Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU1491

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-07-2005
Datum publicatie
25-08-2005
Zaaknummer
AWB 05/2547
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Evenementenvergunning dancefestival; APV; specialiteitsbeginsel; strijd met bestemmingsplan levert geen grond op om evenementenvergunning te weigeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 05/2547

Uitspraak

van de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[verzoekers]

verzoekers, wonende te [woonplaats],

en

I de burgemeester van de gemeente Groesbeek

II het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groesbeek,

verweerders,

alsmede

[belanghebbende],

partij ex artikel 8:26 van de Awb, te [woonplaats].

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2005 heeft de burgemeester van de gemeente Groesbeek (verder: de burgemeester) aan [belanghebbende] (verder: [belanghebbende]) onder het stellen van voorschriften een evenementenvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.2.2. van de in de gemeente Groesbeek geldende Algemene plaatselijke verordening (APV), zulks voor het houden van een open air D-Dance festival op het terrein van [belanghebbende] aan [adres] te [woonplaats] op 30 juli 2005 van 16.00 uur tot 01.00 uur.

Voorts heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groesbeek (verder: het college), eveneens onder het stellen van voorschriften, aan [belanghebbende] ontheffing verleend van het verbod als bedoeld in artikel 4.1.5. eerste lid, van de APV om toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten een zodanige wijze, dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

Tegen deze besluiten hebben verzoekers op 10 juli 2005 bezwaar gemaakt. Tevens is de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 19 juli 2005. Verzoekers zijn aldaar in persoon verschenen. De burgemeester en het college hebben zich doen vertegenwoordigen door mr. F.J.M. Thijssen en J.W. Looijen, ambtenaren van de gemeente. Namens [belanghebbende] zijn verschenen [gemachtigde] en [gemachtigde].

2. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge het bepaalde in artikel 2.2.2, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat een vergunning kan worden geweigerd in het belang van:

a. de openbare orde;

b. het voorkomen of beperken van overlast;

c. de verkeersveiligheid of veiligheid van personen of goederen;

d. de zedelijkheid of de gezondheid.

Ingevolge het bepaalde in artikel 4.1.5, eerste lid, van de APV is het verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten een zodanige wijze, dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders van dit verbod ontheffing verlenen.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het in artikel 2.2.2 en 4.1.5. van de APV neergelegde vergunnings- respectievelijk ontheffingsstelsel strekt ter bescherming van specifiek genoemde belangen. Dat betekent dat, anders dan verzoekers menen, de mogelijke strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan op zich zelf genomen geen grond kan opleveren om de vergunning respectievelijk de ontheffing te weigeren. Voor zover verzoekers in dit verband hebben gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJ-nummer AT3708), berust hun standpunt op onjuiste lezing van deze uitspraak.

Eenzelfde oordeel is de voorzieningenrechter toegedaan voor zover verzoekers zich op het standpunt hebben gesteld dat het te organiseren festival dient te worden aangemerkt als een verboden paracommerciële activiteit, nu regulering hiervan (in hoofdzaak) zijn weerslag heeft gevonden in de Drank- en Horecawet. Daarbij laat de voorzieningenrechter nog in het midden of verzoekers wel een (rechtstreeks) belang hebben bij het beteugelen van mogelijk ongewenste paracommercie.

Voorts merkt de voorzieningenrechter op dat het standpunt van verzoekers, dat het tijdstip waarop de vergunning is aangevraagd (20 juni 2005) niet in verhouding staat tot de schaalgrootte van het evenement en de gevolgen voor de omwonenden, evenmin van belang is bij de vraag of verweerders in redelijkheid de vergunning respectievelijk de ontheffing hebben kunnen verlenen. Overigens wijst de voorzieningenrechter er op dat voorafgaand aan de aanvraag intensief overleg heeft plaatsgevonden tussen aanvrager en de betrokken diensten, hetgeen blijkt uit het reeds op 30 maart 2005 opgestelde advies van de Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen (GHOR). Voor zover verzoekers hebben willen betogen dat zij door de late vergunningverlening worden beperkt in de bezwaarmogelijkheden, kunnen verzoekers in dit standpunt niet worden gevolgd. Niet kan worden gezegd dat verweerders op een zodanig laat moment hebben beslist dat verzoekers redelijkerwijs niet in staat zijn daartegen rechtsmiddelen aan te wenden, hetgeen wordt bevestigd in de omstandigheid dat tijdig bezwaar is gemaakt en een voorlopige voorziening is gevraagd, waarin nog vóór het te houden evenement uitspraak is gedaan.

Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat zowel de verleende vergunning als de ontheffing in strijd met de APV zijn verleend. De voorzieningenrechter onderschrijft dit standpunt niet en overweegt daartoe het volgende.

Uit het bij de aanvraag van 20 juni 2005 gevoegde “Plan van Aanpak

D-Dance Festival” heeft [belanghebbende] op uitvoerige wijze uiteengezet op welke wijze de verkeersafwikkeling (inclusief parkeren) zal plaatsvinden en welke maatregelen worden genomen ter voorkoming van overlast tijdens het festival zelf (entreecontrole, inzet veiligheidsmedewerkers). Voorts is aangegeven op welke wijze het terrein wordt ingericht, op welke wijze wordt voorzien in de basisvoorzieningen (sanitair, drinkwater) en welke maatregelen worden genomen in het kader van de geneeskundige hulpverlening. Tot slot is ingegaan op de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en is een calamiteitenplan opgesteld.

Gelet op het voorgaande kan naar voorlopig oordeel niet worden gezegd dat de organisatie van D-Dance in die zin tekort schiet, dat de optredende hinder niet binnen aanvaardbare grenzen zal worden gehouden, dan wel dat anderszins een ontoelaatbare inbreuk zal ontstaan op de openbare orde. Daarbij wordt opgemerkt dat de burgemeester aan de vergunning de nodige voorschriften heeft verbonden, teneinde een ordentelijk verloop van het evenement te waarborgen. Niet is gebleken dat de controle op de naleving van de voorschriften niet mogelijk zou zijn. Namens de burgemeester is ter zitting ook gesteld dat hij -indien nodig- handhavend zal optreden. Overigens merkt de voorzieningenrechter nog op dat ter zitting van de zijde van [belanghebbende] is gesteld dat ten behoeve van het parkeren gebruik zal worden gemaakt van enkele weilanden aan de [straatnaam], welke -in geval van slechte weersomstandigheden- zullen worden voorzien van (stelcon)platen. Gelet hierop en mede gezien de aanwezige reguliere parkeercapaciteit bij Dancing [X] is niet aannemelijk dat ten behoeve van het evenement in onvoldoende mate in parkeergelegenheid is voorzien. Voor zover het betreft de bereikbaarheid van het evenemententerrein wijst de voorzieningenrechter er op dat is gebleken dat, anders dan de burgemeester heeft verondersteld, de [straatnaam] tijdens de bouwvak (25 juli tot en met 19 augustus) tijdelijk zal zijn opengesteld, zodat bezoekers alsmede hulpdiensten ook van deze weg gebruik kunnen maken.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat de door de burgemeester verleende evenementenvergunning in bezwaar geen stand zal houden. Het hierop betrekking hebbende verzoek om voorlopige voorziening wordt dan ook afgewezen.

Voor zover het betreft de door het college verleende ontheffing als bedoeld in artikel 4.1.5. van de APV, merkt de voorzieningenrechter het volgende op.

Het college heeft -teneinde het woon- en leefklimaat in de directe omgeving van het evenemententerrein (enigszins) te beschermen- aan de verleende ontheffing het voorschrift verbonden dat de geluidssterkte van de geproduceerde mechanische muziek niet meer dan 80 dB(A) mag bedragen, te meten bij de dichtstbij gelegen woning. Ter zitting is in dit verband gesteld dat daarmee is bedoeld het equivalente geluidsniveau, gemeten op de gevel van de dichtstbij gelegen woning. Ter controle op de naleving van deze waarde zullen van gemeentewege geluidsmetingen worden verricht.

Naar voorlopig oordeel kan gelet op de gestelde grenswaarde niet worden gesproken van een zodanige geluidhinder dat het college de ontheffing in redelijkheid niet heeft kunnen verlenen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter tevens het feit betrokken dat verzoekers woning niet als de dichtstbij gelegen woning kan worden aangemerkt, zodat het door hen te ondervinden muzieklawaai, uitgedrukt in dB(A), beduidend lager zal zijn dan de door het college gestelde grenswaarde.

Aan het voorgaande doet niet af dat van 11 tot en met 19 augustus 2005 op het nabijgelegen [terrein] de Kindervakantieweek wordt gehouden. Weliswaar hanteert het college -zo blijkt uit de bij artikel 4.1.5. van de APV behorende toelichting- het vaste beleid dat geen ontheffing wordt verleend indien de periode tussen openluchtevenementen op hetzelfde terrein, dan wel een ander terrein binnen een straal van 400 meter, minder dan vier weken bedraagt, doch ter zitting heeft het college gesteld dat het [terrein] in dit kader (enkel) als verzamelterrein zal worden gebruikt en dat ten behoeve van de Kindervakantieweek geen ontheffing zal worden verleend. Van enige strijd met het door het college ter zake gevoerde beleid is naar voorlopig oordeel dan ook geen sprake.

Alles overziende ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het hiertoe strekkende verzoek wordt dan ook afgewezen.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, nu van het bestaan van deze kosten niet is gebleken.

Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. H.A.W. Snijders, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van Hoof, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2005.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Verzonden op: