Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU1305

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-06-2005
Datum publicatie
23-08-2005
Zaaknummer
2147
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 2147 / HA ZA 94-250

Datum vonnis: 15 juni 2005

Vonnis

in de zaak van

[eiser],

overleden op 5 mei 1999,

voorheen handelende onder de naam Drukkerij [eiser],

voorheen wonende te [woonplaats],

eiser in conventie in de hoofdzaak,

verweerder in reconventie in de hoofdzaak,

procureur voorheen mr. J.M. Bosnak,

thans wegens diens onttrekking zonder procureur,

advocaat mr. J.G. Schoorel-Eggink te Utrecht,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie in de hoofdzaak,

eiser in reconventie in de hoofdzaak,

procureur en advocaat mr. A.F. van Dam te Arnhem

en in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in het incident tot hervatting van de procedure in de hoofdzaak,

procureur en advocaat mr. A.F. van Dam te Arnhem

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

procureur mr. P.C. Plochg,

advocaat mr. W.H.A. Buiting te Doetinchem,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

procureur voorheen mr. W.D. Huizinga,

advocaat mr. L.Th.B. Grob te Doetinchem,

verweerders in het incident tot hervatting van de procedure in de hoofdzaak.

De partijen in de hoofdzaak zullen hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ worden genoemd. De partijen in het incident zullen ‘[gedaagde]’, ‘[gedaagde 1]’ (verweerster sub 1) respectievelijk ‘[gedaagde 2]’ (verweerder sub 2) worden genoemd.

Het verloop van de procedure in de hoofdzaak en in het incident

Het verloop van de procedures blijkt uit de volgende processtukken:

- het tussenvonnis van 23 april 1998,

- het proces-verbaal van het aan de zijde van [gedaagde] gehouden getuigenverhoor op 28 oktober 1998,

- het proces-verbaal van de voortzetting van dit getuigenverhoor op 4 november 1998,

- een akteverzoek van de zijde van [gedaagde] van 3 oktober 2002,

- een akteverzoek van de zijde van [gedaagde 1] van

8 december 2004,

- een akteverzoek van de zijde van [gedaagde 2] van

2 februari 2005,

- een akteverzoek van de zijde van [gedaagde] van 2 maart 2005,

- een akteverzoek van de zijde van [gedaagde 1] van

20 april 2005 en

- een akteverzoek van de zijde van [gedaagde] van 3 mei 2005,

en voorts uit de correspondentie tussen de griffie van de rechtbank en de procureurs van de partijen alsmede de ter griffie ontvangen ‘B-formulieren’.

Ten slotte is vonnis bepaald.

Het geschil in het incident, de beoordeling daarvan en de (verdere) beoordeling van het geschil in de hoofdzaak

Uit voormelde (proces-)stukken en correspondentie blijkt, onder meer, het volgende:

- [eiser] is op 5 mei 1999 is overleden. Op dat moment stond de zaak voor (dagbepaling van) de getuigenverhoren in de contra-enquête in de reconventie, aan de zijde van [eiser].

- Op de rolzitting van 5 augustus 1999 is de procedure geschorst wegens de toelating van [gedaagde] tot de schuldsaneringsregeling in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen.

- De schuldsanering van [gedaagde] is geëindigd op 2 augustus 2002.

- De zaak is op de rol van 5 september 2002 geplaatst voor uitlating voortproceduren door de (eventuele opvolgers van de) partijen.

- Op verzoek van ‘de gezamenlijke erfgenamen van [eiser]’ is bij deurwaardersexploot van 21 oktober 2002 aan [gedaagde] de aanzegging van de schorsing wegens het overlijden van [eiser] gedaan (art. 256 (oud) Rv), waarop de zaak opnieuw is geschorst.

- [gedaagde] heeft ter rolle van 20 oktober 2004 verzocht om voortzetting van de procedure en om aanhouding voor het uitbrengen van een hervattingsexploot.

- [gedaagde] heeft [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij deurwaardersexploot van 2 november 2004 aangezegd dat het tussen hem en [eiser] aanhangige geding op 10 november 2004 zal worden hervat in de stand waarin het zich bij de schorsing bevond.

- [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn beiden bij (afzonderlijke) procureur verschenen tegen de aangezegde datum.

Naar aanleiding van de eis c.q. oproeping tot hervatting van het geding hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwist zijn erfgenaam te zijn. Zij menen dat zij daarom niet als zodanig in rechte kunnen worden betrokken. Alvorens te beslissen op de vraag of de beoordeling van het geschil in de hoofdzaak kan worden voortgezet zal in ieder geval eerst op dit incidentele geschil moeten worden beslist.

[gedaagde 1] heeft, onder overlegging van de door de griffie van de rechtbank te Zutphen op 4 februari 2002 opgemaakte ‘Akte nalatenschap’, aangevoerd dat zij de nalatenschap van [eiser] heeft verworpen, dat zij op grond van art. 4:1104 (oud) BW in verband met de terugwerkende kracht van de verwerping geacht moet zijn nooit erfgenaam te zijn geweest en dat zij dus ook niet in die hoedanigheid kan worden aangesproken.

[gedaagde 2] heeft aangevoerd dat hij met [eiser] geen contact meer had, dat hij de erfenis niet heeft aanvaard aangezien hij daarover ook nog niets heeft vernomen en dat er volgens hem sprake was van een ‘langstlevende-testament’ op grond waarvan zijn moeder als erfgenaam moet worden aangemerkt. [gedaagde 2] meent op grond van dit alles dat hij geen erfgenaam is en dus niet kan worden aangesproken.

[gedaagde] heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat door [gedaagde 1] verrichte daden van aanvaarding aan een latere rechtsgeldige verwerping van de nalatenschap in de weg staan. Hij stelt dat [gedaagde 1] direct na het overlijden van [eiser] diens drukkerij heeft overgenomen en geëxploiteerd en dat zij pas in het zicht van de opheffing van de onderneming wegens financiële moeilijkheden in september 2002 de akte nalatenschap heeft laten opmaken. [gedaagde 1] heeft in reactie hierop aangevoerd dat zij na het overlijden van haar vader slechts in loondienst werkzaam is geweest in de drukkerij en dat de onderneming toen was overgegaan op de langstlevende echtgenote van [eiser], mevrouw [betrokkene 1]. Tot aan de beëindiging van de onderneming is die voor rekening en risico van laatstgenoemde gedreven, zodat van daden van aanvaarding geen sprake is, aldus [gedaagde 1].

Met betrekking tot de stellingen van [gedaagde 2] heeft [gedaagde], samengevat, aangevoerd dat indien deze niets over de nalatenschap heeft gehoord daarmee nog niet is gegeven dat deze de nalatenschap heeft verworpen en dat het bestaan van een langstlevende-testament (hetgeen [gedaagde] overigens betwist) nog niet maakt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen erfgenaam zijn.

Op 1 januari 2003 is het nieuwe erfrecht, neergelegd in Boek 4 van het BW, in werking getreden. Op grond van art. 68a Ow NBW heeft het nieuwe recht, behoudens enkele in de Ow NBW geregelde uitzonderingen, onmiddellijke werking. De vraag of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als erfgenamen van [eiser] moeten worden aangemerkt moet dan ook in beginsel worden beantwoord op grond van het nieuwe erfrecht. Het ligt in de rede hierop een uitzondering te maken waar het betreft de beoordeling van de beweerde daden van aanvaarding en de verwerping van de nalatenschap door [gedaagde 1], aangezien deze (beweerde) gedragingen dateren van vóór 1 januari 2003. Overigens wordt opgemerkt dat dit voor de beoordeling van deze geschilpunten op zichzelf geen verschil maakt, aangezien het thans geldende erfrecht op de hier relevante onderdelen inhoudelijk niet of nauwelijks afwijkt van het voordien geldende erfrecht.

Uitgangspunt is thans dat met het overlijden van de erflater zijn erfgenamen van rechtswege schuldenaar worden van de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan (art. 4:182 lid 2 BW). Ook van belang is het overgangsrechtelijke art. 135 Ow NBW, dat (onder meer) bepaalt dat bij het in werking treden van de wet de erfgenamen van een voordien overleden erflater van rechtswege schuldenaar worden van de niet door de door van de erflater tenietgegane schulden, een en ander voor zover dat rechtsgevolg niet reeds eerder was ingetreden. Deze situatie doet zich, gelet op het overlijden van [eiser] op 5 mei 1999, derhalve vóór de inwerkingtreding van de wet, voor. Verder geldt dat schuldeisers van de nalatenschap hun vorderingen op de goederen van de nalatenschap kunnen verhalen, maar dat een erfgenaam slechts in bepaalde gevallen verplicht is deze ten laste van zijn overig vermogen te voldoen, zoals in geval van zuivere aanvaarding (art. 4:184 leden 1 en 2 onder a BW). Art. 4:190 BW bepaalt, dat een erfgenaam een nalatenschap kan aanvaarden (al dan niet beneficiair) of verwerpen en dat de gemaakte keuze definitief is en terugwerkt tot het moment van het openvallen van de nalatenschap. Tot slot is nog van belang art. 4:192 lid 1 BW, waarin is bepaald dat een erfgenaam die zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt, daardoor de nalatenschap zuiver aanvaardt, tenzij hij zijn keuze reeds eerder heeft gedaan. Het oude erfrecht kent met de artikelen 1090 e.v. (oud) BW een regeling voor aanvaarding en verwerping van nalatenschappen die vergelijkbaar is met die van de artikelen 4:190 en 4:192 BW.

