Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU1547

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-06-2005
Datum publicatie
25-08-2005
Zaaknummer
103517
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 103517 / HA ZA 03-1426

Datum uitspraak: 22 juni 2005

Vonnis

In de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. J.A. Neslo te Almere,

tegen

[gedaagde],

h.o.d.n. Handelsonderneming [gedaagde],

wonende te Ede,

gedaagde,

procureur en advocaat mr. W.R.H. Jager te Ede.

Het verloop van de procedure

Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar het vonnis van 18 augustus 2004 waarbij [eiseres] is opgedragen bewijs te leveren. Naar aanleiding daarvan heeft de rechtbank getuigen gehoord, eerst aan de zijde van [eiseres] en daarna aan de zijde van [gedaagde]. De processen-verbaal daarvan bevinden zich bij de stukken. Vervolgens heeft [eiseres] een conclusie na enquête genomen, onder overlegging van producties, waarna [gedaagde] eveneens heeft geconcludeerd na enquête. Tot slot is vonnis bepaald.

De verdere beoordeling van het geschil

11. Gebleven wordt bij hetgeen in het vorige tussenvonnis is overwogen en beslist.

12. [eiseres] is daarbij opgedragen te bewijzen dat zij binnen twee maanden nadat de auto op 10 april 2003 in beslag was genomen, [gedaagde] ervan in kennis heeft gesteld dat de auto niet aan koopovereenkomst beantwoordde. Naar aanleiding daarvan heeft zij haar partner, [betrok[betrokkene 1], doen horen als getuige. In contra-enquête heeft [gedaagde] zichzelf als getuige doen horen.

13. [betrokkene 1] heeft kort gezegd verklaard dat hij [gedaagde] nog dezelfde dag heeft gebeld nadat hij en [eiseres] de in het vorige tussenvonnis onder 1.2 aangehaalde brief van de politie van 8 april 2003 hadden ontvangen. Op vragen van mr. Jager heeft hij verklaard dat hij dacht dat hij [gedaagde] toen met zijn mobiele telefoon met nummer [nummer] heeft gebeld. [betrokkene 1] heeft verder verklaard dat [eiseres] diezelfde dag ook nog de brief die ze van de politie hadden ontvangen naar [gedaagde] gefaxt. Op 10 april 2003 werd de auto in beslag genomen en kort daarna is de heer [betrokkene 2] van de politie bij hen geweest, onder andere om spullen terug te brengen die in de auto lagen. [betrokkene 2] heeft, toen hij bij hen was, ook nog gebeld met [gedaagde] en hem verteld dat de auto door de politie in beslag was genomen en hem gevraagd dit met probleem met [betrokkene 1] en [eiseres] op te lossen. Aan het eind van dat gesprek heeft hij [gedaagde] ook nog zelf aan de lijn gehad en gevraagd om een compromis, maar [gedaagde] hield de boot af. Daarna heeft hij [gedaagde] nog een aantal keren gebeld, maar zonder resultaat. Omdat zijn telefoontjes tot niets leidden, is [eiseres] op een gegeven moment naar Ede gegaan om verhaal te halen bij [gedaagde]. Volgens [betrokkene 1] is dit in ieder geval vóór juli 2003 geweest.

14. Bij conclusie na enquête heeft [eiseres] voorts overgelegd een aan haar gericht schrijven van [betrokkene 3], voertuigspecialist van de Regiopolitie Flevoland van 24 augustus 2004. Daarin heeft hij geschreven:

Op verzoek van [e[eiseres], (...) relateer ik, [betrokkene 3], werkzaam als voertuigspecialist bij de Regiopolitie Flevoland, het volgende:

Op 10 april 2003 werd door mij een identiteitsonderzoek ingesteld aan een vierwielig motorvoertuig voorzien van het kenteken PH-VG-95. Nadat ik de juiste identiteit van het voertuig had vastgesteld werd door mij de eigenaresse [eiseres] in kennisgesteld van mijn bevindingen. Naar aanleiding van mijn bevindingen had ik vervolgens telefonisch contakt met de verkoper van de personenauto genaamd [ge[gedaagde]. Nadat ik hem van mijn bevindingen op de hoogte had gesteld deelde hij mij mede dat hij niet op de hoogte was van het feit dat de auto van diefstal afkomstig was. Verder deelde hij mij mede e.e.a. met [eiseres] te willen regelen.

Ook heeft [eiseres] bij conclusie na enquête twee overzichten in het geding gebracht, afkomstig van respectievelijk Tele2 en Orange Nederland N.V. (hierna: Orange). In het overzicht van Tele2 staat weergegeven met welke telefoonnummers is gebeld in de periode van 22 maart 2003 tot en met 23 april 2003 vanaf het (vaste) telefoonnummer [nummer]. In het overzicht van Orange staat weergegeven met welke telefoonnummers is gebeld in de periode van 4 april 2003 tot en met 2 mei 2003 vanaf het mobiele telefoonnummer [nummer].

15. [gedaagde] heeft in contra-enquête verklaard dat hij zich niet kan herinneren vóór 4 juli 2003, toen hij volgens eigen zeggen voor het eerst een brief van mr. Neslo ontving, ooit door [eiseres] of [betrokkene 1] te zijn gebeld. Ook kon hij zich niet herinneren dat [eiseres] voor die datum bij hem op de zaak is geweest om verhaal te halen. Op vragen van mr. Neslo heeft hij verklaard dat het telefoonnummer van zijn bedrijf [nummer] is en dat zijn mobiele nummer [nummer] is.

16. Vastgesteld moet worden dat de verklaringen die [betrokkene 1] en [gedaagde] als getuigen hebben afgelegd, tegenover elkaar staan, met dien verstande dat [betrokkene 1] stellig beweert [gedaagde] verschillende malen gebeld te hebben tussen begin april 2003 en 4 juli 2003 terwijl [gedaagde] alleen maar heeft aangegeven zich hier niets van te kunnen herinneren, maar een en ander niet met zoveel woorden heeft ontkend of betwist.

17. [eiseres] heeft hetgeen [betrokkene 1] heeft verklaard na de getuigenverhoren nader onderbouwd door overlegging van de onder 14 bedoelde stukken. De heer [betrokkene 2] bevestigt in zijn schrijven van 24 augustus 2004 de verklaring van [betrokkene 1] waar hij stelt dat hij gebeld heeft met [gedaagde] en hem van zijn bevindingen op de hoogte heeft gesteld. Verder blijkt uit het door [eiseres] overgelegde overzicht van Tele2 dat vanaf het nummer [nummer] op 9, 10, 11 en 14 april 2003 verschillende keren is gebeld naar het bedrijf van [gedaagde] en dat op 10 en 11 april 2003 ook verschillende keren is gebeld naar het 06-nummer van [gedaagde]. Verder blijkt uit het door Orange opgestelde overzicht dat op 11 en op 14 april 2003 vanaf het mobiele nummer van [betrokkene 1] is gebeld met het bedrijf van [gedaagde]. Telkens is blijkbaar ook een verbinding tot stand gekomen, gelet op het feit dat er steeds kosten in rekening zijn gebracht door zowel Tele2 als Orange.

18. De verklaring die [betrokkene 1] heeft afgelegd wordt dus op wezenlijke punten ondersteunt door aanvullende bewijzen. Het enkele feit dat [betrokkene 1] tijdens zijn getuigenverhoor heeft verklaard dat hij dacht [gedaagde] op 9 april 2003 vanaf zijn mobiele telefoon te hebben gebeld, terwijl op die dag alleen vanaf het vaste huisnummer van [eiseres] en [betrokkene 1] met het bedrijf van [gedaagde] is gebeld, doet daaraan niet af.

19. Weliswaar volgt uit het feit dat er in april 2004 veelvuldig door [eiseres] en [betrokkene 1] is gebeld met (het bedrijf van) [gedaagde] nog niet noodzakelijkerwijs dat zij toen ook hebben gereclameerd over de inbeslagneming van de auto, maar dat daar toen over is geklaagd ligt, gelet op de verdere omstandigheden van het geval, wel in de rede, met name omdat de auto toen net in beslag was genomen en ook de heer [betrokkene 2] heeft aangegeven met [gedaagde] in die tijd over deze kwestie te hebben gebeld.

20. Aan de verklaring die [betrokkene 1] heeft afgelegd komt dan ook meer gewicht toe dan aan de enkele mededeling van [gedaagde] dat hij zich niets meer kan herinneren van telefoongesprekken in die tijd. Alle stukken in onderlinge samenhang beschouwend, is de rechtbank daarom van oordeel dat [eiseres] is geslaagd in het haar opgedragen bewijs dat zij binnen twee maanden nadat de auto op 10 april 2003 in beslag was genomen, hierover heeft gereclameerd bij [gedaagde].

21. Bij conclusie na enquête heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eiseres] al bij de koop zelf had kunnen zien dat er iets mis was met de auto omdat zij tijdens de comparitie van partijen heeft verklaard dat met lekenogen was te zien dat het chassisnummer was vervalst. Daarmee miskent [gedaagde] dat de onderzoeksplicht van een consument die een auto koopt bij een regulier autobedrijf niet zover strekt dat de consument de echtheid van het chassisnummer moet controleren. Een consument mag er zonder meer vanuit gaan dat dit in orde is. Dit zou pas anders zijn wanneer [gedaagde] [eiseres] bij de verkoop erop had gewezen dat er wel eens iets mis kon zijn met het chassisnummer, maar dat is niet gesteld of gebleken.

22. Zoals in het vorige tussenvonnis reeds is overwogen betekent het feit dat [eiseres] tijdig heeft gereclameerd dat zijgerechtigd is de koopovereenkomst te ontbinden, nu ook vaststaat dat [gedaagde] nooit op haar klachten heeft gereageerd. Naast teruggave van de koopprijs ad € 16.950,00, heeft [eiseres] ook recht op aanvullende schadevergoeding overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:277 BW. Daarbij dient vergeleken te worden de vermogenspositie waarin [eiseres] zou hebben verkeerd wanneer de overeenkomst onberispelijk zou zijn nagekomen en die waarin zij komt te verkeren wanneer de overeenkomst wordt ontbonden en over en weer de restitutieverplichtingen worden nagekomen, zonder dat haar verder enige schadevergoeding wordt toegekend. Wanneer de overeenkomst onberispelijk zou zijn nagekomen, had zij niet een vervangende auto hoeven te regelen voor de periode dat zij de in geding zijnde auto moest missen. Daarvoor heeft zij blijkens haar eigen stellingen echter ook niet gekozen. Kennelijk heeft zij in overleg met haar partner [betrokkene 1] ervoor gekozen de auto die op naam van het taxibedrijf van [betrokkene 1] stond, te verkopen en te vervangen door een andere auto waarin ook privé kon worden gereden. Van de daarmee gemoeide schade, welke zij begroot op € 11.468,91 vordert zij immers eveneens vergoeding.

23. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak onvoldoende gronden de door [eiseres] geleden schade abstract te begroten, met name omdat er, gelet op alle omstandigheden van het geval, voldoende aanknopingspunten zijn voor een concrete schadebegroting. Die aanknopingspunten moeten dan wel door [eiseres] worden gesteld en daarin is zij naar het oordeel van de rechtbank tekortgeschoten. Uit hetgeen hiervoor onder 22 is overwogen, volgt immers dat niet gesteld of gebleken is dat zij daadwerkelijk is overgegaan tot het huren van een vervangende auto, zodat het in verband daarmee gevorderde bedrag van € 800,00 per maand niet voor vergoeding in aanmerking komt. Met betrekking tot de oplossing waarvoor [eiseres] – blijkbaar in overleg met [betrokkene 1] – wel heeft gekozen, te weten de verkoop van de bedrijfsauto, geldt dat [gedaagde] al bij “antwoordakte tevens houdende verzet tegen wijziging en aanvulling en eis” van 2 juni 2004 terecht heeft aangevoerd dat uit de stellingen en de bewijsstukken die [eiseres] in verband met laatstgenoemde claim heeft overgelegd, hooguit kan worden afgeleid dat [betrokkene 1] schade heeft geleden, maar niet dat zijzelf ook schade heeft geleden. Dat [betrokkene 1] zijn vordering aan [eiseres] heeft overgedragen, volgt niet uit haar stellingen. Het had dan ook op haar weg gelegen haar vordering op dit punt nader te onderbouwen in haar conclusie na enquête. Dit betekent dat dit deel van de vordering wegens onvoldoende onderbouwing moet worden afgewezen.

24. Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [eiseres] tot vergoeding van aanvullende schade wordt afgewezen. Daarmee kan ook voorbij worden gegaan aan de stelling van [gedaagde] dat hij aanspraak kan maken op een vergoeding voor het gebruik van de auto, nu hij in zijn conclusie van antwoord onder 7 met zoveel woorden heeft gesteld dat hij dit bedrag in mindering wenst te brengen op de schade die hij eventueel aan [eiseres] zou moeten vergoeden.

25. Verder vordert [eiseres] vergoeding van de wettelijke rente over de indertijd betaalde koopprijs van € 16.950,00 vanaf de dag van dagvaarding, zo blijkt uit de inleidende dagvaarding. Dit deel van de vordering kan als onweersproken worden toegewezen.

26. Tot slot vordert [eiseres] vergoeding van buitengerechtelijke kosten, zonder evenwel aan te geven waar deze door zijn veroorzaakt. Dit laatste had wel op haar weg gelegen nu [gedaagde] gemotiveerd heeft betwist dat er in dit verband daadwerkelijk kosten zijn gemaakt en uit het dossier daarvan verder ook niet blijkt. De brieven van 2 juni 2003 (waarvan [gedaagde] de ontvangst betwist) en 4 juli 2003 van mr. Neslo zijn immers niet meer geweest dan een opmaat tot deze procedure, terwijl de brief die zij voordien heeft gestuurd door haar verkeerd was geadresseerd. De daarmee gemoeide kosten kunnen uiteraard niet ten laste van [gedaagde] worden gebracht.

27. Omdat de partijen over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zodat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.

De beslissing

De rechtbank, recht doende,

ontbindt de koopovereenkomst die de partijen met betrekking tot de personenauto van het merk BMW, type 325 L cabriolet met kenteken PH-VG-95 hebben gesloten,

veroordeelt [gedaagde] tot teruggave van de koopprijs van de auto ad € 16.950,00 aan [eiseres], te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 augustus 2003,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

compenseert de kosten aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Vaessen en uitge-spro-ken in het openbaar op 22 juni 2005.

de griffier de rechter