Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU1577

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-06-2005
Datum publicatie
26-08-2005
Zaaknummer
120687
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan de orde is allereerst de vraag of Gillvaart en TON op 11 augustus 2004 volledige overeenstemming hebben bereikt over de destijds beoogde samenwerking.

Gelet op de hoofdregel van art. 150 Rv rust op Gillvaart de bewijslast van haar door TON gemotiveerd betwiste stelling dat de partijen op 11 augustus 2004volledige overeenstemming hebben bereikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 120687 / HA ZA 04-2213

Datum vonnis: 22 juni 2005

Vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GILLVAART B.V.,

gevestigd te Zutphen,

eiseres,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal,

advocaat mr. P.C. Knijp te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TRAUMA OPVANG NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagde,

procureur en advocaat mr. P.-P.F. Tummers te Nijmegen.

Partijen zullen hierna Gillvaart en TON genoemd worden.

Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

- het tussenvonnis van 2 februari 2005;

- het proces-verbaal van comparitie van 7 maart 2005;

- de akte van Gillvaart van 6 april 2005;

- de akte van TON 6 april 2005;

- de antwoordakte van Gillvaart van 4 mei 2005;

- de antwoordakte van TON 4 mei 2005.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

TON levert diensten op het gebied van traumaopvang voor, onder andere, werknemers na calamiteiten en traumatische voorvallen. Werkgevers kunnen hiervoor met TON een overeenkomst aangaan. TON is met ArboNed een overeenkomst aangegaan in de vorm van een abonnement, waardoor zij er circa 40.000 potentiële cliënten heeft bijgekregen.

Met het oog op de geautomatiseerde verwerking van de uit deze dienstverlening voortvloeiende administratie, gegevens en hulpverlening zijn TON, vertegenwoordigd door haar bestuurder [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) en Gillvaart (vertegenwoordigd door haar bestuurder [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) in het voorjaar van 2004 met elkaar in overleg getreden. Gillvaart beschikte over een geautomatiseerd product op abonnementsbasis, Nationaal Insolventie Bijstandsteam (NIBT) geheten, dat volgens haar in aangepaste vorm hiervoor geschikt was. Bij enkele gesprekken is de heer [betrok[betrokkene 3] van Curvers Consultancy (hierna: [betrokkene 3]), die door [betrokkene 2] bij de kwestie is betrokken, aanwezig geweest.

Bij e-mail van 9 juni 2004 heeft [betrokkene 2] [betrokkene 1] een aantal documenten gezonden met de boodschap:

“Bijgaand tref je enkele bijlage aan die betrekking hebben op de functionaliteit van het systeem.

Zijn er nog vragen bel me maar.”

Op 27 juni 2004 heeft [betrokkene 2] [betrokkene 1] een e-mail gezonden waarin (voor zover relevant) staat:

“Bijgaand tref je een aantal overzichten aan m.b.t. automatisering, dataverwerking, softwareplan en hardwareplan.

Ik hoop dat je a.s. dinsdag(avond) een gaatje weet te creëren om het een en ander door te spreken. Zoals je vrijdag jl. aangaf zal je maandag a.s. een cd-rom van ARBONED ontvangen met alle NAW gegevens erop. Hiermee kan Renny [[betrokkene 3]; rb] aan de slag.”

Op 11 augustus 2004 heeft ten kantore van TON een bespreking plaatsgevonden tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. [betrokkene 2] heeft het gesprek op een geluidsdrager opgenomen zonder dat [betrokkene 1] daarvan op de hoogte was.

Bij brief van 14 augustus 2004 heeft [betrokkene 4], echtgenote van [betrokkene 2], namens Gillvaart aan TON (voor zover relevant) geschreven:

“Op verzoek [betrokkene 2] [betrokkene 2]; rb] stuur ik je hierbij twee exemplaren van het contract TON-Gillvaart B.V. We hebben dit zo aangepast dat duidelijker is dat de volledige verantwoordelijkheid bij Gillvaart B.V. lig en niet bij derden. [betrokkene 2] heeft al getekend en als het ook wat jou betreft akkoord is, verzoeken we je te tekenen en een exemplaar te retourneren. Mocht je toch nog iets willen wijzigen, laat het dan zo spoedig mogelijk weten.

