Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU1728

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-07-2005
Datum publicatie
30-08-2005
Zaaknummer
127565
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Een en ander leidt ertoe dat zonder nader onderzoek, bijvoorbeeld aan de hand van getuigenverhoor, niet kan worden vastgesteld of de schutting die gedaagde na de herbestrating heeft laten plaatsen voor eiser een verslechtering inhoudt ten opzichte van de situatie van vóór de herbestrating. Dat onderzoek hoort niet thuis in een kort geding maar in een bodemprocedure. In de bodemprocedure zal dan tevens nader onderzoek naar de erfdienstbaarheid waar eiser zich op beroept, gedaan moeten worden. Dit alles leidt ertoe dat het gevraagde gebod om de schutting te verplaatsen niet zal worden gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 127565 / KG ZA 05-340

Datum vonnis: 19 juli 2005

Vonnis in kort geding

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 17 juni 2005,

procureur mr. P.A.C. de Vries,

advocaat mr. G.J.S. Hamelijnck te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] HOLDING B.V.,

feitelijk gevestigd te Herwen, gemeente Rijnwaarden,

gedaagde,

procureur mr. A.J.B. Ross,

advocaat mr. S. Günes.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. Het verloop van de procedure

1.1. [eiser] heeft [gedaagde] ter terechtzitting in kort geding

doen dagvaarden en gevorderd zoals is weergegeven in de dagvaarding.

1.2. [gedaagde] heeft geconcludeerd tot weigering van de gevraagde voorzieningen.

1.3. De advocaten van partijen hebben de zaak bepleit, de advocaat van [gedaagde] overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotities. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht.

1.4. Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1. [eiser] is eigenaar van het perceel met woning c.a. aan de [adres] te [woonplaats], gemeente Rijnwaarden. [gedaagde] is eigenares van het aangrenzende perceel met woonhuis c.a. aan de [adres].

2.2. Tussen de beide huizen ligt een oprit van de Hofstraat naar de achterzijde van de beide woningen. De oprit is gedeeltelijk gelegen op het perceel [adres] en deels op het perceel [adres].

2.3. In de zomer van 2004 hebben partijen gezamenlijk de bestrating van de oprit en van de ruimte achter de woningen laten vernieuwen. Daarbij is onder meer een schutting verwijderd die achter de woningen op of langs de erfgrens van beide percelen stond.

2.4. In het najaar van 2004 heeft [gedaagde] achter de woningen op of langs de erfgrens van de percelen van partijen weer een schutting laten plaatsen.

3. De vordering

3.1. Zakelijk weergegeven vordert [eiser] een gebod voor

[gedaagde] om de schutting achter de woningen op dezelfde plek te zetten als de schutting die er was vóór de vernieuwing van de bestrating en om geen belemmeringen op te werpen die de toegang tot de parkeerplaats achter de woning [adres] (de voorzieningen-rechter verstaat dat huisnummer [adres] in de eis zoals geformuleerd in de dagvaarding, een kennelijke verschrijving is en leest daarvoor huisnummer [adres]), een en ander versterkt met dwangsommen en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat

[gedaagde] de schutting heeft laten plaatsen in strijd met de afspraken die gemaakt zijn bij gelegenheid van de herbestrating van de oprit en de achterplaats. Volgens [eiser] waren partijen overeengekomen dat er na de herbestrating geen schutting meer zou komen om auto’s makkelijker dan voorheen achter de woningen te kunnen parkeren. Voorts legt [eiser] aan de vordering ten grondslag dat de schutting die [gedaagde] heeft laten plaatsen de uitoefening belemmert van en daarom strijdig is met, een ten behoeve van het perceel [adres] en ten laste van het perceel [adres] bestaande erfdienstbaarheid. Volgens [eiser] heeft hij op grond daarvan het recht om (gedeeltelijk) over het perceel [adres] te rijden om achter zijn huis te kunnen parkeren. [eiser] stelt dat de nieuwe schutting het parkeren ernstig bemoeilijkt omdat de schutting volgens hem niet op dezelfde plek staat als de verwijderde schutting, maar meer richting zijn woning. [eiser] stelt nog dat werknemers van [gedaagde] die wonen in het huis [adres], hun auto’s op de oprit parkeren.

3.3. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer, waarop hierna voor zover nodig zal worden ingegaan.

4. De motivering van de beslissing

4.1. De eerste vraag is of partijen hebben afgesproken dat er na de herbestrating van de oprit en de achterplaats geen schutting meer zou komen op of rond de erfgrens van [adres] en [adres]. [gedaagde] betwist dat partijen dat zijn overeengekomen. Volgens haar hebben partijen alleen afgesproken om de herbestrating van de oprit en de achterplaats gezamenlijk aan te pakken. Nu [gedaagde] de afspraak betwist en

[eiser] over de beweerdelijke afspraak geen stukken in het geding heeft gebracht, anders dan correspondentie tussen hem en

[gedaagde] waaruit niet, althans onvoldoende, van de afspraak blijkt, kan in dit kort geding een gemaakte afspraak tussen partijen over het weglaten van de schutting niet de grondslag zijn voor het weghalen van de schutting van haar huidige plek.

4.2. Vervolgens is de vraag of de schutting in verband met een erfdienstbaarheid verplaatst moet worden. [gedaagde] betwist het bestaan van een erfdienstbaarheid waar de schutting mee in strijd is. Ter onderbouwing van het bestaan van de erfdienstbaarheid beroept [eiser] zich onder meer op de akte van levering van 21 mei 2003 waarbij aan [gedaagde] het perceel [adres] is geleverd. In die akte staat onder andere vermeld, geciteerd uit een akte van 1974 en/of 1981, die kennelijk betrekking hebben op het perceel [adres]:

“Ten behoeve en ten laste van het verkochte en ten behoeve en ten laste van de resterende gedeelten van gemelde gemeente en sectie nummer 1552, worden indien en voor zover niet reeds gevestigd, gevestigd en aangenomen al zodanige erfdienstbaarheden, waardoor de toestand waarin die percelen zich ten opzichte van elkaar bevinden, blijft gehandhaafd, speciaal voor wat betreft het recht van uitweg (...)”. Hoewel niet uitgesloten is dat het perceel [adres] op grond van deze bepaling recht van uitweg heeft over het perceel [adres], is niet duidelijk of de erfdienstbaarheid ook bedoeld is om het parkeren van auto’s achter de woningen te waarborgen.

[eiser] stelt voorts dat door verjaring de erfdienstbaarheid is ontstaan om achter de woning te kunnen parkeren, omdat al heel lang achter de woning wordt geparkeerd. Veronderstellenderwijs aannemende dat er sprake is van de erfdienstbaarheid waar [eiser] zich op beroept, dan is de vraag of op grond daarvan de schutting niet mag staan op de plek waar [gedaagde] die heeft laten plaatsen na de herbestrating.

4.3. [gedaagde] betwist dat de schutting op een andere plek staat dan de verwijderde schutting. Voor zover een deel van de schutting al op een andere plaats staat dan op een voor [eiser] gunstiger plek waardoor hij meer ruimte gekregen heeft om met een auto achter achter zijn huis te komen, aldus [gedaagde].

4.4. De standpunten van partijen staan in deze lijnrecht tegenover elkaar. Beide partijen hebben aan de hand van foto’s en situatietekeningen over de oude en/of de nieuwe situatie (van vóór en na de herbestrating) en aan de hand van verklaringen van derden,

hun stellingen willen onderbouwen. Aan de hand van de in het geding gebrachte foto’s kan niet worden vastgesteld of de nieuwe situatie ten opzichte van de oude voor [eiser] een verslechtering inhoudt,

in die zin dat hij thans als gevolg van de plaats van de schutting moeilijker dan vóór de herbestrating achter zijn woning kan parkeren. De foto’s maken duidelijk dat er in de nieuwe situatie niet veel manoevreerruimte is om met een auto achter de woning te komen, maar niet in geding is dat in de oude situatie er ook niet veel ruimte was om met een auto achter de woning te komen. De verklaringen van derden die in het geding zijn gebracht spreken elkaar op dit punt tegen, evenals de tekeningen. Omdat de oude situatie ter plaatse niet meer zichtbaar is en de getoonde foto’s onvoldoende aanknopings-punten bieden om ter plaatse de oude situatie te reconstrueren,

heeft het geen zin om in te gaan op het voorstel dat van de zijde van [eiser] is gedaan om ter plaatse te gaan kijken. Een en ander leidt ertoe dat zonder nader onderzoek, bijvoorbeeld aan de hand van getuigenverhoor, niet kan worden vastgesteld of de schutting die [gedaagde] na de herbestrating heeft laten plaatsen voor [eiser] een verslechtering inhoudt ten opzichte van de situatie van vóór de herbestrating. Dat onderzoek hoort niet thuis in een kort geding maar in een bodemprocedure. In de bodemprocedure zal dan tevens nader onderzoek naar de erfdienstbaarheid waar [eiser] zich op beroept, gedaan moeten worden. Dit alles leidt ertoe dat het gevraagde gebod om de schutting te verplaatsen niet zal worden gegeven.

4.5. Ook het gebod om geen belemmeringen op de oprit te plaatsen zal geweigerd worden. Anders dan een incidentele blokkering van de oprit in verband met in- of uitladen is niet gebleken dat de oprit geblokkeerd wordt door de bewoners/bezoekers van [adres].

4.6. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden veroordeeld in de kosten van dit kort geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2. veroordeelt [eiser] in de kosten van dit kort geding,

tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] bepaald op

€ 244,00 voor griffierecht en op € 816,00 voor salaris procureur,

5.3 verklaart de kostenveroordeling sub 5.2. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.G. Roovers en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2005.