Op grond van de stellingen van de partijen over en weer staat thans niet vast hoe de gedragingen van [gedaagde 1] voorafgaand aan de verwerping moeten worden gekwalificeerd. Indien en voor zover komt vast te staan dat [gedaagde 1] voorafgaand aan de verwerping bij ‘Akte nalatenschap’ van 4 februari 2002 ‘daden van aanvaarding’ heeft verricht als bedoeld in art. 1094 (oud) BW, dan moeten die worden beschouwd als uitingen van een eerdere keuze voor zuivere aanvaarding. Deze keuze kan door de latere verwerping niet meer ongedaan gemaakt worden, zodat zij in dat geval erfgenaam is (gebleven). Indien en voor zover komt vast te staan dat [gedaagde 1] dergelijke ‘daden’ niet heeft verricht, dan moet zij door de verwerping met terugwerkende kracht tot aan het overlijden van [eiser] worden geacht nooit erfgenaam te zijn geweest (art. 1104 (oud) BW). De omstandigheid dat [gedaagde 1] op de oproeping tot hervatting van [gedaagde] heeft gereageerd door middel van procureurstelling en het voeren van verweer maakt niet, anders dan [gedaagde] meent, dat zij zich op voornoemde grond niet meer aan de procedure kan onttrekken. Tegenspraak tegen de eis tot hervatting is mogelijk.

Dit laatste geldt ook voor [gedaagde 2] Voorshands moet het er wat hem betreft voor worden gehouden dat hij (nog) geen keuze uit de drie mogelijkheden van art. 4:192 BW heeft gemaakt. Het niet hebben gemaakt van enige keuze leidt niet tot het verliezen van de status van erfgenaam. De omstandigheid (indien juist, hetgeen door [gedaagde] is weersproken) dat een langstlevende-testament ten gunste van de echtgenote van [eiser] is opgemaakt evenmin. Dit laatste ziet op de wijze van verdeling van de nalatenschap onder de erfgenamen en niet op het (al dan niet) zijn van erfgenaam.

In het voorgaande wordt aanleiding gezien een comparitie van partijen te gelasten, teneinde nadere inlichtingen te verkrijgen met betrekking tot de positie van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als eventuele erfgenamen. Aan hen en aan [gedaagde] wordt verzocht ten behoeve van de comparitie (indien voorhanden) relevante stukken over te leggen ter staving van de stellingen die zij daaromtrent hebben aangevoerd. Deze dienen zij twee weken voor de comparitie in kopie aan de rechtbank en aan de wederpartij toe te zenden.

Overigens wordt geconstateerd dat de schorsing van de hoofdzaak door ‘de gezamenlijke erfgenamen’ van [eiser] is bewerkstelligd, waartoe – zo begrijpt de rechtbank – niet alleen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] behoren, maar ook de echtgenote van wijlen [eiser], mevrouw [betrokkene 1]. Nu namens [gedaagde] echter alleen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn opgeroepen tot hervatting van de procedure rijst (onder andere) de vraag of, indien in het incident komt vast te staan dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet als erfgenaam van [eiser] zijn te beschouwen, de schorsing van de procedure in de hoofdzaak ten einde is dan wel moet worden geoordeeld dat deze voortduurt op grond van de mede door mevrouw [betrokkene 1] ingeroepen schorsing. Omgekeerd rijst de vraag of, indien in het incident komt vast te staan dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wel als erfgenaam zijn te beschouwen, de hoofdzaak tegen uitsluitend [gedaagde 1] en [gedaagde 2] kan worden hervat. Ter comparitie zullen de partijen zich hierover dienen uit te laten en van [gedaagde] kan worden verwacht dat hij kan aangeven waarom hij de derde erfgenaam, mevrouw [betrokkene 1], niet eveneens tot hervatting heeft opgeroepen.

Iedere (verdere) beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank

in het incident:

beveelt een verschijning van de partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. R.A. van der Pol in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 juni 2005 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de donderdagen in de maanden juli tot en met september 2005, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken,

bepaalt dat de partijen dan in persoon aanwezig zullen zijn,

verzoekt de tijdige toezending van de onder 2.11 bedoelde stukken,

in het incident en in de hoofdzaak:

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. van der Pol en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2005.

De griffier: De rechter: