Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU2325

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-07-2005
Datum publicatie
09-09-2005
Zaaknummer
120638
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres baseert haar vordering tot schadevergoeding primair op toerekenbaar tekortschieten en - zo begrijpt de rechtbank - subsidiair op onrechtmatige daad. Partijen verschillen niet van mening over de inhoud van de overeenkomst. Het uitbrengen in wedstrijden is daarvan een onderdeel. Het staat vast dat gedaagde het paard na de beslaglegging door betrokkene 1 niet meer in wedstrijden heeft uitgebracht. De te beantwoorden vraag is of eiseres gedaagde daarop kan aanspreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 120638 / HA ZA 04-2197

Datum vonnis: 20 juli 2005

Vonnis

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. R.J. Skála te Haren,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

procureur mr. P.C. Plochg,

advocaat mr. M.A. Menger te Amersfoort.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 februari 2005

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 8 april 2005

- de akte van depot aan de zijde van [eiseres] van 17 mei 2005

- de akte aan de zijde van [gedaagde] van 18 mei 2005

- de akte aan de zijde van [eiseres] van 18 mei 2005

- de akte aan de zijde van [gedaagde] van 1 juni 2005.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Volgens de inschrijving bij de Stichting Nederlandse Draf- en Rensport (“NDR”) is de draver “Royal of Moments” gefokt door en eigendom van [eiseres].

Sinds april 2002 is Royal of Moments gestald bij [gedaagde] ter belering, training en verzorging en het doen laten uitkomen in draverijen. De afspraken met [gedaagde] (hierna tezamen de “overeenkomst”) zijn niet schriftelijk vastgelegd. [gedaagde] overlegde met de heer [betrokkene 1] (hierna “[betrokkene 1]”), de toenmalige levenspartner van [eiseres], over alle voorkomende zaken die het paard betroffen. Dat gold ook voor de beslissing in welke wedstrijden het paard uitkwam.

[gedaagde] stuurde de maandelijkse rekeningen voor de stalling en training (en de eventueel bijkomende kosten voor de hoefsmid en de veearts) niet aan [eiseres] doch gaf deze aan [betrokkene 1] als hij hem trof bij een wedstrijd. [betrokkene 1] betaalde vervolgens contant. Op enig moment is [betrokkene 1] opgehouden met betalen waardoor een betalingsachterstand is ontstaan.

In 2002 en 2003 is Royal of Moments, bereden door [betrokkene 2] de zoon van [gedaagde], (met succes) uitgekomen in diverse koersen. Het prijzengeld dat daarmee werd gegenereerd, althans het deel daarvan dat toekomt aan de eigenaar, is door de NDR gestort op de rekening van [eiseres]. [gedaagde] was daarvan op de hoogte.

Bij brief van 23 februari 2004 heeft [eiseres] aan [gedaagde] bericht dat [betrokkene 1], haar inmiddels voormalige levenspartner, bij haar de eigendomspapieren van Royal of Moments had ontvreemd. Zij heeft daarin voorts gemeld dat zij aangifte had gedaan en [betrokkene 1] een kort geding had aangezegd.

Op 24 februari 2004 heeft [betrokkene 1] (onder meer) beslag tot afgifte gelegd op Royal of Moments, stellende dat het paard weliswaar op naam stond van [eiseres] doch dat feitelijk hij en niet [eiseres] eigenaar was. Op instructie van [betrokkene 1] heeft [gedaagde] Royal of Moments na de beslaglegging niet meer uitgebracht in wedstrijden.

[eiseres] heeft in maart 2004 telefonisch en bij een bezoek aan [gedaagde] op 2 april 2004 persoonlijk geïnformeerd waarom het paard niet meer aan wedstrijden deelnam en wanneer dat weer zou gaan gebeuren. Beide keren heeft [gedaagde], zonder [eiseres] te informeren over de werkelijke reden, toegezegd dat het paard weer aan wedstrijden zou gaan deelnemen.

[eiseres] heeft [gedaagde] bij brief van 7 mei 2004 aansprakelijk gesteld voor de schade die zij stelt te lijden als gevolg van het niet deelnemen van Royal of Moments aan wedstrijden en [gedaagde] gesommeerd contact met haar op te nemen teneinde deelname aan komende wedstrijden te bespreken. [gedaagde] heeft hieraan geen gevolg gegeven.

