Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU1297

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-06-2005
Datum publicatie
23-08-2005
Zaaknummer
105495
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ondubbelzinnige bezitsuitoefening van een strook grond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 105495 / HA ZA 03-1799

Datum vonnis: 15 juni 2005

Vonnis

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE RENKUM,

zetelend te Oosterbeek, gemeente Renkum,

eiseres,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. E.H.M. Harbers,

beiden te Arnhem,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2] B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te 's-Gravenhage,

2. [gedaagde 2],

wonende te Doorwerth, gemeente Renkum,

gedaagden,

procureur mr. J.S. Wurfbain,

advocaat mr. J.P.J. Botterblom,

beiden te Barneveld.

Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar het vonnis van 11 augustus 2004. Ter uitvoering van dit vonnis zijn getuigen gehoord. De processen-verbaal daarvan bevinden zich bij de stukken. Daarna heeft ieder van de partijen een conclusie na enquête genomen. Daarbij heeft de Gemeente een productie overgelegd. Vervolgens is vonnis bepaald.

De verdere beoordeling van het geschil

1. Gebleven wordt bij hetgeen in het tussenvonnis van 11 augustus 2004 is overwogen en beslist.

2. [gedaagde] c.s. waren daarin toegelaten te bewijzen dat de betwiste strook grond door middel van verjaring ex artikel 3:105 BW door hen is verkregen. Naar aanleiding daarvan hebben [gedaagde] c.s. drie getuigen doen horen, [gedaagde 2], directeur van [gedaagde] B.V., [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. De Gemeente heeft afgezien van het horen van getuigen.

3. De verklaring die [ged[gedaagde] als getuige heeft afgelegd is onderhevig aan de beperking van artikel 164 Rv. Dat betekent dat zijn verklaring slechts bewijs in het voordeel van [gedaagde] c.s. kan opleveren indien er aanvullende bewijzen zijn die zodanig sterk en zodanig essentiële punten betreffen dat deze de partijverklaring voldoende geloofwaardig maken.

4. De getuigen hebben achtereenvolgens, voor zover van belang, verklaard:

[gedaagde]

“[gedaagde] B.V. heeft het huis in 1991 gekocht van de erfgenamen van een mevrouw die enige tijd daarvoor was overleden (...). Achter mijn woning, aan de zijde van de [adres], ligt een terras van ongeveer 25 m². Vanaf dit terras tot aan de stoep die langs de [adres] loopt was alles helemaal begroeid. Langs de stoeprand van de [adres] stond gedeeltelijk een rij coniferen en gedeeltelijk een rij laurierstruiken. Achter die haag stonden tot aan het terras weer allerlei andere soorten struiken, met name heel veel coniferen. Die struiken heb ik in de loop der jaren geleidelijk aan weggehaald. Verder heb ik achter de laurierhaag omstreeks 1993 een veldesdoornhaag geplant. Toen deze eenmaal op hoogte was heb ik de laurierstruiken geleidelijk aan weggehaald. De laatste heb ik in 1999 weggehaald. Ik laat u hierbij twee foto’s zien van de huidige situatie. Ik hoor u zeggen dat u deze in kopie als bijlage 1 aan het proces-verbaal zult hechten. De coniferen aan de rechterzijde op de foto zijn dezelfde als die ik in 1991 aantrof. Deze heb ik alleen maar gesnoeid en getopt. (...). Ik hou die coniferen op een hoogte van ongeveer 2.50 meter, zodat ik de flat die aan de overkant ligt niet meer zie vanuit mijn tuin. De veldesdoorns hou ik op een hoogte van ongeveer 1.80 meter, zodat de mensen die over de stoep lopen niet in mijn tuin kunnen kijken. Toen ik het huis kocht in 1991, hadden de coniferen en de laurierhaag ongeveer dezelfde hoogte als nu, ongeveer 2.50 m”.

[betrokkene 1]:

“Ik woon sinds januari 1979 op het adres [adres]. Ik was de eerste bewoner van dat huis. Op nummer [adres] woonde toen mevrouw [betrokkene 2] (...). Ook mevrouw [betrokkene 2] is daar in die tijd als eerste bewoner komen wonen (...). Omstreeks 1979/1980 zijn door de gemeente in de wijk afrasteringspalen geplaatst met daartussen draad. In ons deel van de wijk werden de stoepranden gevolgd (...). Langs de [adres] stond de door de gemeente aangebrachte afrastering dus ook langs de stoep. Ik kan mij herinneren dat het perceel van mevrouw [betrokkene 2] begroeid was. Ik neem aan dat zij, vanwege de flat aan de overkant, haar tuin zo snel mogelijk dicht wilde hebben. Zij zal dan ook ongetwijfeld vrij snel nadat zij daar is komen wonen de beplanting hebben aangeplant. Ik kan u daarbij echter geen datum noemen”.

[betrokkene 2]:

“Ik woon sinds november 1980 op het adres Sweelincklaan 18 in Doorwerth. Ik ben de directe buurman van [gedaagde]. [gedaagde] zal er nu zo’n tien jaar wonen. Daarvoor woonde mevrouw [betrokkene 2] in deze woning. Toen ik daar in 1980 kwam wonen woonde zij daar denk ik al ongeveer een jaar. De tuin bij haar woning was toen al aangelegd. De in geding zijnde strook grond langs de [adres] was toen al beplant en behoorde blijkbaar tot haar tuin. De strook was beplant tot aan de omheining bestaande uit paaltjes met daartussen ijzerdraad, die daar in het verleden ooit door de gemeente was neergezet. (...). Ter plaatse staan zij op de rand van het trottoir dat langs de [adres] loopt. De beplanting op de door [betrokkene 2] in gebruik genomen strook grond bestond uit een grote variatie van heesters en coniferen. Aan de zijde van de woning waren meer laagblijvende soorten geplant en langs de [adres] stonden de soorten die hoger werden. De beplanting was zodanig dat niemand het in zijn hoofd haalde om zomaar vanaf de [adres] de tuin van mevrouw [betrokkene 2] in te lopen. Ik wil er nog op wijzen dat de [adres] ongeveer een halve à één meter hoger ligt dan de tuin bij de [adres]. Vanuit die woning gezien loopt er dus een talud in de richting van de [adres] en hoefde er maar weinig aangeplant te worden om de tuin dicht te krijgen. Toen ik daar kwam wonen was de begroeiing nog niet helemaal dicht. Ik denk dat hij er toen maximaal een jaar stond. Ik weet dat de begroeiing na een paar jaar helemaal dicht was. Langs de [adres] was deze op bepaalde delen zo dicht dat het veel weg had van een heg”.

5. Op grond van de getuigenverklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] kan worden aangenomen dat de rechtsvoorgangster van [gedaagde] c.s., mevrouw [betrokkene 2], het omstreden perceelsgedeelte vanaf het moment dat zij daar is komen wonen of kort daarna duurzaam in gebruik heeft gehad door daarop beplanting aan te brengen en tegen de door de gemeente geplaatste afrasteringspalen met draad langs stoeprand van [adres] een haag van coniferen en laurierstruiken te planten, zoals die later in 1991 door [gedaagde] werd aangetroffen en zoals die nog deels, wat betreft de coniferenhaag, op de door [gedaagde] overgelegde foto’s is te zien. Uit de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] kan verder worden afgeleid dat [betrokkene 2] deze beplanting omstreeks 1979/1980 moet hebben geplaatst. Omdat, zo volgt uit de op dat punt onweersproken getuigenverklaring van [betrokkene 2], de coniferen- en laurierhaag op een soort talud was geplant en daarvóór, gezien vanaf de [adres], ook nog afrasteringspalen van 60-80 cm hoog met daartussen draad waren geplaatst, moet worden aangenomen dat vanaf dat moment de achter die afrastering en haag (lager) gelegen groenstrook/tuin nog slechts voor de bewoners van [adres] toegankelijk was. Ook moet worden aangenomen dat de groenstrook vanaf 1979/1980 uitsluitend door [betrokkene 2] en vanaf 1991 uitsluitend door [gedaagde] is onderhouden. Uit de getuigenverklaring van [betrokkene 1] volgt dat de Gemeente zich daarom niet (meer) heeft bekommerd. Hij heeft daarover verklaard dat de Gemeente “haar grond” in mei/juni 1979 heeft beplant, dat deze beplanting is doodgegaan en dat hij sedert het begin van de jaren tachtig nooit meer heeft gezien dat de Gemeente structureel onderhoud aan de grond heeft gepleegd, terwijl [gedaagde] onweersproken heeft verklaard dat hij de groenstrook vanaf 1991 verder heeft onderhouden en daarop de nodige veranderingen heeft aangebracht. Dat alles is een vorm van openbare ondubbelzinnige bezitsuitoefening van de in geschil zijnde strook grond door [gedaagde] c.s. en hun rechtsvoorgangster, [betrokkene 2], die kan leiden tot verkrijgende verjaring.

6. Zoals in het tussenvonnis van 11 augustus 2004 is overwogen, gaat het erom of er vóór de brief van de Gemeente van 5 maart 2003 al meer dan 20 jaar sprake is geweest van een ondubbelzinnige inbezitneming.

7. De Gemeente heeft, onder verwijzing naar een brief die op 24 maart 1981 aan [betrokkene 2] is gestuurd, gesteld dat het voor haar in die tijd niet zichtbaar was dat [betrokkene 2] het perceel daadwerkelijk voor zichzelf in gebruik had genomen, zodat er geen sprake was van een ondubbelzinnige inbezitneming. De Gemeente leidt dit af uit het feit dat [betrokkene 2] toen alleen maar is meegedeeld dat het bosgebied bij haar woning opgeschoond zou worden en dat “voorzieningen die verscheidene bewoners buiten hun eigendomsgrens [hadden] aangebracht zoals hekwerken, beplantingen , houtwallen, verhardingen e.d.” door de Gemeente zouden worden verwijderd, terwijl de mensen die dit betrof toen ook nog zijn aangeschreven tot verwijdering van deze voorziening.

8. Deze brief biedt onvoldoende grond om te twijfelen aan de hiervoor weergegeven verklaringen dat de haag en de overige struiken in of omstreeks 1979/1980 zijn geplant en daar sedertdien, zij het met de door [gedaagde] aangebrachte wijzigingen, zijn blijven staan en door [betrokkene 2]/[gedaagde] zijn onderhouden. Niet valt uit te sluiten dat het de Gemeente in 1981 is ontgaan dat de door [betrokkene 2] ingeplante coniferen- en laurierhaag en de overige door haar geplante struiken op haar grond stonden. De getuige [betrokkene 1] heeft nog wel verklaard dat kort na juni 1981 de Gemeente tijdens een onderhoudsbeurt nieuwe beplanting in de wijk heeft omgezaagd, maar gesteld noch gebleken is dat dat ook met de door [betrokkene 2] geplante haag is gebeurd. Nu evenmin is gesteld of gebleken dat de verjaring na 1983 is geschorst of gestuit, is de conclusie dat [gedaagde] c.s. erin zijn geslaagd te bewijzen dat zij door verjaring eigenaar zijn geworden van de in geding zijnde grond. De vordering van de Gemeente stuit daarop af.

9. Als de in het ongelijk gestelde partij zal de Gemeente in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

10. De rechter die de getuigen heeft gehoord was wegens omstandigheden niet in staat aan de totstandkoming van dit vonnis mee te werken.

De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen van de Gemeente af,

veroordeelt de Gemeente in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] c.s. begroot op € 205,-- wegens vast recht en op € 2.034,-- voor salaris van de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Driel van Wageningen en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2005.

De griffier: De rechter: