Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU1578

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-06-2005
Datum publicatie
26-08-2005
Zaaknummer
120972
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nu op grond van het voorgaande niet kan worden aangenomen dat Rehau daadwerkelijk met de aanwijzing van de rechter te Varese (Italië) als uitsluitend bevoegde rechter heeft ingestemd, is geen rechtsgeldige forumkeuze tussen partijen tot stand gekomen. De door Induplas opgeworpen exceptie van onbevoegdheid treft dus geen doel. De rechtbank is ingevolge artikel 6 EEX-Vo bevoegd om van de onderhavige vordering tot vrijwaring kennis te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 120972 / HA ZA 04-2256

Datum vonnis: 22 juni 2005

Vonnis in incident

in de zaak van

de naamloze vennootschap

REHAU N.V.,

gevestigd te Nijkerk,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

procureur mr. P.C. Plochg,

advocaat mr. M.A. Menger te Amersfoort,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

INDUPLAS S.P.A.,

gevestigd te Varese (Italië),

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaten mr. P. Roorda en N. Peters te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Rehau en Induplas genoemd worden.

Het verloop van de procedure in de hoofdzaak en in het incident

Na het uitbrengen van de dagvaarding zijn de volgende processtukken gewisseld:

- een incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, tevens houdende voorwaardelijke oproeping in vrijwaring, met producties aan de zijde van Induplas,

- een conclusie van antwoord in de incidenten aan de zijde van Rehau.

Ten slotte is vonnis in de incidenten bepaald.

De vaststaande feiten

Rehau heeft Induplas bij dagvaarding in vrijwaring opgeroepen.

Induplas en Rehau hebben een handelsrelatie gehad waarbinnen Induplas aan de laatste slangen heeft geleverd.

Deze handelsrelatie tussen Induplas en Rehau werd beheerst noch door een mantelovereenkomst, noch door enige andere schriftelijke overeenkomst.

Tussen Rehau en Induplas heeft zich een gebruikelijke handelwijze ontwikkeld die er als volgt uitzag. Rehau stuurde Induplas in ieder geval per fax haar opdrachten. Na ontvangst daarvan zond Induplas vervolgens een opdrachtbevestiging aan Rehau. Na voltooiing van de opdracht zond Induplas ten slotte een factuur aan Rehau ten aanzien van de geleverde producten.

Onderaan op de voorkant van de facturen van Induplas aan Rehau stond sinds 18 januari 2002 onder “General Sales Conditions” het volgende vermeld. “1) Payment of invoice must be effected within due date. In case of delay, INDUPLAS S.P.A. reserves the right to charge the interest rate according to law, plus 4 points. 2) For any controversy the only Law-Court Jurisdiction remains the Court of Varese. 3) INDUPLAS S.P.A. declines any responsibility resulting from non-conform application of products.”

Rehau heeft nimmer bezwaar gemaakt tegen deze vermelding.

Het geschil in de hoofdzaak en in de incidenten

Rehau vordert in de hoofdzaak, kort gezegd, dat de rechtbank Induplas veroordeelt tot betaling van datgene waartoe Rehau als gedaagde in de hoofdzaak jegens SaniNova mocht worden veroordeeld, met inbegrip van de kostenveroordeling, alsmede de kosten van het geding in vrijwaring.

Ter onderbouwing van haar vordering voert Rehau het volgende aan. SaniNova heeft op 14 juni 2004 een vordering tegen Rehau ingesteld tot betaling van € 400.345,- op grond van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van op Rehau rustende verplichtingen voortvloeiende uit een overeenkomst van 18 december 2002 tussen hen beiden. Induplas, producent van de door Rehau op grond van voornoemde overeenkomst aan SaniNova geleverde slangen, is gehouden Rehau te vrijwaren tegen dergelijke aanspraken van derden. Deze gehoudenheid van Induplas tot vrijwaring van Rehau volgt uit het bepaalde in artikel 7 lid 2 van de op hun onderlinge overeenkomst toepasselijke algemene inkoopvoorwaarden, aldus Rehau.

De rechtbank Arnhem is volgens Rehau bevoegd omdat het hier om een vordering tot vrijwaring gaat en ingevolge artikel 216 Rv degene die in vrijwaring wordt opgeroepen voor het gerecht waar de hoofdzaak aanhangig is, dient te procederen.

Voor alle weren werpt Induplas de exceptie van onbevoegdheid op. Zij stelt zich onder meer op het standpunt dat tussen Rehau en haar een forumkeuze is overeengekomen, op grond waarvan aan de rechter in Varese (Italië) de exclusieve bevoegdheid toekomt kennis te nemen van geschillen voortvloeiend uit de overeenkomst tussen partijen. Ten aanzien van de geldigheid van bedoelde forumkeuze voert Induplas aan dat deze sinds 18 januari 2002 op de voorkant van al haar facturen, verzonden aan Rehau, staat vermeld. Nu Rehau nimmer bezwaar heeft gemaakt tegen deze forumkeuze, terwijl deze kenbaar en begrijpelijk voor haar was, heeft zij in het kader van de tussen hen gebruikelijke handelwijze ermee ingestemd en is de bevoegdheid zoals bedoeld in artikel 23 lid 1 van de EG-Verordening betreffende rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (verder te noemen: EEX-Vo) overeengekomen, aldus Induplas.