Na de bespreking op 2 april 2004 heeft [gedaagde] [eiseres] kopieën gestuurd van de rekeningen die voor de stallingkosten van Royal of Moments zijn opgemaakt. Deze hebben betrekking op de periode april 2002 - maart 2004, derhalve vanaf het begin van de overeenkomst. Bij brief van 23 mei 2004 heeft [gedaagde] [eiseres] aangemaand voor de openstaande facturen voor de stallingkosten.

In een kort geding waarin naast partijen ook [betrokkene 1] betrokken was, heeft de Voorzieningenrechter voorshands geoordeeld dat [eiseres] eigenaar is van Royal of Moments en het beslag tot afgifte opgeheven. Een tevens door [betrokkene 1] gelegd verhaalsbeslag, kennelijk gelegd in verband met de afwikkeling van de echtelijke boedel, is blijven liggen en de vordering van [eiseres] tot afgifte van Royal of Moments is afgewezen. [eiseres] is in reconventie veroordeeld [gedaagde] een voorschot van € 6.700,00 op de achterstallige stallingkosten te betalen.

Volgens een formulier van de NDR voor de “aanmelding van koopovereenkomst van een paard” heeft [eiseres] het paard Hugo Trotting in 2003 verkocht aan [betrokkene 3], de echtgenote van [gedaagde]. Hugo Trotting werd eveneens gestald en getraind bij [gedaagde] en ook bij dit paard was een achterstand ontstaan in de stallingkosten.

Het geschil

In conventie

[eiseres] vordert, na wijziging van eis, primair veroordeling van [gedaagde] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 80.077,00 zijnde de gestelde schade geleden in de periode 5 april 2004 - 27 april 2005 te vermeerderen met rente en kosten en subsidiair tot schade-vergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. [gedaagde] heeft tegen de eisvermeerdering als zodanig geen bezwaar gemaakt zodat de rechtbank van deze gewijzigde eis zal uitgaan.

[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] door de instructies van [betrokkene 1] te laten prevaleren boven die van haar en door Royal of Moments niet meer uit te brengen in wedstrijden, toerekenbaar tekort is geschoten. [eiseres] stelt daardoor schade te hebben geleden doordat zij prijzengeld heeft gemist. [eiseres] stelt voorts dat [gedaagde] door, op instructie van [betrokkene 1] als beslaglegger, Royal of Moments niet meer in wedstrijden te laten uitkomen, onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld.

[eiseres] stelt daarnaast dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld bij de verkoop van Hugo Trotting. Dit paard is volgens [eiseres] verkocht door [betrokkene 1] aan zijn echtgenote mevrouw [betrokkene 3] terwijl [eiseres] daarvoor geen toestemming had gegeven. [eiseres] stelt hierdoor schade te hebben geleden, in de eerste plaats doordat het paard kort na de verkoop is doorverkocht aan een partij met wie [eiseres] stelde eerder zelf in onderhandeling te zijn geweest en welke partij een hoger bedrag dan mevrouw [betrokkene 3] heeft betaald en in de tweede plaats doordat zij door de verkoop koersopbrengsten heeft gemist.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer. Hij stelt dat hij geen overeen-komst heeft gesloten met [eiseres], zodat van tekortschieten jegens haar geen sprake kan zijn. [gedaagde] heeft een overeenkomst gesloten met [betrokkene 1] en stelt altijd ervan te zijn uitgegaan dat [betrokkene 1] eigenaar was van het paard. Van onrechtmatig handelen is volgens [gedaagde] geen sprake. Voor zover wel sprake zou zijn van een contractuele verhouding tussen partijen, doet [gedaagde] een beroep op opschorting van zijn verplichtingen zolang de stallingkosten niet zijn voldaan.

In verband met het paard Hugo Trotting stelt [gedaagde] dat hij ervan uitging dat ook dit paard toebehoorde van [betrokkene 1] en dat deze dus ook gerechtigd was het paard te verkopen.

