Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU1315

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-06-2005
Datum publicatie
23-08-2005
Zaaknummer
121643
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht.

Partijen verschillen van mening over de vraag of eiser 1 en eiseres 2 aanspraak hebben op een uitkering op basis van de inboedelverzekering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 121643 / HA ZA 04-2380

Datum vonnis: 15 juni 2005

Vonnis

in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. E. Köse te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

RVS SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Ede,

gedaagde,

procureur mr. J.C.N.B. Kaal,

advocaat mr. D.J. van der Kolk te Rotterdam.

Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot het tussenvonnis van 23 februari 2005 wordt naar dat vonnis verwezen. Ter uitvoering van dit tussenvonnis is een comparitie van partijen gehouden. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1. [eiseres 2] heeft op 9 augustus 1993 een inboedelverzekering afgesloten bij RVS voor de woning aan de [adres].

2. Op de inboedelverzekering zijn van toepassing de voorwaarden inboedelverzekering extra uitgebreid met garantie, nr. 2930P. Artikel 18 hiervan luidt, voor zover van belang:

“Verval van rechten

Alle vorderingen die een verzekerde/ verzekeringnemer geldend wenst te maken vervallen (...)

b. zodra de verzekerde/ verzekeringnemer in geval van schade tegen beter weten in een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven

c. na 1 jaar te rekenen vanaf de dag dat de verzekerde/ verzekeringnemer kennis kreeg van het standpunt van de maatschappij terzake van die vordering. Dit standpunt kan bestaan uit afwijzing van de vordering of uit een (aanbod van) betaling bij wijze van finale afdoening.”

3. Op 2 november 2002 heeft [eiseres 2] aangifte gedaan van inbraak in haar woning en diefstal van (onder meer) identiteits- en waardepapieren, portemonnees, bankpassen, een jas, laarzen, telefoons en een babyfoon.

4. [eiseres 2] heeft op 29 oktober 2002 bij RVS een schadeclaim ingediend.

5. [betrokkene 1], schade-expert bij RVS, heeft de woning bezocht, met [eiseres 2] gesproken en op 7 november 2002 een schaderapport opgesteld.

6. Na het bezoek van deze schade-expert deed [eiseres 2] op 7 november 2002 een aanvullende aangifte van diefstal van sieraden, twee horloges een spaarpot en een videocamera.

7. RVS heeft vervolgens onderzoeksbureau Crito ingeschakeld om een nader onderzoek in te stellen. Bosman, onderzoeker van Crito, heeft daartoe de woning bezocht en met [eiseres 2], alsmede met haar buurman gesproken.

8. Bij brief van 17 juni 2003 aan [eiseres 2] heeft RVS kort verslag gedaan van de resultaten van het onderzoek door Crito. RVS heeft in die brief meegedeeld uitkering van de schade te weigeren en gewezen op de vervaltermijn van artikel 18 sub c van haar polisvoorwaarden. Ook in daarop volgende brieven van RVS van 18 december 2003 en 28 januari 2004 heeft RVS op die termijn gewezen.

9. Op 3 september 2004 heeft RVS aan de raadsman van [eiseres 2] geschreven:

“Het staat u uiterdaard vrij een dagvaarding uit te brengen.

Op basis van het complete dossier en meer in het bijzonder onze in de loop der tijd aan u gerichte brieven, zal inderdaad een beroep worden gedaan op de vervaltermijn, zoals genoemd in de polisvoorwaarden. Wij hebben verzekerde direct op de vervaltermijn gewezen [...]. Nadien hebben wij u nog meerdere keren op dit aspect geattendeerd. [...].”

10. RVS heeft de inboedelverzekering van [eiseres 2] geroyeerd.

11. Op 25 juli 2003 heeft Bosman namens RVS aangifte gedaan van poging tot oplichting door [eiseres 2].

12. Op 21 december 2004 heeft de raadsman van [eiseres 2] RVS gedagvaard.

Het geschil

13. In deze procedure vorderen Levent en [eiseres 2] dat de rechtbank artikel 18 c van de polisvoorwaarden vernietigt, bij gebreke van welke voorwaarden de rechtbank bepaalt dat de vervaltermijn eerst is gaan lopen op 3 september 2004. Voorts vorderen zij dat RVS wordt veroordeeld aan hen te betalen de som van € 6.243,50, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 oktober 2002, althans vanaf een in goede justitie nader te bepalen datum, in ieder geval vanaf de datum der dagvaarding tot aan de dag der voldoening. Zulks bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van RVS in de kosten van deze procedure.

14. [eiser 1] en [eiseres 2] stellen hiertoe dat RVS op grond van de verzekeringovereenkomst gehouden is de schade als gevolg van de inbraak te vergoeden.

15. RVS voert gemotiveerd verweer.

De beoordeling van het geschil

16. Partijen verschillen van mening over de vraag of [eiser 1] en [eiseres 2] aanspraak hebben op een uitkering op basis van de inboedelverzekering. Het meest verstrekkende verweer van RVS tegen deze vordering is haar beroep op de vervaltermijn van artikel 18 sub c van de polisvoorwaarden. Dit verweer zal dan ook als eerste worden besproken.

17. Uit de vaststaande feiten concludeert de rechtbank dat nu RVS bij brief van 17 juni 2003 haar afwijzende standpunt heeft geformuleerd terzake de vordering van [eiser 1] en [eiseres 2], waarbij zij uitdrukkelijk heeft gewezen op de clausule van artikel 18 sub c van de polisvoorwaarden en de raadsman van [eiser 1] en [eiseres 2] RVS eerst bij dagvaarding van 21 december 2004 in rechte heeft betrokken, het vorderingsrecht van [eiser 1] en [eiseres 2] ingevolge genoemd artikel 18 sub c in beginsel is komen te vervallen.

18. [eiser 1] en [eiseres 2] stellen evenwel dat artikel 18 sub c onredelijk bezwarend is en derhalve vernietigbaar. RVS heeft immers op de in art. 955 Wetboek van Koophandel genoemde termijn van 5 jaren waarna een vordering verjaart, ten onrechte een restrictie opgenomen.

19. De rechtbank overweegt hierover dat nu art. 955 WvK ziet op het tenietgaan van verbintenissen in de zeehandel, aan deze bepaling in deze geen werking toekomt. Op de door [eiser 1[eiser 1]eiseres 2] aangevoerde grond is artikel 18 sub c derhalve niet vernietigbaar.

20. [eiser 1] en [eiseres 2] hebben subsidiair aangevoerd dat art. 18 sub c in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en om die reden vernietigd moet worden. De rechtbank begrijpt dit verweer als een beroep de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:248 lid 2 BW. [eiser 1] en [eiseres 2] hebben daartoe gesteld dat in zaken met betrekking tot verzekeringsovereenkomsten, waarbij door de verzekeringsmaatschappij een claim wordt afgewezen en door de politie nog nader onderzoek wordt gedaan, waarbij de door de politie te vergaren informatie voor verzekeringnemer van belang kan zijn om zijn claim te bewijzen, een vervaltermijn van één jaar onredelijk kort is.

21. De rechtbank neemt, gelet op de verstrekkende gevolgen van de termijnclausule, als uitgangspunt dat de verzekeraar alleen een beroep op het vervalbeding kan doen indien de verzekerde tijdig is ingelicht dat er een beroep op de clausule zal worden gedaan, in geval de verzekerde de zaak niet binnen de in het beding genoemde termijn bij de rechter aanhangig maakt. Onbetwist staat vast dat RVS zowel [eiser 1] en [eiseres 2] als hun raadsman meermalen op genoemde vervaltermijn heeft gewezen. Aan dit uitgangspunt is derhalve voldaan.

22. Bij haar beoordeling acht de rechtbank voorts van belang dat de raadsman van [eiser 1] en [eiseres 2], zo is door hem ter comparitie onbetwist gesteld, op 16 juli 2003, derhalve een maand na de afwijzing door RVS, aan RVS heeft geschreven dat het hem opportuun leek het onderzoek van de politie af te wachten. RVS heeft daarop in haar correspondentie, onder meer in haar brief van 5 september 2003 een wat tweeslachtige houding aangenomen. Immers, zo heeft zij enerzijds in de brief van 5 september 2003 geschreven:

“[...] Eerst na ontvangst van uw volledig verweer zullen wij ons een mening vormen omtrent hetgeen u inbrengt en u onze reactie doen toekomen. Of uw argumenten aanleiding zijn tot nader onderzoek, of eventueel aanpassing van ons standpunt, zal moeten blijken”.

In diezelfde brief heeft zij anderzijds geschreven:

“Daarop vooruitlopend kan het niet zo zijn dat het door ons geformuleerde standpunt wordt herzien”.

23. In haar brief van 28 januari 2004 schrijft RVS voorts:

“Onder verwijzing naar onze brief d.d. 18 december 2003 bieden wij u hierbij een kopie van een bericht van schadeonderzoekbureau Crito te [woonplaats]. De inhoud spreekt voor zich.

Uit de inhoud van deze brief blijkt, dat Crito namens ons een actief beleid voert richting politie. Wij kunnen ons eveneens niet aan de indruk onttrekken dat van de kant van de politie geen actie is ondernomen. [...]”

24. Met de correspondentie tussen de raadsman van [eiser 1] en [eiseres 2] en RVS heeft RVS naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de inhoud van bovengenoemde brief van 5 september 2003, de indruk gewekt dat zij, ondanks de inhoud van haar eerdere brief van 17 juni 2003, haar standpunt nog nader wilde bepalen. Dat zij in haar correspondentie bijna steevast wijst op de vervaltermijn van art. 18 sub c doet daaraan, gelet op genoemde tweeslachtige houding, naar het oordeel van de rechtbank niet af.

25. Nu partijen kennelijk nog tot geruime tijd na de eerste afwijzende brief van 17 juni 2003 en in ieder geval nog op 28 januari 2004 in gezamenlijke afwachting waren van nadere informatie van de politie, aan de hand waarvan RVS haar standpunt nog nader wenste te bepalen, is de rechtbank van oordeel dat de vervaltermijn niet op 17 juni 2003 is gaan lopen. RVS komt thans dan ook geen beroep toe op haar vervaltermijn. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat dit niet leidt tot vernietigbaarheid, zodat het primair gevorderde zal worden afgewezen.

26. Thans is derhalve aan de orde hetgeen RVS subsidiair tegen de vordering van [eiser 1] en [eiseres 2] heeft aangevoerd.

27. RVS heeft betwist dat sprake is van een gedekt evenement. Daartoe heeft zij enerzijds de diefstal betwist en anderzijds aangevoerd dat [eiseres 2] tegen beter weten in een onjuiste opgave heeft gedaan in de zin van artikel 18 sub b van de polisvoorwaarden en dat op die grond haar vordering is komen te vervallen.

28. Met betrekking tot de betwisting van de diefstal heeft RVS aangevoerd dat er in het geheel geen sporen van braak zijn. Volgens [eiseres 2] was de deur evenwel afgesloten op het nachtslot en berusten er geen sleutels onder derden.

29. De rechtbank is van oordeel dat gezien de gemotiveerde betwisting door RVS, de aangifte van inbraak bij de politie onvoldoende is om de inbraak als vaststaand aan te nemen. Het bewijs van de diefstal berust in dit geval immers, bij gebreke van enig technisch aanknopingspunt, enkel op de verklaring van [eiseres 2]. Het is dan ook aan [eiser 1] en [eiseres 2] om feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit de diefstal kan worden afgeleid.

30. Gelet op het navolgende komt de rechtbank aan bewijslevering echter niet aan toe.

31. Met betrekking tot het verweer van RVS dat [eiseres 2] tegen beter weten in een onjuiste opgave heeft gedaan in de zin van artikel 18 sub b van de polisvoorwaarden baseert RVS zich op tegenstrijdigheden en onwaarschijnlijkheden in de verklaringen van [eiseres 2]. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

32. Van de gestelde inbraak zijn in het geheel geen sporen aangetroffen. [eiseres 2] heeft echter stellig verklaard tegenover zowel de politie, de schade-expert van RVS als de onderzoeker van Crito dat de deur was afgesloten met het nachtslot. Gelet op het soort slot betekent dit een vergrendeling met drie schoten. [eiseres 2] heeft verklaard dat zij op de ochtend van ontdekking van de inbraak de voordeur geopend aantrof. In haar aangifte heeft [eiseres 2] verklaard dat de dieven mogelijk door middel van flipperen zijn binnengekomen. De schade-expert van RVS heeft verklaard dat dit laatste onmogelijk is. Een nadere verklaring voor deze inbraak is gegeven noch gevonden.

33. [eiseres 2] heeft met betrekking tot de volgens haar gestolen goederen, met uitzondering van de hierna te noemen mobiele telefoon van het type Nokia 8550 geen aankoopbewijzen overgelegd. Van de Nokia 8550 bevindt zich een bewijsstuk bij de stukken. Echter, anders dan door [eiseres 2] opgegeven op de lijst van gestolen goederen (productie 7 bij dagvaarding) bedraagt de nieuwwaarde hiervan geen € 390,- maar € 173,30.

34. In de goederenbijlage bij haar eerste aangifte van 2 november 2002 komen geen sieraden (gestelde waarde ruim € 4.000,-) voor. Ook twee horloges, een spaarpot en Sony videocamera (gestelde aanschafprijs € 2.450,-) zijn hierin niet opgenomen. Tegenover schade-expert [betrokkene 1] heeft [eiseres 2] verklaard dat zij van deze goederen wel degelijk melding had gemaakt bij de politie, maar dat de politie kennelijk vergeten was die goederen op te nemen. Naar aanleiding van het gesprek met [betrokkene 1] heeft zij vervolgens op 7 november 2002 aanvullend aangifte gedaan. In de dagvaarding is evenwel opgenomen dat [eiseres 2] zowel de videocamera als de sieraden pas later is gaan missen, nu dit immers artikelen zijn die men niet iedere dag gebruikt dan wel draagt. Ter comparitie heeft zij daarentegen verklaard dat zij enkel de videocamera pas later is gaan missen.

35. Tegenover Crito heeft [eiseres 2] verklaard dat het aankoopbewijs van de in Duitsland aangeschafte videocamera zich zou bevinden bij haar neef in Duitsland. Ter comparitie verklaarde zij evenwel dat de bon tevens het garantiebewijs was, dat die bon in de tas bij de camera zat en dat deze bon dus met de camera was gestolen.

36. Tegenover Crito heeft zij verklaard dat de twee gestolen horloges in mei 2002 waren aangeschaft. Zij kon hiervan toen geen aankoopbewijzen overleggen. Ter comparitie heeft zij hierover verklaard dat zij de horloges één tot drie dagen voor de inbraak had aangeschaft bij V&D op het Zuidplein te Rotterdam. Voorts stelde zij dat ze aan Bosman van Crito zowel de doosjes als het aankoopbewijs had overhandigd.

37. [eiseres 2] heeft bij de politie in haar aanvullende verklaring en tegenover de schade-expert van RVS verklaard dat zij zelf de voordeur op het nachtslot had gedaan. Tegenover Crito heeft zij echter verklaard dat zij in detail heeft waargenomen op welke wijze haar man de voordeur afsloot, op het nachtslot deed, en de sleutel opborg in een jaszak aan de kapstok. Voorts heeft zij tegenover Crito verklaard dat zij, na het ontdekken van de inbraak, zelf met de GSM van haar man het alarmnummer van de politie heeft gebeld. Ter comparitie verklaarde zij evenwel dat zij zo in de war was, dat haar man en buurman de ochtend van ontdekking van de inbraak de politie belden.

38. Tegenover Crito heeft [eiseres 2] verklaard dat de autosleutels waren verdwenen en de auto was gestolen. Zij verklaarde dat de auto dezelfde dag door een onbekende zou zijn gezien, welke onbekende haar man hiervan op de hoogte zou hebben gesteld. Zij kon tegenover Crito niet vertellen wie die onbekende was. De auto is door [eiser 1] na een zoektocht, een paar straten verder, keurig afgesloten aangetroffen. De uit de jaszak van haar man gestolen sleutelbos, met daaraan ook de sleutel van de auto, lag volgens [eiseres 2] in de auto.

[eiseres 2] heeft Crito enkele weken na het bezoek geschreven dat de onbekende die de auto op de ochtend van de inbraak zou hebben zien rijden de buurman van [eiseres 2], [betrokkene 2], was. Daarover gehoord heeft [betrokkene 2] evenwel verklaard dat een andere bewoner uit de straat de auto had zien rijden. Ter comparitie hebben [eiser 1] en [eiseres 2] verklaard dat hun zoontje de gestolen auto die ochtend had zien rijden.

39. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [eiser 1] en [eiseres 2] zoals weergegeven in voorgaande rechtsoverwegingen veel tegenstrijdigheden en onwaarschijnlijkheden bevatten. Deze kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet uitsluitend verklaard worden door tijdsverloop, nu juist ten aanzien van verschillende onderdelen nog op de comparitie wordt verklaard tot in klein detail. Bovengenoemde tegenstrijdigheden en onwaarschijnlijkheden zijn zodanig, dat de rechtbank de overtuiging heeft dat [eiser 1] en [eiseres 2] tegen beter weten in een onjuiste voorstelling van zaken hebben gegeven. Nu zich overigens geen bijzondere omstandigheden voordoen, komt de rechtbank, gelet op het geheel van voornoemde feiten en omstandigheden, tot de slotsom dat het recht op schadevergoeding geheel is vervallen.

40. De vorderingen zullen worden afgewezen met veroordeling van [eiser 1] en [eiseres 2] in de kosten van dit geding.

De beslissing

De rechtbank:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser 1] en [eiseres 2] in de kosten van deze procedure; deze kosten worden, voor zover tot op heden aan de zijde van RVS gevallen, bepaald op € 1.056,- (€ 288,- wegens verschotten en € 768,- wegens salaris procureur);

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M.Th. Quaadvliet en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2005.

de griffier de rechter