We hebben begrepen dat er tussen jou en Arboned problemen zijn gerezen, die eerst opgelost moeten worden. Voor de voortgang is dit natuurlijk jammer, maar het is niet anders.

[betrokkene 2] heeft alles in hoogste staat van paraatheid gebracht en plaatst de bestellingen zodra het geld gestort is. Ook [betrokkene 3] is al aan het bouwen geslagen. (...)

Wellicht ten overvloede brengen we onder je aandacht dat de levertijd van de te bestellen hardware + 2,5 week is. (...)

(...)

Kortom er gaat toch nogal wat tijd in zitten.

We begrijpen dat je hier op het ogenblik niet zoveel aan kan doen, maar indien en voorzover je hier rekening mee kan houden, hou dit dan in gedachten.”

Op 20 september 2004 heeft [betrokkene 1] per e-mail aan [betrokkene 2] meegedeeld:

“(...)

Allereerst heb ik nog steeds geen passende oplossing gezien voor het feit dat er hier in de aanhef wordt gezegd dat alles jullie eigendom blijft.

Ik krijg met AN een SLA op basis waarvan ik moet presteren. Een onderdeel daarvan is de automatisering. Ik zou graag zien dat wij ook een SLA maken waarbij ik de baas moet blijven over die zaken waarvoor ik in opdracht werk voor AN.

Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld incasso. Het is toch niet denkbaar dat het geld bij jullie binnenkomt ten behoeve van TON.

Ook art. 7 moet anders. Ik heb een SLA met BV x en niet met Y. Artikel 8 omschrijft dat ik 240k moet betalen voor de invoer en niets meer. Beetje veel...

Vandaar de SLA.

Mogelijk moeten we het eerste deel van de nieuwe afspraak gebruiken om punt voor punt eea door te nemen.

Ik bel je voor de afspraak.”

Hierop heeft [betrokkene 2] bij brief van 21 september 2004 gereageerd, die per e-mail van 22 september 2004 aan [betrokkene 1] is verzonden. In die brief stelt Gillvaart zich, samengevat, op het standpunt dat met TON volledige overeenstemming over de samenwerking was bereikt en dat TON zich in dit stadium niet meer aan ondertekening en nakoming van de overeenkomst kan onttrekken. De brief eindigt met:

“(...)

Nu uit uw - op 20 september jl. via e-mail gestuurde - opmerkingen blijkt dat u aanstuurt op een geheel ander soort overeenkomst gaan wij ervan uit dat u niet bereid bent de Samenwerkingsovereenkomst zoals die mondeling tussen ons is overeengekomen te effectueren door het schriftelijk hiervan opgemaakt document te ondertekenen.

Mocht dit evenwel anders zijn en wilt u de Samenwerkingsovereenkomst zoals deze thans op schrift is gesteld toch doorzetten, dan zijn wij hiertoe uiteraard nog steeds volgaarne bereid. In dat geval verwachten wij dat u per direct tot ondertekening overgaat en ons een exemplaar per omgaande retourneert.

Wij verwachten vóór vrijdag 24 september a.s. bericht van u. Indien u deze termijn zonder zinvolle schriftelijke reactie laat verstrijken, verbinden wij hieraan onze conclusies.”

[betrokkene 1] heeft [betrokkene 2] op 23 september 2004 per e-mail het volgende teruggeschreven:

“Uit uw brief maak ik op dat u zich op het standpunt stelt dat er reeds een overeenstemming is en dat er op grond hiervan door Arboned is betaald.

Helaas is deze veronderstelling onjuist en ik maak uit uw brief op dat er geen ruimte meer is voor overleg.