In reconventie

[gedaagde] vordert voorwaardelijk, voor zover komt vast te staan dat de overeenkomst is gesloten met [eiseres], betaling van een bedrag van € 20.721,18 te vermeerderen met BTW, ter zake van achterstallige stallingkosten over de periode april 2002 tot en met december 2004, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de dag van het opeisbaar worden van de onderliggende facturen en met buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van 15% van de hoofdsom. Bij akte heeft [gedaagde] gesteld dat zijn vordering voor de periode juni 2002 - maart 2005 € 21.289,19 bedraagt. De rechtbank zal ervan uitgaan dat [gedaagde] zijn vordering dienovereenkomstig heeft vermeerderd maar zal [eiseres] nog gelegenheid geven zich daarover uit te laten.

[eiseres] voert verweer. Zij doet op haar beurt een beroep op opschorting totdat [gedaagde] heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst. Tenslotte verzet zij zich tegen verrekening.

Zowel in conventie als in reconventie

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

In conventie

Royal of Moments

[eiseres] baseert haar vordering tot schadevergoeding primair op toerekenbaar tekortschieten en - zo begrijpt de rechtbank - subsidiair op onrechtmatige daad. De rechtbank bespreekt eerst de primaire grondslag.

Partijen verschillen niet van mening over de inhoud van de overeenkomst. Het uitbrengen in wedstrijden is daarvan een onder-deel. Het staat vast dat [gedaagde] het paard na de beslaglegging door [betrokkene 1] niet meer in wedstrijden heeft uitgebracht. De te beantwoorden vraag is of [eiseres] [gedaagde] daarop kan aanspreken.

[betrokkene 1] stelt dat dat niet het geval is omdat hij op instructie van [betrokkene 1] heeft gehandeld en [betrokkene 1], als eigenaar, bevoegd was die instructie te geven. [eiseres] stelt daar tegenover dat [betrokkene 1] instructies heeft gegeven uitsluitend in haar opdracht aangezien zij de eigenaar is van het paard.

Zowel in de visie van [eiseres] als in die van [gedaagde] wordt het antwoord op de vraag met wie de overeenkomst is gesloten, bepaald door het antwoord op de vraag aan wie het paard in eigendom toe-behoort. Het bewijs van inschrijving bij de NDR en het paspoort van het paard noemen [eiseres] als eigenaar. Inschrijving van het paard voor koersen geschiedde op naam van [eiseres] en van koersopbrengsten ging het eigenaardeel naar [eiseres]. Uit hetgeen [gedaagde] ter comparitie heeft verklaard blijkt dat hij dit alles ook wist. Hij was immers degene die over het paspoort van het paard beschikte en het paard inschreef voor koersen. Hoewel [gedaagde] dus aanvankelijk het standpunt heeft ingenomen dat het paard toebehoorde aan [betrokkene 1], kan op basis van het voorgaande niet anders worden geconcludeerd dan dat [eiseres] eigenaar was en dat [gedaagde] dit ook wel wist, dan wel als hij daarover twijfelde, eenvoudig had kunnen vaststellen.

[eiseres] heeft gesteld dat [betrokkene 1] in haar opdracht de overeenkomst heeft gesloten en dat hij in haar opdracht was belast met de dagelijkse gang van zaken Royal of Moments betreffende. Nu vaststaat dat [eiseres] eigenaar is van het paard, moet aangenomen worden dat [betrokkene 1] dat heeft gedaan namens haar, als haar vertegenwoordiger. Ook dat moet duidelijk zijn geweest voor [gedaagde].

[gedaagde] heeft ervan mogen uitgaan dat [betrokkene 1] een toereikende volmacht had om [eiseres] te vertegenwoordigen. [eiseres] heeft dat ook niet betwist. Vanaf het moment echter dat [gedaagde] op de hoogte raakte van het conflict tussen [eiseres] en [betrokkene 1], heeft [gedaagde] niet langer mogen vertrouwen op de instructies van [betrokkene 1]. Dat geldt temeer omdat voor hem duidelijk was dat de belangen van [eiseres] daardoor werden geschaad. [gedaagde] heeft ter comparitie immers verklaard dat [betrokkene 1], toen hij de instructie gaf dat het paard niet langer mocht deelnemen aan koersen, heeft meegedeeld dat hij niet langer wilde dat opbrengsten aan [eiseres] ten goede zouden komen. [eiseres] heeft [gedaagde] bij brief van 23 februari 2004 geïnformeerd over problemen met [betrokkene 1] en hem gewezen op haar rechten op Royal of Moments. Op 24 februari 2004 heeft [betrokkene 1] beslag gelegd. In ieder geval vanaf de 24ste mocht [gedaagde] zich dus niet meer verlaten op de instructies van [betrokkene 1] en had hij contact moeten opnemen met [eiseres] om deze instructies te verifiëren. Dat heeft hij niet gedaan en sterker nog, toen [eiseres] zelf contact met [gedaagde] opnam heeft hij haar niet geïnformeerd over de instructies van [betrokkene 1] om het paard niet uit te brengen in wedstrijden en over zijn besluit daaraan gevolg te geven.

Het tegen het verzoek van [eiseres] in, vasthouden aan de instructies van [betrokkene 1] (als gevolg waarvan het paard niet meer werd uitgebracht in wedstrijden) terwijl [gedaagde] wist dat [betrokkene 1] daarbij niet meer handelde als gevolmachtigde van [eiseres], levert toerekenbaar tekortschieten op. [gedaagde] is gesommeerd, heeft volhardt in zijn tekort-schieten en is dus in verzuim en daarmee aansprakelijk voor de door het tekortschieten van [gedaagde] door [eiseres] geleden schade.

In het licht van het voorgaande behoeft de subsidiaire grondslag geen bespreking meer.

Nu vaststaat dat de overeenkomst is gesloten met [eiseres], is zij aansprakelijk voor de voldoening van de (achterstallige) stallingkosten en komt het beroep van [gedaagde] op opschorting aan de orde. Hoewel aan de voorwaarden voor opschorting wordt voldaan, is in dit geval het beroep op opschorting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Toen [eiseres] bemerkte dat het paard niet langer werd uitgebracht in wedstrijden en zij [gedaagde] daarop aansprak, heeft [gedaagde] niet gesteld dat dat was omdat stallingkosten achterstallig waren, in tegendeel, hij heeft aanvankelijk toegezegd dat het paard weer zou gaan deelnemen. De reden dat het paard niet meer werd uitgebracht wás ook niet gelegen in de betalingsachterstand doch in de instructies van [betrokkene 1]. Daarbij komt dat [eiseres] pas in april 2004 kopieën van de facturen heeft gekregen en pas na de comparitie duidelijk is geworden welk bedrag [gedaagde] meent te vorderen te hebben. Onder deze omstandigheden meent de rechtbank dat [gedaagde] geen beroep op opschorting toekomt.

Over de schade merkt de rechtbank het volgende op. Royal of Moments heeft niet deelgenomen aan wedstrijden. Voorts is niet duidelijk hoe het paard zich in de tijd heeft ontwikkeld, hoe het zich zou hebben kunnen ontwikkelen indien hij aan wedstrijden zou hebben deelgenomen en of hij in de gehele periode sinds april 2004 volledig fit zou zijn geweest om (voluit) aan wedstrijden deel te nemen. De rechtbank kan dus niet nauwkeurig vaststellen wat de schade is als gevolg van het niet deelnemen aan wedstrijden. Zij zal die schade dus schattenderwijs vaststellen. Zij is van plan dat te doen op basis van de hierna te noemen uitgangspunten. De rechtbank zal voorts een comparitie van partijen gelasten waarbij partijen gelegenheid zal worden geboden zich uit te laten over deze uitgangspunten en de vragen die hierna nog rijzen te beantwoorden.

[eiseres] heeft niet betwist dat Royal of Moments in januari 2004 nog aan een wedstrijd heeft deelgenomen en dus pas daarna op rust is gesteld. Evenmin heeft zij betwist dat het paard, doorgaans, voor een periode van ± 4 maanden op rust wordt gesteld. De rechtbank laat de verkoudheid in april 2004 buiten beschouwing. [gedaagde] heeft ter comparitie verklaard dat dat niet de werkelijke reden was dat het paard niet werd ingeschreven. De rechtbank gaat dus ervan uit dat het paard vanaf half mei 2004 weer aan wedstrijden had kunnen deelnemen en vervolgens half januari 2005 weer op rust is gesteld om half mei 2005 weer actief te kunnen worden.

[eiseres] heeft bij dagvaarding gesteld dat Royal of Moments tweewekelijks in een draverij had kunnen uitkomen. [gedaagde] gaat uit van dezelfde frequentie. De rechtbank zal dus van deze frequentie uitgaan en niet van het door [eiseres] bij akte genoemde, maar verder niet toegelichte, aantal van 36 races in 2004. Dat betekent dat het paard in de periode tot half januari 2005 had kunnen deelnemen aan maximaal 17 á 18 wedstrijden. In 2005 had Royal of Moments, uitgaande van het einde van de rustperiode per half mei, per eind juli inmiddels weer aan 4 á 5 wedstrijden kunnen deelnemen. Totaal gaat het dan voor 2004 nog om 21 á 23 wedstrijden, waarbij Royal of Moments er dan geen één zou hebben gemist. De rechtbank houdt gezien de lengte van de periode rekening met de mogelijkheid dat het paard op enig moment niet fit genoeg was om te rijden en gaat daarom uit van 20 deelnames aan wedstrijden.

Niet betwist is dat Royal of Moments per ultimo 2003 in Neder-land € 29.115,00 en in Duitsland € 3.150,00, totaal derhalve € 32.265,00 aan prijzengeld had gewonnen. Niet duidelijk is of deze opbrengst alleen in het kalenderjaar 2003 is gegenereerd of een totaaltelling vormt van de opbrengsten in eerdere jaren. De rechtbank gaat uit van het laatste nu [eiseres] bij dagvaarding heeft gesteld dat de totale opbrengst voor 2002 en 2003 circa € 35.000,00 heeft bedragen. Ervan uitgaande dat het paard is begonnen met wedstrijden in 2002, leidt dat tot een jaargemiddelde van €16.132,50, waarbij de opbrengst in 2003 vermoedelijk hoger zal zijn geweest dan in 2002. De rechtbank wenst te vernemen wat de exacte opbrengst in 2003 is geweest.

De rechtbank wenst voorts te vernemen aan hoeveel wedstrijden Royal of Moments in 2002 en 2003 heeft deelgenomen zodat zij een gemiddelde opbrengst per wedstrijd kan berekenen.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat wedstrijden voor paarden voor vijf jaar en ouder een lager prijzengeld kennen dan wedstrijden voor jongere paarden. Op het moment dat Royal of Moments in mei 2004 weer had kunnen gaan deelnemen, zou hij zijn uitgekomen in de wedstrijden voor vijf jaar en ouder. De rechtbank zal daarom in beginsel ervan uitgaan dat de jaaropbrengst die gegenereerd had kunnen worden in 2004 en pro rato voor 2005 lager is dan de opbrengst in 2003. Voor de rechtbank is echter niet duidelijk geworden of het vorenstaande alleen voor wedstrijden in Nederland geldt of ook voor wedstrijden in het buitenland, bijvoorbeeld in Duitsland. Zij verzoekt partijen zich daarover uit te laten.

Tenslotte wenst de rechtbank te vernemen, indien het lucratiever is om buiten Nederland wedstrijden te lopen, welk aantal races in het buitenland dan als uitgangspunt genomen moet worden en of deelname aan races in het buitenland gevolgen heeft voor het totale aantal deelnames aan wedstrijden (bijvoorbeeld omdat de reistijd langer wordt). Tenslotte is van belang te vernemen wat de gevolgen zijn voor de kosten bij deelname aan wedstrijden in het buitenland.

Aan de hand van het bovenstaande en de nog door partijen te verstrekken informatie zal de rechtbank de gemiste opbrengsten schatten. Voor de berekening van de schade is dan in de eerste plaats nog van belang welke kosten op de opbrengsten in mindering gebracht moeten worden. [gedaagde] heeft aangegeven dat deelname aan een koers gemiddeld € 100,00 per keer bedraagt. Dat is door [eiseres] niet tegengesproken zodat de rechtbank in beginsel daarvan uitgaat, met dien verstande dat indien uitgegaan zal worden van deelname aan wedstrijden in het buitenland en daaraan hogere kosten verbonden zijn, de rechtbank die hogere kosten, mits aangetoond, in aanmerking zal nemen. [gedaagde] heeft voorts gesteld dat aan het houden van een draver kosten verbonden zijn van ± € 500,00 per maand. De rechtbank zal ervan uitgaan dat [gedaagde] daarmee doelt op de stallingkosten. Zoals hierna zal blijken, is [eiseres] wel aansprakelijk voor de stallingkosten doch bij de berekening van de opbrengsten dienen deze buiten beschouwing te blijven. In de tweede plaats dient dan nog berekend te worden op welk deel van de opbrengsten [eiseres] als eigenaar aanspraak kan maken. Niet betwist is dat van de koersopbrengst - de rechtbank neemt aan van de netto-opbrengst dat wil zeggen na aftrek van de hiervoor genoemde kosten - 75% van de opbrengsten ten goede komt aan de eigenaar van het paard zodat de rechtbank daarvan uitgaat.

De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum van dit vonnis.

Hugo Trotting

Voor het antwoord op de vraag wie eigenaar is van Hugo Trotting verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor heeft gesteld over de eigendom van Royal of Moments. De rechtbank stelt vast dat ook Hugo Trotting toebehoorde aan [eiseres] en dat [betrokkene 1] met betrekking tot het paard handelde als haar gevolmachtigde.

Ter comparitie is gebleken dat [gedaagde] zelf geen inhoudelijk onderscheid maakt tussen de aankopen van zijn echtgenote en die van hemzelf. [gedaagde] heeft de aankoop op naam van zijn echtgenote ook in verband gebracht met zijn eigen vordering uit hoofde van achter-stallige stallingkosten voor Hugo Trotting. Dat [gedaagde] betrokken was bij de verkoop, in welke hoedanigheid dan ook, levert als zodanig echter geen onrechtmatige daad op.

Aan [eiseres] kan worden toegegeven dat de “handtekening” van [eiseres] op het verkoopformulier van Hugo Trotting ongewoon oogt. Mogelijk dat deze is gezet door [betrokkene 1]. Gelet echter op de rol van [betrokkene 1] als zaakwaarnemer van [eiseres] heeft [gedaagde] ervan mogen uitgaan dat [betrokkene 1] bevoegd was het paard voor [eiseres] te verkopen en “voor haar” te tekenen. Dat gold te meer omdat het [betrokkene 1] ook degene was geweest die het paard voor [eiseres] had aangekocht.

Onrechtmatig handelen is niet dus gebleken. De vorderingen van [eiseres] voor zover betrekking hebbend op de verkoop van Hugo Trotting zullen dus worden afgewezen.

De rechtbank zal gezien haar verzoek om aanvullende informatie iedere verdere beslissing in conventie aanhouden.

In reconventie

[eiseres] is partij bij de overeenkomst zodat zij in beginsel aansprakelijk is voor de stallingkosten van Royal of Moments.

Voor de periode tot en met maart 2004 gaat de rechtbank uit van de facturen zoals die zijn overgelegd. Onderliggende stukken van de hoefsmid etc. acht zij niet nodig. [eiseres] heeft ingestemd met een handelwijze waarbij de facturen naar [betrokkene 1] gingen. Het was aan haar om daarop controle uit te oefenen als zij dat nodig achtte. [eiseres] heeft niet gesteld dat in de periode waarin [betrokkene 1] haar zaken behartigde ooit discussie over de facturen is geweest. De facturen in de periode kort voorafgaand aan het beslag zijn vergelijkbaar met die in de periode daarvoor zodat, nu er geen concrete aanwijzingen zijn van het tegendeel, de rechtbank uitgaat van de juistheid en gerecht-vaardigheid van deze facturen.

Voor de periode april 2004- maart 2005 heeft [gedaagde] echter nog geen facturen overgelegd. Hij zal dat alsnog kunnen doen en dan tevens daarop een toelichting kunnen geven. [eiseres] zal daarop kunnen reageren.

[eiseres] heeft voorts betwist dat zij aangesproken kan worden voor de trainingskosten in de periode vanaf 24 februari 2004. De rechtbank meent echter dat deze kosten wel voor haar rekening zijn. Zij rechtbank gaat in haar berekening van de schade immers uit van de hypothese dat het paard wedstrijden is blijven lopen en opbrengsten heeft gegenereerd. In die hypothese moest het paard dus ook getraind worden en zouden daartoe kosten zijn gemaakt.

[gedaagde] heeft bij akte van 18 mei 2005 zijn vordering ter zake van de achterstallige stallingkosten toegelicht. Hij stelt dat [betrokkene 1] na betaling van de termijnen april en mei 2002, de eerste twee termijnen na aanvang van de stalling, is opgehouden te betalen, hetgeen zou worden bevestigd door een verklaring van [betrokkene 1]. [eiseres] heeft geen gelegenheid gehad om op deze stelling te reageren en zal dat alsnog kunnen doen.

De rechtbank merkt in dit stadium reeds op dat het in reconventie gevorderde in ieder geval verminderd moet worden met hetgeen [eiseres] inmiddels uit hoofde van het kort geding vonnis heeft betaald.

[eiseres] heeft een beroep op opschorting gedaan. Dit beroep wordt niet gehonoreerd voor de achterstallige kosten ontstaan in de periode voordat [gedaagde] tekortschoot in de nakoming van zijn verplichtingen, dat wil zeggen ontstaan in de periode vóór 24 februari 2004. Daaraan doet niet af dat [eiseres] zoals zij heeft gesteld niet wist dat er een achterstand was ontstaan. Dat zij dat niet wist is een omstandigheid die zij niet kan tegenwerpen aan [gedaagde] nu het haar keuze is geweest dat [betrokkene 1] als haar vertegenwoordiger optrad en de betaling voor de stallingkosten voor haar afhandelde, althans voor haar had moeten afhandelen. Dat ligt anders voor de stallingkosten die zijn ontstaan in de periode vanaf maart 2004. Voor die periode wordt aan de voorwaarden voor opschorting voldaan zodat dit verweer wordt gehonoreerd. Het gevolg daarvan is dat [gedaagde] [eiseres] niet tot nakoming kan aanspreken totdat hij weer aan zijn verplichting voldoet en dat [eiseres] tot dat moment geen wettelijke rente verschuldigd is over de factuurbedragen na februari 2004.

[gedaagde] maakt aanspraak op 15% incassokosten. De rechtbank merkt daarover nu reeds op dat deze vordering voor afwijzing gereed ligt nu niet is gesteld uit hoofde waarvan [gedaagde] meent aanspraak te kunnen maken op vergoeding van deze kosten.

De rechtbank zal iedere verdere beslissing in reconventie aanhouden.

De beslissing

De rechtbank

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. M.J. Blaisse in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 3 augustus 2005 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de dinsdagen en donderdagen in de maanden september tot en met november 2005, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken,

bepaalt dat de partijen dan in persoon aanwezig zullen zijn,

verzoekt de tijdig toezending, dat wil zeggen uiterlijk 14 dagen voor de zitting, door [gedaagde] van de facturen en de bijbehorende toelichting voor de periode april 2004-maart 2005 en door [eiseres] van haar reactie op de eisvermeerdering zoals weergeven in rechts-overweging 3.6 en op de verklaring van [betrokkene 1] dat deze na mei 2002 is opgehouden te betalen;

verzoekt elk van partijen tijdig, dat wil zeggen uiterlijk 14 dagen voor de zitting schriftelijk het antwoord op volgende vragen:

- welke koersopbrengst heeft Royal of Moments in 2003 gegenereerd;

- aan hoeveel wedstrijden heeft hij deelgenomen;

- hoe verhouden de opbrengsten in de voor Royal of Moments relevante wedstrijden in het buitenland zich tot die in Nederland;

- hoe verhouden de kosten voor deelname aan de voor Royal of Moments relevante wedstrijden in het buitenland zich tot die in Nederland;

- leidt deelname aan wedstrijden in het buitenland er toe dat op jaarbasis aan minder wedstrijden wordt deelgenomen,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Blaisse en in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2005.

De griffier de rechter