Induplas vordert voor het geval de rechtbank zich bevoegd acht van de vordering tot vrijwaring kennis te nemen, dat haar wordt toegestaan de rechtspersoon naar buitenlands recht Riunione Adriatica di Securitá S.P.A. (verder te noemen: RAS) in ondervrijwaring op te roepen. Zij voert daartoe aan dat zij met RAS, zijnde schadeverzekeraar, op 23 oktober 2001 een schadeverzekering heeft afgesloten, volgens welke verzekering RAS gehouden is de door Induplas te lijden en geleden schade te vergoeden.

Rehau heeft zowel in het bevoegdheidsincident als in het vrijwaringsincident gemotiveerd verweer gevoerd. Op de verweren van Rehau zal de rechtbank, voor zover relevant in de incidenten, hierna ingaan.

De beoordeling van de incidenten

De exceptie van onbevoegdheid

Ter bepaling van haar bevoegdheid overweegt de rechtbank het navolgende. Op grond van de hoofdregel in artikel 2 van de EEX-Vo is de rechter in de lidstaat waar de gedaagde zijn woonplaats heeft, bevoegd. Artikel 6 lid 2 EEX-Vo schept ten aanzien van een vordering tot vrijwaring daarnaast een alternatieve bevoegdheid voor het gerecht waar de oorspronkelijke vordering aanhangig is. Nu de hoofdvordering van SaniNova tegen Rehau bij deze rechtbank aanhangig is, is de rechtbank op grond van voornoemde bepaling bevoegd van de onderhavige vordering tot vrijwaring kennis te nemen.

Aan de hiervoor vastgestelde bevoegdheid op grond van de EEX-Vo kan afbreuk worden gedaan door een exclusieve forumkeuze als bedoeld in artikel 23 EEX-Vo, alwaar Induplas zich op beroept. Omtrent de vraag of partijen rechtsgeldig zijn overeengekomen dat slechts de rechtbank te Varese (Italië) bevoegd is van dit geschil kennis te nemen, overweegt de rechtbank als volgt. Deze vraag moet beantwoord worden aan de hand van het bepaalde in artikel 23 EEX-Vo, welk artikel grotendeels overeenstemt met artikel 17 Verdrag van Brussel van 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Verdrag). De jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie (verder te noemen HvJ) ter zake van dat artikel is vanwege de gelijkluidendheid evenzeer van belang voor de uitleg van artikel 23 EEX-Vo.

Vast staat dat er zich tussen Induplas en Rehau een gebruikelijke handelwijze heeft ontwikkeld en dat hun onderlinge handelsrelatie niet werd beheerst door enige schriftelijke overeenkomst. De voornoemde handelwijze eindigde steeds met het versturen door Induplas aan Rehau van haar factuur, na levering van de slangen. Op de voorzijde van die factuur werden sinds 18 januari 2002 onderaan de algemene voorwaarden van Induplas afgedrukt. Nu Induplas die algemene voorwaarden, met daarin opgenomen een forumkeuze, niet reeds bij haar opdrachtbevestiging, maar pas op de factuur kenbaar heeft gemaakt en bovendien Rehau noch de opdrachtbevestiging noch de factuur schriftelijk heeft aanvaard, is ingevolge vaste rechtspraak van HvJ niet voldaan aan het in artikel 23 lid 1 sub a EEX-Vo bedoelde schriftelijkheidsvereiste. Van een geldig tot stand gekomen forumkeuzeovereenkomst in die zin is dus geen sprake.

Bij de beantwoording van de vraag of de overeenkomst van forumkeuze geacht moet worden in een andere door artikel 23 EEX-Vo toegelaten vorm te zijn totstandgekomen, dient, volgens de uitspraak van HvJ van 20 februari 1997, NJ 1998, 565 als uitgangspunt te gelden dat er sprake moet zijn van een daadwerkelijke wilsovereenstemming tussen partijen. Volgens Induplas heeft Rehau in het kader van de tussen hen gebruikelijke handelwijze als bedoeld in artikel 23 lid 1 sub b EEX-Vo met de forumkeuze ingestemd, nu zij tegen de voor haar kenbare en begrijpelijke vermelding van die forumkeuze op de facturen van Induplas nimmer bezwaar heeft gemaakt en deze altijd zonder enig voorbehoud heeft betaald. Het enkele feit dat de ene partij bij een mondelinge overeenkomst geen bezwaar maakt tegen een eenzijdige mededeling door de andere partij van algemene voorwaarden waarin een forumkeuze is opgenomen, maakt echter niet dat voldaan is aan het vereiste van instemming en dat derhalve sprake is van een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter (HvJ 14 december 1976, NJ 1977, 446, RUWA-Colzani). Dit is slechts anders indien de mondeling gesloten overeenkomst tussen partijen deel uitmaakt van de tussen hen lopende handelsbetrekkingen en bovendien vast staat dat die betrekkingen in hun geheel worden beheerst door de algemene voorwaarden van de schrijver van de bevestiging waarin de forumkeuzeclausule is opgenomen (HvJ 14 december 1976, NJ 1977, 447, Segoura- Bonakdarian). Gelet op de zeer beperkte omvang en inhoud van de algemene voorwaarden van Induplas is de rechtbank van oordeel dat de handelsbetrekkingen tussen Induplas en Rehau niet in hun geheel door die voorwaarden worden beheerst. Nog daargelaten de vraag of de algemene voorwaarden van Induplas toepasselijk zijn op hun onderlinge overeenkomsten, hetgeen door Rehau wordt betwist, is dus in ieder geval niet voldaan aan de voorwaarden die HvJ in voornoemde uitspraak stelt om te kunnen spreken van totstandkoming van een forumkeuzeovereenkomst op de wijze voorzien in artikel 23 lid 1 sub b EEX-Vo.

Nu op grond van het voorgaande niet kan worden aangenomen dat Rehau daadwerkelijk met de aanwijzing van de rechter te Varese (Italië) als uitsluitend bevoegde rechter heeft ingestemd, is geen rechtsgeldige forumkeuze tussen partijen tot stand gekomen. De door Induplas opgeworpen exceptie van onbevoegdheid treft dus geen doel. De rechtbank is ingevolge artikel 6 EEX-Vo bevoegd om van de onderhavige vordering tot vrijwaring kennis te nemen.

Induplas zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het bevoegdheidsincident.

Het vrijwaringsincident

Om een verzoek tot oproeping in vrijwaring te kunnen toewijzen is vereist dat de vordering tegen de waarborg afhankelijk is van de vordering in de hoofdzaak, in die zin dat de eerstgenoemde vordering alleen toewijsbaar zal zijn, omdat in de hoofdzaak een voor de gewaarborgde ongunstig vonnis wordt gewezen. De rechtsverhouding tussen de gewaarborgde en de waarborg dient zodanig te zijn dat de waarborg gehouden is de gewaarborgde vrij te houden van de nadelige gevolgen van het verliezen van de hoofdzaak.

Indien de stellingen die Induplas aan haar vordering tot ondervrijwaring ten grondslag legt juist zijn, dan volgt daaruit – bij een voor haar ongunstige afloop van de hoofdzaak – voor haar een regresrecht op RAS, zodat aan het hiervoor genoemde vereiste is voldaan. Het verweer van Rehau dat uit de incidentele conclusie niet blijkt dat de vordering van SaniNova in de hoofdzaak daadwerkelijk door RAS dient te worden vergoed, doet daaraan niet af. Dat verweer ziet immers op de inhoudelijke kant van de vrijwaringszaak, niet op de toelaatbaarheid van de oproeping in vrijwaring. Het al dan niet bestaan van de gestelde verplichting tot vrijwaring is niet een zaak tussen de partijen in het incident, maar tussen Induplas en RAS.

Het verweer van Rehau dat toewijzing van de vordering leidt tot vertraging van de hoofdzaak kan evenmin slagen. Als er al sprake is van, overigens niet onredelijke, vertraging van de hoofdzaak, dan is deze reeds veroorzaakt door het instellen van het incident. De hoofdzaak zal voor antwoord op de rol worden geplaatst, ongeacht de beslissing op de incidentele vordering. Daar komt nog bij dat, ook al zou toewijzing tot vertraging leiden, het belang van Induplas bij gelijktijdige berechting van hoofd(vrijwarings)zaak en (onder)vrijwaringszaak prevaleert boven het belang van Rehau bij een snelle afdoening van de hoofd(vrijwarings)zaak.

Nu ook overigens van bijzondere omstandigheden die zich tegen toewijzing van de vordering verzetten niet is gebleken, zal de vordering tot oproeping in ondervrijwaring van RAS worden toegewezen.

De beslissing over de kosten van dit incident zal worden aangehouden tot de eindbeslissing in de hoofdzaak.

De beslissing

De rechtbank

in het bevoegdheidsincident

verklaart zich bevoegd van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen;

veroordeelt Induplas in de kosten van het incident, tot op heden aan de zijde van Rehau begroot op € 894,-.

in het vrijwaringsincident

staat toe dat Riunione Adriatica di Sicurtá S.p.a. ten verzoeke van Induplas met inachtneming van de wettelijk voorgeschreven termijn wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van 21 september 2005 teneinde op de eis tot vrijwaring te antwoorden en voort te procederen,

houdt de beslissing over de kosten aan,

in het vrijwaringsincident en in de hoofdzaak

bepaalt dat de hoofdzaak voor antwoord wordt geplaatst op de rol van 20 juli 2005 en, indien tot vrijwaring wordt gedagvaard en de zaak wordt aangebracht, de zaak tot vrijwaring zal worden geplaatst op de rol van 21 september 2005.

verstaat dat hoger beroep van dit vonnis niet zal kunnen worden ingesteld dan tegelijkertijd met eventueel appel van het eindvonnis in de hoofdzaak,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2005.

de griffier de rechter