Hetgeen u op papier heeft gezet is als zodanig niet overeengekomen en kan ook nooit zo worden uitgevoerd. Als u derhalve de weg voor overleg en een andere opzet met ook de juiste rechtsverhoudingen blokkeert, is dat ook uw verantwoordelijkheid.

Ik betreur het dat u zich zo opstelt.”

Vervolgens heeft [betrokkene 1] op 29 september 2004 nog een e-mail aan [betrokkene 2] gestuurd, met daarin het volgende:

“Hedenmorgen heb ik een uitvoerig gesprek gevoerd met [betrokkene 3]. Mede gelet op dit gesprek lijkt het mij zinvol dat wij een afspraak plannen om te kijken of we uit de huidige impasse kunnen komen.

Ik stel voor dit op neutraal terrein te doen (...) en waarbij [betrokkene 3] ook aanwezig is.

Mag ik van u vernemen of dit mogelijk is. Mocht u hieraan geen gehoor geven dan acht ik mij vrij om de noodzakelijke stappen te nemen die nodig zijn en zie ik dit als een definitieve weigering.”

De reactie hierop van [betrokkene 2], eveneens per e-mail, luidde (voor zover relevant):

“Een nadere bespreking zal op dit moment maar weinig toevoegen. Kern van het onderhavige probleem is namelijk dat u namens TON de overeenkomst, over de inhoud waarvan partijen al enige tijd geleden overeenstemming hebben bereikt, niet ondertekent.

(...)

Gillvaart stelt TON alsnog in de gelegenheid om de overeenkomst te ondertekenen, en zich bereid te verklaren om de gemaakte afspraken na te komen. Indien een dergelijk bericht niet uiterlijk 4 oktober aanstaande door Gillvaart zal zijn ontvangen, zal Gillvaart zich beraden op haar positie. U zult overigens wel begrijpen dat uit het uitblijven van een dergelijk bericht Gillvaart zal moeten afleiden dat TON in de nakoming van de gemaakte afspraken tekort zal schieten.”

Bij brief van 4 oktober 2004 heeft [betrokkene 1] aan [betrokkene 2] (onder meer) het volgende geschreven:

“Mede naar aanleiding van ons verzoek om een gesprek en uw weigering hiervoor doen wij u hierbij een andere uiteenzetting van onze argumenten toekomen.

(...)

Ten aanzien van de inhoud van uw schrijven van 21 september wil ik alleen maar aangeven dat u uw hand heeft overspeeld. U wilde een concept laten ontwikkelen tegen extreme prijzen in de wetenschap dat aan onze kant de specifieke kennis ontbrak. Bij u overigens ook want anders had u geen invoer berekent voor € 240.000 terwijl dit via een batchverwerking voor enkele tientallen euro’s oplosbaar is.

(...)

Ten aanzien van de SLA het volgende; Wij hebben en krijgen per onderdeel van de activiteiten die wij ondernemen voor onze opdrachtgever een SLA. Ook voor de administratie. (...) Er moet vanuit deze SLA gewerkt worden en op basis daarvan zal er een prijs moeten komen.

(...)

Mocht het bovenstaande u alsnog aanleiding geven om de zaken eens openhartig te bespreken, laat het dan weten.”

De advocaat van Gillvaart heeft TON bij brief van 7 oktober 2004 de volgens Gillvaart met TON gesloten overeenkomst ontbonden, TON aansprakelijk gesteld voor de daaruit voortvloeiende schade en TON gesommeerd tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding van € 5.132.933,88.

Het geschil

2. Gillvaart heeft gevorderd dat de rechtbank TON bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen tot betaling aan Gillvaart van een bedrag van € 5.132.983,88, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 7 oktober 2004 tot aan de dag der voldoening, met veroordeling van TON in de kosten van de procedure.

3. Aan deze vordering heeft Gillvaart primair ten grondslag gelegd de stellingen dat zij met TON op 11 augustus 2004 over alle punten overeenstemming met betrekking tot hun samenwerking had bereikt en dat TON de overeenkomst niet wilde nakomen, op grond waarvan Gillvaart gerechtigd was deze te ontbinden en TON gehouden is haar uit dien hoofde schadevergoeding te betalen. Subsidiair heeft Gillvaart aangevoerd dat een rompovereenkomst tot stand is gekomen, die wegens de weigering van TON deze na te komen is ontbonden. Meer subsidiair meent Gillvaart dat de partijen zich in een dermate vergevorderd stadium van onderhandelingen verkeerden dat het TON, die niet bereid was de overeenkomst te ondertekenen en die naar de opvatting van Gillvaart kennelijk niet verder wilde onderhandelen, niet meer vrijstond deze af te breken. TON is daarom gehouden haar het positieve contractsbelang te vergoeden, aldus Gillvaart.

4. TON heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering.

De beoordeling van het geschil

5. Aan de orde is allereerst de vraag of Gillvaart en TON op 11 augustus 2004 volledige overeenstemming hebben bereikt over de destijds beoogde samenwerking. Gillvaart heeft deze stelling voornamelijk doen steunen op de door haar vervaardigde schriftelijke uitwerking van het gesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] van 11 augustus 2004 (prod. 6 bij dagvaarding; hierna: het transcript). Volgens Gillvaart heeft [betrokkene 1] namens TON in dat gesprek zijn bereidheid uitgesproken de toen ter tafel liggende overeenkomst, na een enkele aanpassing, te ondertekenen. In aanvulling hierop is ter comparitie door [betrokkene 2] namens Gillvaart verklaard dat op 30 juni 2004 een offerte aan TON is uitgebracht, naar aanleiding waarvan [betrokkene 1] een ‘go’ heeft gegeven. Daarna heeft Gillvaart TON de concept-overeenkomst van 5 juli 2004 gezonden, die op 11 augustus 2004 ter tafel lag, aldus Gillvaart. Volgens haar was [betrokkene 1] met de daarin genoemde prijs van € 5,00 per abonnee al eerder telefonisch akkoord gegaan.

6. TON heeft de stelling van Gillvaart gemotiveerd weersproken. Volgens haar hebben de partijen slechts oriënterende gesprekken gevoerd en kon dat ook niet anders, omdat TON op dat moment nog in afwachting was van haar definitieve overeenkomst met Arboned en omdat pas daarna met Gillvaart bindende afspraken zouden kunnen worden gemaakt. Hiervan was Gillvaart volgens TON ook op de hoogte. TON heeft verder aangevoerd dat het transcript onjuist en onvolledig is, maar dat zelfs uit dat stuk blijkt dat TON met de inhoud en opzet van de toen besproken concept-overeenkomst juist niet instemde. Ook uit de inhoud van de brief van 14 augustus 2004 waarbij Gillvaart aan TON een aangepaste overeenkomst heeft gezonden blijkt dat de inhoud van de overeenkomst nog kon worden gewijzigd en dat daarover dus geen volledige overeenstemming bestond, aldus TON. Voorts is ter comparitie door [betrokkene 1] namens TON verklaard dat hij de hem op de zitting getoonde offerte van 30 juni 2004 en de samenwerkings-overeenkomst van 5 juli 2004 niet kende. Voor zover hij medio augustus 2004 bereid was iets te ondertekenen betrof het enkel onderdelen, op grond waarvan kon worden doorgegaan.

7. Gelet op de hoofdregel van art. 150 Rv rust op Gillvaart de bewijslast van haar door TON motiveerd betwiste stelling dat de partijen op 11 augustus 2004 volledige overeenstemming hebben bereikt. Vooruitlopend op een eventuele bewijsopdracht is ter comparitie met de partijen afgesproken dat zij een kopie van de volledige e-mailwisseling en overige tussen hen gevoerde correspondentie - inclusief alle daarbij behorende bijlagen - in het geding zouden brengen. TON zou daarnaast (onder meer) een eigen verslag van het gesprek van 11 augustus 2004 (in het proces-verbaal van de comparitie staat abusievelijk 2005) en haar commentaar op de transcriptie van Gillvaart in het geding brengen. Aldus is geschied.

8. Het valt op, na vergelijking van de door de partijen in het geding gebrachte correspondentie, dat bij de producties van TON (in elk geval) de offerte van 30 juni 2004 en de e-mail van 4 juli 2004, waarbij volgens Gillvaart een concept-overeenkomst gedateerd 5 juli 2004 aan [betrokkene 1] is gezonden, ontbreken. Gelet hierop en op de verklaring hierover van [betrokkene 1] ter comparitie staat niet vast dat de offerte en de overeenkomst van 5 juli 2004 TON hebben bereikt. Verder bevatten de door Gillvaart overgelegde stukken geen aanwijzing dat (en wanneer) [betrokkene 1] naar aanleiding van de offerte een ‘go’ heeft gegeven en evenmin dat (en wanneer) hij zich akkoord heeft verklaard met een prijs van € 5,00 per abonnee. Ook is onduidelijk gebleven of TON vóór de bespreking van 11 augustus 2004 al dan niet over de concept-overeenkomst beschikte. Ook van deze stellingen, die kennelijk dienen ter ondersteuning van de hoofdstelling van Gillvaart met betrekking tot de volledige overeenstemming, draagt Gillvaart de bewijslast. Aan het bewijs daarvan wordt echter niet toegekomen. Daargelaten of Gillvaart voldoende heeft gesteld om tot het bewijs van deze ondersteunende stellingen te worden toegelaten kan de juistheid ervan in verband met het volgende namelijk in het midden blijven.

9. Het transcript van Gillvaart van het gesprek van 11 augustus 2004 - van de juistheid en volledigheid daarvan wordt veronderstellenderwijs uitgegaan - bevat duidelijke aanwijzingen dat in dat gesprek geen volledige overeenstemming over de samenwerking is bereikt. Immers, op bladzijde 6 daarvan (bovenaan) staat een opmerking van [betrokkene 2] waaruit blijkt dat hij wist dat [betrokkene 1] nog wat veranderingen in het contract wilde hebben en dat [betrokkene 1] die op dat moment nog steeds niet aan hem had doorgegeven. Verder zijn er vanaf de tweede helft van bladzijde 8 tal van opmerkingen van [betrokkene 1] te lezen waaruit zonder meer blijkt dat hij het met de opzet van de voorliggende concept-overeenkomst in het geheel niet eens was. Onder andere heeft [betrokkene 1] gezegd, zakelijk weergegeven, dat de verplichtingen en verantwoordelijkheden van Gillvaart zelf daarin centraal behoorden te staan en niet die van Gillvaarts toeleveranciers zoals op dat moment het geval was. Ook heeft [betrokkene 1] gezegd dat de financiële administratie van TON buiten de samenwerking moest vallen. Uit het transcript blijkt verder dat [betrokkene 2] naar aanleiding hiervan zou zorgen voor de door [betrokkene 1] gewenste aanpassing van de overeenkomst. Dit heeft geresulteerd in de versie van 14 augustus 2004, waarvan niet kan worden gezegd dat die aan de hiervoor vermelde kritiek van [betrokkene 1] tegemoet komt. De te constateren aanpassingen van (alleen) de artikelen 4, 8, 18 en 22 zijn daarvoor bepaald onvoldoende. Daar komt nog bij dat de begeleidende brief van dezelfde datum (zie onder 1.6) met zoveel woorden de mogelijkheid open laat voor nadere wijzigingen op verzoek van [betrokkene 1]. De conclusie kan dan ook geen andere zijn dan dat op 11 augustus 2004 geen volledige overeenstemming tussen de partijen was bereikt. Hieraan doet niet af dat de partijen op 11 augustus 2004 ook uitgebreid over de verhuizing van hun ondernemingen in verband met de aanstaande samenwerking en over ondertekening op korte termijn van de samenwerkings-overeenkomst hebben gesproken. Hooguit kan daaruit worden afgeleid dat ook TON er (toen nog) vanuit ging dat de samenwerking er spoedig zou komen. Maar daarmee was de overeenstemming over de volledige inhoud van de samenwerkingsovereenkomst nog geen feit. In het verlengde hiervan is van een schadevergoedingsverplichting van TON jegens Gillvaart wegens de ontbinding van die ‘overeenkomst’ op grond van tekortkoming door TON in de nakoming ervan geen sprake. Op de hier besproken grondslag kan de vordering dus niet worden toegewezen.

10. Gillvaart heeft haar vordering subsidiair gebaseerd op de stelling dat de partijen destijds wel gedeeltelijke overeenstemming over hun samenwerking hebben bereikt waaraan zij waren gebonden. Aangezien ook deze stellingen gemotiveerd door TON zijn betwist staan zij evenmin vast en rust op Gillvaart de bewijslast ervan. Maar gelet op het volgende is ook het bewijs van deze stellingen niet ter zake dienend, zodat daaraan wederom niet wordt toegekomen.

11. Ook indien er - veronderstellenderwijs - vanuit wordt gegaan dat de partijen op onderdelen bindende afspraken hebben gemaakt geldt dat de houding van Gillvaart er de oorzaak van is dat het uiteindelijk niet tot enige samenwerking(sovereenkomst) met TON is gekomen. Uit de door de beide partijen overlegde correspondentie (zie onder 1.7 tot en met 1.13) blijkt dat TON zich steeds bereid heeft verklaard tot nader overleg met Gillvaart over de (verdere) invulling van de samenwerking. Gillvaart daarentegen wilde van niets anders weten dan ondertekening en integrale nakoming door TON van de ‘overeenkomst’ van 14 augustus 2004. Uit hetgeen hiervoor (onder 9.) is overwogen en beslist volgt dat TON in elk geval niet aan de volledige inhoud van dit document was gebonden. Indien en voor zover bepaalde onderdelen van de ‘overeenkomst’ van 14 augustus 2004 wel berustten op bindende afspraken tussen Gillvaart en TON, dan was TON mogelijk wel gehouden tot nakoming van (enkel) de daaruit voortvloeiende verplichtingen, maar dáárop heeft Gillvaart nimmer aangedrongen. Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat TON door de eerdergenoemde brieven en e-mails van (de raadsman van) Gillvaart ter zake van de nakoming van deze verplichtingen in verzuim is gebracht. Bij gebreke daarvan ontbrak, gelet op het bepaalde in art. 6:265 lid 2 BW, bij Gillvaart de bevoegdheid tot ontbinding van de gedeeltelijke overeenkomst en is TON niet aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende schade. Op deze grondslag kan de vordering dus evenmin worden toegewezen.

12. Meer subsidiair heeft Gillvaart nog als grondslag voor haar vordering aangevoerd dat zij en TON in hun onderhandelingen zo ver waren gevorderd dat zij deze redelijkerwijs niet meer konden afbreken zonder de schade van de ander te vergoeden. Wat hiervan ook zij, uit hetgeen hiervoor (onder 10) is overwogen volgt dat Gillvaart zelf niet van verder onderhandelen heeft willen weten, terwijl TON zich daartoe steeds bereid heeft verklaard. Hierop strandt de vordering.

13. Op grond van al het voorgaande zal aan Gillvaart haar vordering worden ontzegd en zal Gillvaart als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van TON worden begroot op:

- vast recht € 4.535,00

- salaris procureur € 9.633,00 (3,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 14.168,00.

De beslissing

De rechtbank

ontzegt aan Gillvaart haar vordering,

veroordeelt Gillvaart in de proceskosten, aan de zijde van TON tot op heden begroot op € 14.168,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Driel van Wageningen en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2005.

De griffier: De rechter: