Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU4011

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-10-2005
Datum publicatie
10-10-2005
Zaaknummer
05/095184-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt geconfronteerd met zijn buren - met wie hij al langer problemen had - die na een voorval waarbij verdachte de politie had ingeschakeld, verhaal bij hem komen halen. Na opening van de voordeur wordt verdachte agressief benaderd en krijgt enkele klappen. Verdachte reageert hier aanvankelijk niet op. Verdachte neemt echter wel een slagersmes ter hand en houdt dit uit het zicht van zijn belagers naast zich. Na een tiental seconden haalt hij het mes tevoorschijn en maakt hiermee al uitstappend een zwaaiende beweging in de richting van zijn belagers. Een van zijn belagers wordt hierdoor geraakt. Uit het dossier blijkt onvoldoende welk letsel van het slachtoffer is veroorzaakt door de beweging van verdachte met het mes. Derhalve is er onvoldoende bewijs voor een poging doodslag. Wel heeft verdachte door zijn handelen voorwaardelijk opzet gehad op de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. Van een noodweer-situatie is geen sprake nu het onmiddellijkheidsaspect ontbreekt, alsmede door dat verdachte - bekwaam in meerdere vechtsporten - niet is voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector strafrecht

Meervoudige Kamer

Parketnummer : 05/095184-04

Datum zitting : 19 september 2005

Datum uitspraak : 3 oktober 2005

VERKORT VONNIS

TEGENSPRAAK

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats]

Raadsman: mr. R.P. Zwarts, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 31 oktober 2004 te Arnhem, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk met een mes althans een dergelijk voorwerp voornoemde [slachtoffer] in de hals en/of het gezicht en/of een onderarm heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 31 oktober 2004 te Arnhem, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk voornoemde [slachtoffer] met een mes althans een dergelijk voorwerp in de hals en/of het gezicht en/of een onderarm heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 19 september 2005 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. R.P. Zwarts, advocaat te Arnhem.

Als benadeelde partij heeft zich schriftelijk in het geding gevoegd:

- [slachtoffer], met als gemachtigde [naam], wonende [adres] te [woonplaats].

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht (8) maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde op te leggen reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt behandeling bij Kairos of een soortgelijke instelling, en voorts tot het verrichten van tweehonderdveertig (240) uren werkstraf subsidiair éénhonderdtwintig (120) dagen vervangende hechtenis, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], met als gemachtigde [naam], wonende [adres] te [woonplaats], niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. De officier van justitie heeft daarom verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Uit hetgeen uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, is vast komen te staan dat verdachte een zwaaiende beweging met een mes heeft gemaakt naar de voor zijn deur staande personen, waaronder het uiteindelijke slachtoffer. Ook staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte hierbij het slachtoffer heeft geraakt. Voorts is vast komen te staan dat de partner van verdachte met een telefoonhoorn slaande bewegingen in de richting van het slachtoffer heeft gemaakt. Nu in het dossier geen medische verklaring is opgenomen omtrent de verwondingen van het slachtoffer en de vermoedelijk hieraan ten grondslag liggende gedragingen, is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs is om de (mogelijke) levensbedreigendheid van de verwondingen van het slachtoffer aan te nemen en specifiek toe te wijzen aan de zwaaiende beweging met het mes door verdachte. De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte primair is tenlastegelegd en zal verdachte daarvan vrijspreken.

Zoals gesteld is de rechtbank wel van oordeel dat verdachte met een mes heeft gezwaaid en hierbij het slachtoffer met het mes heeft geraakt. Dit blijkt onder meer uit de verklaringen van verdachte zelf en uit verschillende getuigenverklaringen. Wat er ook zij van het door verdachte aangevoerde verweer dat hij slechts met het mes zwaaide ter afschrikking van het slachtoffer, heeft verdachte door met het mes te zwaaien in de richting van het slachtoffer willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard hierbij zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer toe te brengen. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 31 oktober 2004 te Arnhem, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk voornoemde [slachtoffer] met een mes in de hals en/of het gezicht en/of een onderarm heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

“poging tot zware mishandeling”.

4b. De strafbaarheid van het feit

Door de raadsman van verdachte is primair het verweer gevoerd dat verdachte zou hebben gehandeld in een noodweersituatie, nu hij zich met het zwaaien met het mes zou hebben verdedigd tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn lijf. De rechtbank verwerpt dit verweer van de raadsman van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat er voor verdachte geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn lijf, waartegen het geboden was zich van een noodzakelijke verdediging te bedienen op een wijze zoals hij heeft gedaan. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende:

Uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, is de rechtbank gebleken dat verdachte naar de voordeur van zijn woning is gelopen, nu hem was gebleken dat zijn onderburen voor de deur stonden. Het feit dat verdachte hierop zelf de deur heeft geopend doet naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf een eventueel beroep op een noodweer-situatie niet stranden. De door de officier van justitie aangevoerde stelling dat verdachte door de deur te openen –

wetende dat hierachter zijn onderburen zich bevonden met wie hij ernstig gebrouilleerd was – zelf de noodtoestand in het leven heeft geroepen, wordt door de rechtbank dan ook verworpen. Verdachte hoefde op dat moment namelijk niet beducht te zijn op een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn lijf nu de ruzie eerder die bewuste avond was gesust.

Nadat verdachte de voordeur heeft geopend is er vervolgens een woordenwisseling ontstaan met de voor de deur staande onderburen. Deze woordenwisseling is overgegaan in fysieke agressie van de zijde van de onderburen. Tussen deze agressieve handelingen is enig tijdsverloop geweest. Verdachte heeft vervolgens een op zijn kapstok liggend mes gepakt. Uit de verklaringen van verdachte blijkt dat hij dit mes een tiental seconden uit het zicht naast zich heeft gehouden, vervolgens het mes tevoorschijn heeft gehaald en al uitstappende, een zwaaiende beweging met het mes heeft gemaakt in de richting van het slachtoffer.

Voorts blijkt uit de verklaring van verdachte dat hij door het zwaaien met het mes welbewust beoogde de onderburen naar achteren te doen deinzen, opdat hij zijn voordeur zou kunnen dichttrekken.

Geschetst verloop van de tijden tussen de handelingen van verdachte en tussen de handelingen van de onderburen, uiteindelijk leidende tot het zwaaien met het mes in de richting van het slachtoffer door verdachte, tezamen met de welbewuste afweging door verdachte ten aanzien van zijn handelen, doen het voor een noodtoestand vereiste onmiddellijkheidsaspect vervallen.

Voorts heeft verdachte gehandeld in strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Verdachte heeft zich bediend van een mes terwijl hij door zijn achtergrond als langdurig beoefenaar van diverse vechtsporten, de mogelijkheid had de door de onderburen op hem uitgeoefende agressie op andere, relatief minder gevaarlijke wijze afdoende te beantwoorden. Het in dit verband door verdachte aangevoerde verweer inhoudende dat wanneer hij een handgemeen met de ene voor de deur staande persoon was aangegaan, de andere persoon hem dan met een mes van opzij had kunnen belagen doet hier niet aan af. Dit risico aanvaardde verdachte immers ook door een uitstappende, zwaaiende beweging met het mes te maken. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank niet vast komen te staan dat de mogelijke belager van opzij op het moment van het zwaaien met het mes door verdachte, een gebruiksklaar mes in handen had.

Er kan derhalve niet gesproken worden van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte waartegen hij zich moest verdedigen op een wijze zoals hij heeft gedaan.

Het feit is derhalve strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Door de raadsman van verdachte is subsidiair het verweer gevoerd dat verdachte zou hebben gehandeld in een noodweer-exces-situatie, nu hij de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden – door gebruikmaking van het voor de situatie niet geëigende middel van het mes – als gevolg van de hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt. De rechtbank verwerpt ook dit verweer van de raadsman van verdachte. Gezien de berekenende en welbewuste afweging die verdachte voorafgaande aan zijn handelen heeft gemaakt, was er naar het oordeel van de rechtbank ten tijde van het tenlastegelegde geen sprake van een hevige gemoedsbeweging die verdachte tot zijn handelen heeft gebracht. De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar.

Voorts is over verdachte een multidisciplinair rapport opgemaakt door dr. L.H.W.M. Kaiser, psychiater, en drs. D. Doornbos, psycholoog, respectievelijk gedateerd 5 april 2005 en 27 mei 2005, waarin dr. L.H.W.M. Kaiser concludeert:

“Betrokkene lijdt aan een narcistische persoonlijkheidsstoornis en heeft kenmerken van de antisociale persoonlijkheidsstoornis. Dit was ook zo ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde. Door de stoornissen van betrokkene op het gebied van de persoonlijkheid had betrokkene zich in een zeer gevaarlijke positie gemanoeuvreerd. Betrokkene acht zich namelijk te groots om zich in een conflict terug te (blijven) trekken. Tevens acht hij zich te groots en te goed om hulp van buitenaf te aanvaarden. Dit zou zwakte betekenen. Betrokkene wil juist kracht uitstralen om zijn kwetsbaar zelfbeeld in stand te houden. Hierdoor heeft hij in de voorgeschiedenis van het tenlastegelegde feit steeds op eigen kracht de zaken willen oplossen en heeft hij niet tijdig en/of afdoende hulp gemobiliseerd of aanvaard. Hij heeft zelfs in de nacht van het tenlastegelegde feit hulp van de politie afgestoten, doordat hij geen aangifte wilde doen van bedreiging met een mes door [naam]. (Hierbij moet wel worden aangetekend, dat betrokkene bang was voor represailles door zijn benedenburen, als hij dat zou doen.) Om te kunnen volharden in zijn illusie van het bezitten van vrijwel onbeperkte kracht, moet betrokkene elke strijd winnen, vooral in de gevallen waarin hij zich getergd of gekleineerd voelt. Hij sprak tijdens de aanloop van het conflict letterlijk en figuurlijk voornamelijk in de taal van zijn agressieve benedenburen, b.v. door terug te schreeuwen en een wapen voorhanden te hebben. Maar door zijn opstelling lokte hij eveneens represailles uit, zodat het uiteindelijk kwam tot de uiteindelijke vechtpartij. In het licht van zijn stoornis past het feit dat betrokkene uiteindelijk zijn mes pakte, als een logisch vervolg in de geschiedenis. Het is te adviseren om betrokkene, indien het tenlastegelegde wordt bewezen, te beschouwen als licht verminderd toerekeningsvatbaar.”

Voorts concludeert drs. D. Doornbos:

“Betrokkene is lijdende aan een ziekelijke stoornis in de vorm van een agressieregulatiestoornis bij een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis: antisociaal en narcistisch. Somatische toestand: epilepsie. Deze stoornis was aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. De agressieregulatieproblematiek is bij hem structureel en bestaat al van kinds af aan. Deze is verankerd in zijn persoonlijkheid die uitgegroeid is in antisociale en narcistische richting mede als gevolg van de straatcultuur waarin hij in zijn jeugd leefde en gevormd is. Hij is vooral defensief tegen zijn eigen zwakke kant, weert iedere mogelijkheid van kwetsbaar-zijn voor de ander af wat hij op alle gebieden doet. Het is niet alleen als hij in omstandigheden is waar fysieke agressie dreigt, maar ook in de dagelijkse omgang. Kennelijk kan hij zich desondanks wel handhaven in het werk.

Hij heeft op zich zijn handelen tijdens een agressieve daad onder controle maar blijkt met name een zeer lage drempel te hebben waarop hij agressief wordt; daar heeft hij weinig controle over. Hij probeerde de aangeleerde technieken van Kairos toe te passen wat hem tot een bepaalde drempel lukte. Hij wist dat hij deze problematiek had en was reeds in behandeling geweest daarvoor. Hij heeft er echter zelf voor gekozen om die behandeling niet af te maken of niet opnieuw te vragen. Dat hangt enigszins met de grote krenkbaarheid in zijn persoonlijkheid samen van waaruit hij van zichzelf niet kan verdragen als hij enige beperking heeft. Betrokkene had alstoen voldoende inzicht in de wederrechtelijkheid van de begane feiten.

In relatie tot en ten tijde van het begaan van de tenlastegelegde feiten was er bij betrokkene sprake van een ziekelijke stoornis in de vorm van een agressieregulatiestoornis bij een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis: antisociaal en narcistisch, zodat hij zijn wil licht verminderd conform een dergelijk besef kon bepalen.

Het tenlastegelegde kan betrokkene, indien althans bewezen, dan ook licht verminderd worden toegerekend.”

De rechtbank verenigt zich met die conclusies en maakt die tot de hare.

Overeenkomstig deze conclusies kan ook niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is. Er is voorts geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit.

Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 20 juni 2005;

- een voorlichtingsrapportage van de (stichting) Reclassering Nederland, gedateerd 11 april 2005, betreffende verdachte;

- de multi-disciplinaire rapportage voornoemd.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door met een mes in de richting van een persoon te zwaaien en deze hierbij te raken. Dit is een ernstig feit waarbij het slachtoffer ernstig(er) letsel had kunnen oplopen. Verdachte heeft dit risico willens en wetens aanvaard. De rechtbank heeft bij haar oordeel wel rekening gehouden met het feit dat het handelen van verdachte is voortgekomen uit door het slachtoffer tegen hem uitgeoefende agressieve handelingen. Deze aanleiding ontneemt verdachte echter niet zijn strafbaarheid nu hij andere middelen had kunnen aanwenden ter beantwoording van de agressie door het latere slachtoffer. Wel heeft het feit dat het latere slachtoffer de situatie waaruit het tenlastegelegde is voortgekomen zelf in het leven heeft geroepen, meegewogen bij de straftoemeting door de rechtbank.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dan ook dat voor de afdoening van de onderhavige zaak geen andere straf in aanmerking komt dan een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een werkstraf, beide van na te noemen duur.

De rechtbank ziet, gelet op verdachtes persoonlijke omstandigheden, aanleiding aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat mocht inhouden het volgen van een ambulante behandeling bij Kairos of een soortgelijke instelling.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de

gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De rechtbank acht de vordering niet van eenvoudige aard, omdat het causaal verband tussen het bewezenverklaarde en de schade, alsmede de vraag naar de eigen schuld van het slachtoffer niet, althans onvoldoende is toegelicht/beantwoord. Mogelijk kan de benadeelde partij de schade verhalen via de burgerlijke rechter.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

A. een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechtbank stelt een proeftijd vast van twee (2) jaren. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dan wel niet is nagekomen de volgende bijzondere voorwaarde:

- Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens de (stichting) Reclassering Nederland zullen worden gegeven, ook als dit zal inhouden het volgen van een ambulante behandeling bij Kairos of een andere, vergelijkbare instelling, voor zover en voor zolang dat door genoemde instelling nodig wordt geacht.

Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

B. het verrichten van een werkstraf gedurende tweehonderd (200) uren.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten zes (6) uren, zijnde drie (3) dagen hechtenis.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen één (1) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij zich aan zodanige vrijheidsontneming heeft onttrokken.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op éénhonderd (100) dagen.

Heft op het inmiddels geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van veroordeelde voornoemd.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], met als gemachtigde [naam], wonende [adres] te [woonplaats].

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door:

mr. A.M. van Gorp, rechter als voorzitter,

mr. E.G. Smedema, rechter,

mr. J.P.M. Schwillens, rechter,

in tegenwoordigheid van drs. J. van Horn, griffier.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 oktober 2005.