Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU1538

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-07-2005
Datum publicatie
25-08-2005
Zaaknummer
120962
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Engelsing stelt dat gedaagde 1 en gedaagde 1 beheer toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de op hen rustende verplichtingen uit hoofde van de samenwerkings- en de intentieovereenkomst. Immers, in strijd met de daarin neergelegde afspraken heeft gedaagde 1, via Assupport, niet alleen nieuwe relaties bij Engelsing onder gebracht maar ook relaties van Engelsing naar zich toe getrokken.

Het meest verstrekkende verweer van gedaagden luidt dat het in art. 6 van de samenwerkingsovereenkomst opgenomen non-concurrrentiebeding in strijd is met art. 6 van de Mededingingswet en op die grond van rechtswege nietig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 120962 / HA ZA 04-2252

Datum vonnis: 13 juli 2005

Vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ENGELSING MAKELAARS B.V.,

gevestigd te Arnhem,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. W.J.G.M. van den Broek,

advocaat mr. ir. J.A.A. Diederen te Nijmegen,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] OOSTERBEEK BEHEER B.V.,

gevestigd te Oosterbeek, gemeente Renkum,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ASSUPPORT B.V.,

gevestigd te Oosterbeek, gemeente Renkum,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal,

advocaat mr. R.W.F. Hendriks te 's-Hertogenbosch.

Eiseres zal hierna Engelsing worden genoemd, gedaagden zullen afzonderlijk worden aangeduid als [gedaagde], [gedaagde] Beheer en Assupport. Gezamenlijk zullen zij gedaagden worden genoemd.

Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

- het tussenvonnis van 16 februari 2005;

- het proces-verbaal van comparitie van 7 april 2005.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Op 23 maart 2001 hebben Promesse BV, I. [gedaagde] Assurantiën Oosterbeek BV en Gebroeders Brethouwer BV als verkoper en Engelsing als koper een koopovereenkomst gesloten. Daarbij heeft Engelsing voor de prijs van circa ƒ 1.370.000,- een assurantieportefeuille en kantoorinventaris gekocht. Deze assurantieportefeuille wordt hierna ook wel de [gedaagde]-portefeuille genoemd.

Op 30 maart 2001 hebben Engelsing en [gedaagde] Beheer, vertegenwoordigd door haar directeur [gedaagde] een managementovereenkomst gesloten. Deze overeenkomst is spoedig met wederzijds goedvinden beëindigd.

Op 1 februari 2002 hebben Engelsing en [gedaagde] Beheer een intentieovereenkomst gesloten. Deze overeenkomst luidt, voor zover van belang:

“De beoogde samenwerking zal voorts het navolgende tot inhoud hebben:

1. [gedaagde] zal de belangen van relaties als vermeld in bijlage 1 blijven behartigen en alles doen wat in zijn vermogen ligt deze relaties voor Engelsing te behouden en waar mogelijk het provisieniveau te verhogen.

2. [gedaagde] zal zich inspannen alle door of namens haar nieuw af te sluiten verzekeringen met de relaties als vermeld in bijlage 1 tot stand te laten komen via Engelsing, in het bijzonder Engelsing Assurantiën, zijnde de verzekeringsactiviteiten van Engelsing, doch [gedaagde] dient de vrijheid van handelen te hebben, o.a. indien om welke reden ook een relatie als vermeld in bijlage 1 een nieuw af te sluiten verzekering niet wenst onder te brengen bij Engelsing of vice versa Engelsing deze niet bij haar ondergebracht wenst te hebben.

3. [gedaagde] zal zich inspannen nieuwe relaties onder te brengen bij Engelsing in het bijzonder Engelsing Assurantiën, doch [gedaagde] dient vrijheid van handelen te hebben, o.a. indien om welke reden ook een nieuwe relatie niet ondergebracht wenst te worden bij Engelsing of vice versa Engelsing deze niet wenst onder te brengen.

4. [gedaagde] zal gedurende de looptijd van de samenwerking in beginsel geen andere verzekeringportefeuille opzetten. [gedaagde] heeft slechts vrijheid van handelen om naast de beoogde samenwerking activiteiten op het gebied van verzekeringen uit te oefenen, indien en voor zover dergelijke activiteiten geen afbreuk zullen doen aan de beoogde samenwerking.

[...]

Geheimhouding

Behoudens andersluidende afspraken en tenzij de wet anders voorschrijft, zullen partijen strikte geheimhouding betrachten met betrekking tot alle informatie en gegevens die zij over en weer aan elkander in het kader van de voorgenomen samenwerking hebben verkregen of nog zullen verkrijgen, inclusief de inhoud van deze intentieverklaring. Het vorenstaande geldt onverkort ook voor alle door partijen ingeschakelde adviseurs en andere derden.”

Op 17 april 2002 hebben Engelsing en [gedaagde] Beheer een samenwerkingsovereenkomst gesloten. Deze overeenkomst luidt, voor zover van belang:

“Artikel 6 Nevenactiviteiten

1. Het is [gedaagde] toegestaan om tijdens de looptijd van deze overeenkomst soortgelijke activiteiten als waarop deze samenwerking betrekking heeft te ontplooien, voor zover dergelijke nevenactiviteiten redelijkerwijs niet uitgevoerd kunnen worden in het kader van de samenwerking tussen partijen, zoals genoemd onder 2, 3 en 4 op pagina 2 van eerder vermelde intentieverklaring.

2. Ingeval van overtreding van deze bepaling verbeurt [gedaagde] een éénmalig opeisbare boete van 10.000 euro, te vermeerderen met 500 euro per dag zolang de overtreding voortduurt, zulks onverminderd de overige aan Engelsing toekomende rechten.

[...]

Artikel 8 SER-inschrijving

1. [gedaagde] staat er jegens Engelsing voor in dat de aan haar directeur, I. [gedaagde], verleende SER-inschrijving, partijen genoegzaam bekend, niet zal worden gebruikt in strijd met de onderhavige samenwerking tussen partijen c.q. deze overeenkomst.

2. Ter controle van het gestelde in het vorige lid heeft Engelsing het recht het gebruik van de in lid 1 genoemde SER-inschrijving door een onafhankelijke door partijen gezamenlijk aangewezen derde, een registeraccountant, te laten verifiëren. [...]”

Op 16 augustus 2004 hebben [betrokkene 1] en Partners en Assupport BV, 100% dochter van [gedaagde] Beheer, vertegenwoordigd door [gedaagde], een overeenkomst gesloten waarbij zij onder meer zijn overeengekomen dat Assupport 50% van alle provisieopbrengsten ontvangt van alle verzekeringen, hypotheken, financieringen en dergelijke die via bemiddeling van Assupport tot stand zijn gebracht bij [betrokkene 1]. Voorts hebben [betrokkene 1] en Assupport een lijst samengesteld van gezamenlijke relaties en deze ingedeeld in drie categorieën: A, B en C. Blijkens de overeenkomst is de betekenis hiervan de volgende:

“A-relaties zijn relaties uit het netwerk van [gedaagde 1]. Het relatiebeheer ligt bij [gedaagde 1].

B-relaties zijn relaties die via [gedaagde 1] binnenkomen of via VBP en duidelijk zijn te relateren aan het Oosterbeekse netwerk. [...]

C-relaties zijn relaties die indirect via het netwerk zijn binnengekomen, maar waar VBP het beheer voor doet, omdat de relatie b.v. in de Randstad zit.”

Bij brief van 5 november 2004 heeft Engelsing de samenwerkingsovereenkomst met [gedaagde] Beheer ontbonden op grond van wanprestatie subsidiair onrechtmatig handelen van gedaagden.

Engelsing heeft ten laste van gedaagden conservatoir beslag doen leggen onder de ABN AMRO Bank, Achmea Schadeverzekeringen NV, Tax-Holland Groep BV, Turien & Co CV en AXA Art Versicherung AG. Daarnaast heeft zij conservatoir beslag doen leggen op een voor de helft aan [gedaagde] in eigendom toebehorende recreatiebungalow te Langweer.

Het geschil

in conventie

Engelsing vordert - samengevat - hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van € 2.187.500,-, vermeerderd met rente en kosten, die van het beslag daaronder begrepen.

Engelsing legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] en [gedaagde] Beheer toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de op hen rustende verplichtingen uit hoofde van de samenwerkings- en de intentieovereenkomst. Immers, in strijd met de daarin neergelegde afspraken heeft [gedaagde], via Assupport, niet alleen nieuwe relaties niet bij Engelsing onder gebracht maar ook relaties van Engelsing naar zich toe getrokken. Voor zover [gedaagde] in privé jegens Engelsing geen contractuele verplichtingen zou hebben, stelt Engelsing zich subsidiair op het standpunt dat deze handelswijze van [gedaagde] jegens Engelsing onrechtmatig is. Voor Assupport geldt dat zij onrechtmatig jegens Engelsing heeft gehandeld door op te treden als het vehikel waarin [gedaagde] en [gedaagde] Beheer de onrechtmatige gedragingen hebben kunnen plegen en waarin [gedaagde] de eigen portefeuille heeft opgebouwd die ingevolge de afspraken aan Engesling toekomt.

Nu volgens Engelsing 177 polissen ten onrechte niet bij Engelsing zijn ondergebracht is ingevolge artikel 6 lid 2 van de samenwerkingsovereenkomst een boete van 177 maal € 10.000,-, derhalve € 1.777.000,- verbeurd, zo stelt Engelsing. Voorts is schade onstaan als gevolg van het ten onrechte niet bij Engelsing onderbrengen van de assurantieportefeuille, door Engelsing gesteld op € 487.000,-.

Gedaagden voeren verweer in conventie. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

Gedaagden vorderen - samengevat - opheffing van de gelegde beslagen op verbeurte van een dwangsom, veroordeling van Engelsing tot betaling van de door gedaagden geleden schade wegens onrechtmatig handelen (laster) en wegens wanprestatie (schending geheimhoudingplicht). Daarnaast vorderen zij veroordeling van Engelsing tot betaling van de door gedaagden geleden schade omdat Engelsing de samenwerkingsovereenkomst op oneigenlijke gronden voor onbepaalde tijd heeft beëindigd. Deze schade wordt begroot op € 40.000,-. Tot slot vorderen zij veroordeling van Engelsing in de kosten van dit geding.

Engelsing voert verweer in reconventie. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

in conventie

Het meest verstrekkende verweer van gedaagden luidt dat het in art. 6 van de samenwerkingsovereenkomst opgenomen non-concurrentiebeding in strijd is met art. 6 van de Mededingingswet en op die grond van rechtswege nietig. Omdat de vorderingen van Engelsing op art. 6 van de samenwerkingsovereenkomst zijn gebaseerd zal dit verweer als eerste worden besproken.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van dit onderdeel voorop dat het communautaire en nationale mededingingsrecht zogenaamde nevenrestricties (kunnen) toelaten. Van een nevenrestrictie is sprake bij een (beweerde) mededingingsbeperking, die rechtstreeks verband houdt met en nodig is voor de verwezenlijking van een niet-beperkende hoofdtransactie. Deze nevenrestrictie moet om toegelaten te worden, evenredig zijn aan de hoofdtransactie, met dien verstande dat de hoofdtransactie zelf de mededinging niet mag beperken. Indien op grond van objectieve factoren kan worden geconcludeerd dat binnen de specifieke context van de hoofdtransactie, een bepaalde mededingingsbeperkende restrictie noodzakelijk is voor de tenuitvoerlegging van die transactie en daaraan evenredig is, valt de restrictie buiten het toepassingsgebied van art. 81 lid 1 EG-Verdrag (HR 17 december 2004, NJ 2005, 214). Nu de Mededingingswet is geënt op het EG-Verdrag moet ook voor de toepassing van art. 6 Mw. worden aanvaard dat nevenrestricties als zojuist omschreven buiten het toepassingsgebied van deze bepaling vallen.

De context waarbinnen art. 6 van de samenwerkingsovereenkomst dient te worden bezien is die waarin Engelsing eerder van [gedaagde] een assurantieportefeuille kocht voor

ƒ 1.370.000,-. Vervolgens zijn partijen overeengekomen dat [gedaagde] zich, tegen betaling, zou inspannen de relaties die deel uitmaakten van de overgedragen portefeuille voor Engelsing te behouden alsmede zich in te spannen om door deze reeds bestaande of nieuwe relaties nieuw af te sluiten verzekeringen, onder te brengen bij Engelsing. Naar het oordeel van de rechtbank beperkt deze hoofdtransactie op zichzelf de mededinging niet.

Vervolgens dient onderzocht te worden of de mededingingsbeperking zoals opgenomen in artikel 6 lid 1 van de samenwerkingsovereenkomst nodig en evenredig is in het kader van de samenwerking als hiervoor omschreven. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval. Immers, aan de hiervoor omschreven samenwerking is inherent dat [gedaagde], zelfstandig noch met behulp van aan hem gelieerde vennootschappen, activiteiten ontplooit die vergelijkbaar zijn met die waarop de samenwerking ziet. Zo hij dergelijke activiteiten wel ontplooit, zou de samenwerking immers niet alleen niet het door partijen voorgestane effect hebben en dus inhoudsloos zijn, maar hieraan bovendien rechtstreeks afbreuk doen.

De conclusie is derhalve dat artikel 6 van de samenwerkingsovereenkomst niet als verboden mededingingsbeperking dient te worden opgevat en niet nietig is. De rechtbank komt nu dan ook toe aan de vraag of gedaagden in strijd hebben gehandeld met de verplichtingen uit (artikel 6 van) de samenwerkings- en de intentieovereenkomst.

Gedaagden stellen dat het opbouwen van een assurantieportefeuille enkel mogelijk is met gebruik van de SER-inschrijving. Blijkens artikel 8 van de samenwerkingsovereenkomst heeft [gedaagde] Beheer zich nu juist verbonden die inschrijving niet meer te gebruiken. Gedaagden stellen dit dan ook niet te hebben gedaan. Bovendien had Engelsing ingevolge genoemd artikel 8 een accountantscontrole uit dienen te laten voeren. Nu dit niet is gebeurd handelt zij in strijd met de overeenkomst en kan zij ook niet bepalen of [gedaagde] werkelijk een assurantieportefeuille heeft opgebouwd, zo stellen zij.

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 4 van de intentieovereenkomst niet is opgenomen dat onder verzekeringsportefeuille wordt verstaan een portefeuille, opgebouwd als tussenpersoon die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf. Voorts constateert de rechtbank dat Engelsing haar vordering baseert op de intentieovereenkomst en artikel 6 van de samenwerkingsovereenkomst, waar evenmin wordt gesproken over een SER-inschrijving. Voor zover gedaagden bedoelen dat de artikelen 6 en 8 van de samenwerkingsovereenkomst onlosmakelijk met elkaar en met de intentieovereenkomst zijn verbonden en zij stellen dat, als zij al een SER-inschrijving hadden, zij die niet mochten gebruiken, hetgeen Engelsing had dienen te controleren, is de rechtbank van oordeel dat het gegeven dat Engelsing geen gebruik heeft gemaakt van het controlerecht zoals opgenomen in artikel 8 van de samenwerkingsovereenkomst, niet betekent dat gedaagden de SER-inschrijving vervolgens mochten ge-, dan wel misbruiken. De rechtbank gaat dan ook aan dit verweer voorbij.

Gedaagden hebben voorts aangevoerd dat nu [gedaagde] in privé en Assupport geen partij waren bij genoemde overeenkomsten, zij ook niet kunnen worden aangesproken wegens overtreding van een contractuele bepaling, laat staan tot betaling van een boete uit hoofde van de overeenkomst. [gedaagde] in privé en Assupport hebben evenmin onrechtmatig gehandeld, maar conform het beginsel van vrije concurrentie.

De rechtbank constateert dat vaststaat dat [gedaagde] statutair bestuurder en (enig) aandeelhouder was van [gedaagde] Beheer BV, die op haar beurt statutair bestuurder en enig aandeelhouder was van Assupport BV. [gedaagde] heeft namens [gedaagde] Beheer de intentie- en de samenwerkingsovereenkomst ondertekend. Weliswaar waren [gedaagde] en Assupport geen formele contractspartij bij genoemde overeenkomsten, indien komt vast te staan dat door [gedaagde], danwel door deze door hem gecontroleerde vennootschap Assupport verplichtingen uit die overeenkomsten zijn overtreden, staat daarmee tevens als onweersproken vast dat zowel [gedaagde] als Assupport op onrechtmatige wijze hebben geprofiteerd van de wanprestatie van Beheer, en daarmee onrechtmatig hebben gehandeld.

Engelsing heeft ter onderbouwing van haar vordering aangevoerd dat uit de overeenkomst met [betrokkene 1] & Partners en de daarbij behorend lijst met “A-relaties” blijkt dat [gedaagde] in korte tijd een behoorlijke portefeuille heeft opgebouwd. Van de B-relaties, in de overeenkomst met [betrokkene 1] omschreven als gerelateerd aan het Oosterbeekse netwerk, stelt zij dat deze nu juist behoren tot de door haar gekochte [gedaagde]-portefeuille. Deze B-lijst bevindt zich niet bij de stukken. Voorts heeft zij gesteld dat [betrokkene 1], één van de relaties die deel uitmaakte van de door Engelsing gekochte [gedaagde]-portefeuille en [betrokkene 2], directeur van [betrokkene 1] & Partners, bestuurders van zijn geweest van Assupport. Uit e-mails die haar door, en op initiatief van [betrokkene 3], directeur van Multi Safe ter hand zijn gesteld blijken de inspanningen van [gedaagde] voor [betrokkene 1].

Gedaagden hebben hiertegen aangevoerd dat de verkoop van de assurantieportefeuille aan Engelsing was gelegen in de wens van [gedaagde] om op provisiebasis klanten bij tussenpersonen onder te brengen, zonder zich te hoeven bezig te houden met administratie i.v.m. beheer en behoud van zo’n portefeuille. Binnen de samenwerking zoals die is verwoord in de intentie- en samenwerkingsovereenkomst, beschikte Engelsing niet over exclusiviteit, maar was zij “preferred supplier”, zo stellen zij; [gedaagde] en [gedaagde] Beheer hebben het recht bedongen om naast de samenwerking met Engelsing activiteiten met betrekking tot het aanbrengen van verzekeringen uit te oefenen, voor zover dit geen afbreuk zou doen aan die samenwerking.

Gedaagden stellen voorts enkel relaties die niet (meer) bij Engelsing ondergebracht wensten te worden bij derden te hebben ondergebracht. Zij verwijzen in dit kader naar de door die relaties ondertekende en als productie 2 overgelegde verklaringen. Bovendien zijn alle activiteiten die aldus door [gedaagde] zijn ontplooid uitdrukkelijk binnen Engelsing besproken. Door [gedaagde] is ook inzage gegeven in de elders ondergebrachte polissen. Gedaagden verwijzen daarvoor naar de brief van [betrokkene 4], directielid bij Engelsing, d.d. 6 december 2004.

De overeenkomst die Assupport met [betrokkene 1] heeft gesloten houdt verder niet meer in dan een wijze van het veilig stellen van provisieopbrengsten in geval [betrokkene 1] besluit haar assurantieportefeuille aan derden over te dragen, zo stellen gedaagden.

De rechtbank constateert aan de hand van de stellingen van partijen dat tussen hen de uitleg van artikel 6 van de samenwerkingsovereenkomst niet in geschil is: [gedaagde] Beheer mocht naast de samenwerking met Engelsing activiteiten uitoefenen voor zover dit géén afbreuk zou doen aan die samenwerking. De relaties die, kort gezegd, niet (meer) bij Engelsing ondergebracht wensten te worden, mochten door [gedaagde] bij derden worden ondergebracht. Gedaagden hebben erkend dat zij geen eigen nieuwe assurantieportefeuille mochten opbouwen.

Gelet op de inhoud van de samenwerking vloeit hieruit naar het oordeel van de rechtbank tevens voort dat [gedaagde] open diende te zijn jegens Engelsing omtrent relaties, zowel uit de [gedaagde]-portefeuille als nieuwe, die niet (meer) bij Engelsing onder gebracht wensten te worden.

Vaststaat ook dat partijen, in lijn met hetgeen hiervoor is overwogen, hebben gesproken over het bij derden onderbrengen van relaties/ polissen. Met Engelsing constateert de rechtbank evenwel dat in de door [gedaagde] c.s. genoemde brief van [betrokkene 4] enkel wordt verwezen naar polissen die zijn ondergebracht bij Glasz en Mathijsse Assurantiën; [betrokkene 1] & Partners wordt daarin niet genoemd. Uit hetgeen hierover ter comparitie is verklaard leidt de rechtbank af dat het onderbrengen van relaties bij [betrokkene 1] tussen partijen niet aan de orde is geweest. [gedaagde] Beheer heeft hiermee in strijd gehandeld met de tussen partijen gesloten overeenkomsten, [gedaagde] en Assupport, zoals overwogen in rechtsoverweging 4.9, onrechtmatig.

Engelsing baseert haar vordering op 177 polissen die ten onrechte niet bij haar zouden zijn ondergebracht. Een lijst van deze 177 polissen is echter niet overgelegd. Gedaagden hebben niet betwist dat zij 177 polissen bij derden hebben ondergebracht, maar aangevoerd dat zij relaties bij derden hebben ondergebracht die niet (meer) bij Engelsing ondergebracht wensten te worden. Zij heeft betwist relaties onder druk te hebben gezet bij Engelsing weg te gaan.

De rechtbank zal op dit punt bewijs opdragen. Nu onbetwist vaststaat dat door [gedaagde] relaties bij derden zijn ondergebracht zal ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv. gedaagden bewijs worden opgedragen van de stelling dat deze relaties niet (meer) bij Engelsing ondergebracht wensten te worden en vrijwillig de (over-) stap hebben gemaakt.

Met het oog op het te leveren bewijs wordt Engelsing bevolen de lijst over te leggen van 177 polissen waarop zij haar vordering heeft gebaseerd. Gedaagden wordt bevolen de in de overeenkomst met [betrokkene 1] genoemde lijst met B-relaties over te leggen.

Indien komt vast te staan dat gedaagden in strijd hebben gehandeld met artikel 6 lid 1 van de samenwerkingsovereenkomst verbeuren zij ingevolge lid 2 van dat artikel een boete van € 10.000,-. Partijen verschillen van mening over de vraag op welke wijze “een éénmalig opeisbare boete van € 10.000,-” uitgelegd dient te worden. Uit proceseconomisch oogpunt zal nu reeds aan Engelsing bewijs worden opgedragen van haar door gedaagden betwiste stelling dat gedaagden per overtreding een boete verbeuren van € 10.000,-.

Engelsing stelt voorts schade te hebben geleden tot een bedrag van € 487.500,-. Zij is daarbij uitgegaan van een totale bruto jaarpremie van € 657.000,- en een gemiddelde prolongatieprovisie van 20%, derhalve van € 130.000,-. [gedaagde] c.s. heeft hiertegen aangevoerd dat

€ 130.000,- in werkelijkheid slechts € 60.000,- bedraagt, van welk bedrag [gedaagde] bovendien slechts 50% toekomt.

Indien na bewijslevering komt vast te staan dat [gedaagde] c.s. in strijd hebben gehandeld met artikel 6 van de samenwerkingsovereenkomst zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld zich hierover nader (schriftelijk) uit te laten.

in reconventie

Gedaagden hebben in reconventie aangevoerd dat Engelsing diverse klanten en zakelijke relaties heeft benaderd en zich jegens hen negatief over gedaagden heeft uitgelaten, hetgeen neerkomt op laster. Ter onderbouwing hebben gedaagden verwezen naar een in het Weekblad voor Financiële Dienstverlening gepubliceerd artikel van [betrokkene 3], waarin, zij het zonder dat daarbij expliciet namen worden genoemd, onmiskenbaar wordt verwezen naar gedaagden. Aldus zou Engelsing zich volgens gedaagden onrechtmatig hebben gedragen en aansprakelijk zijn voor de door [gedaagde] geleden en nog te lijden schade.

De rechtbank is van oordeel dat, wat er verder zij van de door Engelsing betwiste stelling dat Engelsing klanten en zakelijke relaties heeft benaderd en zich daarbij negatief over gedaagden heeft uitgelaten, onvoldoende concrete feiten zijn gesteld waaruit valt af te leiden of er schade is als gevolg van de gestelde laster en waaruit die schade dan zou bestaan. Ook een causaal verband tussen de gestelde laster en de niet nader ingevulde schade is niet gesteld. De vordering van gedaagden zal op dit punt dan ook worden afgewezen.

Gedaagden stellen verder dat Engelsing de geheimhoudplicht zoals vastgelegd in de intentieverklaring heeft geschonden door [betrokkene 3] inzage te verschaffen in de tussen partijen gesloten intentie- en samenwerkingsovereenkomst inclusief klantenlijsten.

Engelsing heeft op dit punt aangevoerd geen inzage te hebben verschaft, maar op enig moment te zijn gebeld door [betrokkene 3]. Diens vennootschap was doende de portefeuille, althans de aandelen over te nemen van [betrokkene 1] & Partners. [betrokkene 3] zou Engelsing vervolgens hebben gewaarschuwd en haar de gegevens hebben doen toekomen die hij in de administratie van [betrokkene 1] aantrof. Deze gegevens bestaan onder meer uit een grote hoeveelheid e-mail correspondentie tussen [gedaagde] en Bert van Burik waaruit, zo stelt Engelsing, blijkt dat [gedaagde] druk doende is geweest met het tot stand en onderbrengen van verzekeringsovereenkomsten bij [betrokkene 1].

De rechtbank acht het op zich niet onaannemelijk dat [betrokkene 3] in het kader van een mogelijke aankoop de beschikking heeft gekregen over de administratie van [betrokkene 1], nu ook [gedaagde] c.s. hebben verklaard over de verslechterde financiële positie van [betrokkene 1] en in verband daarmee, de mogelijke verkoop van haar assurantieportefeuille. Vast staat dit echter niet.

Ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv. zal de rechtbank gedaagden dan ook bewijs opdragen van hun stelling dat Engelsing de geheimhoudplicht zoals vastgelegd in de intentieverklaring heeft geschonden, doordat zij [betrokkene 3] inzage heeft verschaft in de tussen partijen gesloten intentie- en samenwerkingsovereenkomst inclusief klantenlijsten.

Hetgeen door gedaagden is opgeworpen met betrekking tot de onrechtmatige beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst alsmede de daaruit volgens gedaagden voortvloeiende schade, zal aan de orde komen indien gedaagden slagen in het hen opgedragen bewijs als omschreven in r.o. 4.18. Immers, in dat geval kan worden beoordeeld of Engelsing, zoals gedaagden stellen, ten onrechte de in artikel 4 van genoemde overeenkomst opgenomen opzegtermijn van 6 maanden niet in acht heeft genomen.

Gedaagden hebben tot slot opheffing van de gelegde beslagen gevorderd op grond van verzuimde wettelijke formaliteiten.

De rechtbank kan uit de overgelegde stukken niet afgeleiden dat, zoals Engelsing stelt, de beslagexploiten aan gedaagden zijn betekend bij gelegenheid van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding op 24 november 2004. De rechtbank beveelt Engelsing de desbetreffende stukken alsnog in het geding te brengen.

De rechtbank overweegt dat indien uit de nog over te leggen stukken blijkt dat de beslagexploiten op 24 november 2004 aan [gedaagde] c.s. zijn betekend, deze betekening buiten de in art. 475i Rv. genoemde acht dagen termijn ligt, voor zover het betreft de beslagen die zijn gelegd onder ABN AMRO (beslag is gelegd op 5 november 2004) en Turien & Co CV en AXA Art Versicherung AG (beslagen gelegd op 15 november 2004). Ingevolge genoemd art. 475i Rv. is het evenwel de voorzieningenrechter die de beslagen in dat geval op kan heffen. De vordering van gedaagden zal op dit punt dan ook worden afgewezen.

Voor zover de vordering van gedaagden strekt tot opheffing van de beslagen alsmede tot aansprakelijkheid, omdat de beslagen een ernstige belemmering vormen in de uitoefening van hun (bedrijfs-) activiteiten en worden gebruikt als oneigenlijk drukmiddel, overweegt de rechtbank dat thans nog niet is gebleken dat de beslagen onrechtmatig dan wel onnodig zijn. Deze vordering zal dan ook nader worden beoordeeld in het eindvonnis.

In conventie en in reconventie

De slotsom is dat thans bewijs zal worden opgedragen als hiervoor weergegeven in de rechtsoverwegingen 4.18, 4.20 en 4.28. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden

Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank op een zitting bepaald voor de getuigenverhoren een mondeling tussenvonnis kan wijzen waarbij een verschijning van partijen op diezelfde zitting wordt bevolen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Zij moeten daarom in persoon op de getuigenverhoren verschijnen.

De bescheiden als genoemd in rechtsoverweging 4.19 alsmede de overige stukken waarop partijen tijdens de comparitie een beroep willen doen, dienen uiterlijk twee weken vóór het eerste getuigenverhoor in fotokopie aan de andere partij en aan de rechtbank te worden toegezonden. In een later stadium is dit niet meer mogelijk.

De beslissing

De rechtbank

in conventie

draagt gedaagden op te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de 177 relaties die zij elders heeft ondergebracht niet (meer) bij Engelsing ondergebracht wensten te worden en vrijwillig de overstap naar een derde hebben gemaakt,

draagt Engelsing op te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat artikel 6 van de samenwerkingsovereenkomst inhoudt dat per overtreding een boete wordt verbeurd van € 10.000,-,

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 27 juli 2005 voor uitlating door gedaagden en door Engelsing of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

bepaalt dat gedaagden en Engelsing, indien zij geen bewijs door getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct in het geding moeten brengen,

bepaalt dat gedaagden en Engelsing, indien zij getuigen willen laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op vrijdagen in de maanden augustus tot en met oktober 2005 direct moeten opgeven, waarna dag en uur van de getuigenverhoren zullen worden bepaald,

bepaalt dat de getuigenverhoren zullen plaatsvinden op de terechtzitting van mr. F.M.Th. Quaadvliet in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4,

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

draagt gedaagden op te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat Engelsing de geheimhoudplicht zoals vastgelegd in de intentieverklaring heeft geschonden, door [betrokkene 3] inzage te verschaffen in de tussen partijen gesloten intentie- en samenwerkingsovereenkomst inclusief klantenlijsten,

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 27 juli 2005 voor uitlating door gedaagden of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

bepaalt dat gedaagden, indien zij geen bewijs door getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct in het geding moeten brengen,

bepaalt dat gedaagden, indien zij getuigen willen laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op vrijdagen in de maanden augustus tot en met oktober 2005 direct moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. F.M.Th. Quaadvliet in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4,

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

houdt iedere verdere beslissing aan,

in conventie en in reconventie

beveelt met het oog op de mogelijk op een voor de getuigenverhoren bepaalde zitting te houden comparitie (r.o. 4.35), dat de bescheiden als genoemd in rechtsoverweging 4.19 alsmede de overige stukken waarop partijen tijdens de comparitie een beroep willen doen, uiterlijk twee weken vóór het eerste getuigenverhoor in fotokopie aan de andere partij en aan de rechtbank worden toegezonden. Het overleggen van stukken in een later stadium is niet meer mogelijk.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M.Th. Quaadvliet en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2005.