierechter te Arnhem van 27 januari 2005.

De militaire kamer gaat ervan uit dat deze militaire detentie zal worden tenuitvoergelegd als gevangenisstraf.

6b. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

Aan de benadeelde partij is door het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op na te melden bedrag.

De benadeelde partij heeft voorts gevorderd de wettelijke rente vanaf 19 juni 2005 (te weten de dag van het schadeveroorzakende feit).

De militaire kamer is van oordeel dat gezien het tijdstip waarop de vordering is ingediend, te weten 13 september 2005, geen plaats is voor toewijzing van dit deel van de vordering ter zake van wettelijke rente. Dit gedeelte van de vordering zal daarom worden afgewezen.

Voor het toewijsbare deel van de vordering geldt tevens dat de militaire kamer de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f van het Wetboek van Strafrecht zal toepassen en dus verdachte de verplichting zal opleggen een bedrag, gelijk aan het door de militaire kamer toe te wijzen schadebedrag, aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 27, 45, 57, 91 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 7, 176 en 178 van de wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De militaire kamer, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van ACHTTIEN (18) MAANDEN.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot ZES (6) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De militaire kamer stelt een proeftijd vast van twee (2) jaren. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dan wel niet is nagekomen de volgende bijzondere voorwaarden:

- Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens de (stichting) Reclassering Nederland zullen worden gegeven, voor zover en voor zolang dat door genoemde instelling nodig wordt geacht;

- Veroordeelde zal meewerken aan een ambulante therapeutische behandeling door de forensisch psychiatrische polikliniek Kairos te Apeldoorn, voor zover en voor zolang dit binnen de proeftijd door de behandelaars nodig wordt geacht.

Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Gelast de tenuitvoerlegging van de militaire detentie (ten uitvoer te leggen als gevangenisstraf) voor de duur van TWEE (2) WEKEN voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de militaire politierechter te Arnhem van 27 januari 2005 onder parketnummer 05/080172-04.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer], wonende te [adres], te betalen € 470,- (zegge vierhonderd zeventig euro).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

- Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.

Maatregel van schadevergoeding ad € 470,-, subsidiair 9 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], wonende te [adres], te betalen € 470,-, (zegge vierhonderd zeventig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van negen (9) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt dat voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. E.G. Smedema, rechter als voorzitter,

mr. A.M. van Gorp, rechter,

kolonel mr. J.P.M. Schwillens, militair lid,

in tegenwoordigheid van J.L. de Vos, griffier.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 oktober 2005.