Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU1237

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-06-2005
Datum publicatie
22-08-2005
Zaaknummer
117329 / HA ZA 04-1589
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nakomingsovereenkomst; De rechtbank stelt voorop dat de ook voor partijen geldende contractsvrijheid meebrengt dat zij vrij zijn overeen te komen wat zij willen, uiteraard begrensd door de openbare orde, goede zeden en dergelijke. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de bewuste passage over het aantal trainingsdagen duidelijk en eenduidig is, brengt dit mee dat het resultaat dat eiseres meer verdient dan de hiervoor genoemde (minimaal) overeengekomen contractswaarde, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Als gedaagde iets anders had gewild - zoals zij stelt - dan had zij niet akkoord moeten gaan met de passage zoals deze thans tussen partijen geldt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ARNHEM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 117326 / HA ZA 04-1589

Datum vonnis: 15 juni 2005

Vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres]

gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. G.M. Hermanides te [woonplaats]

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde].,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. H. van Ravenhorst,

advocaat mr. K. van Arkel te Middelburg.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 december 2004;

- het proces-verbaal van comparitie van 11 april 2005.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

[eiseres] is een onderneming die is gespecialiseerd in het verzorgen en geven van trainingen onder de naam [eiseres]

[eiseres] en [gedaagde] (later [gedaagde]) hebben in 2000 een overeenkomst gesloten onder meer inhoudende dat [eiseres] in de jaren 2001, 2002 en 2003 trainingsdagen zal verzorgen voor [gedaagde]. [eiseres] heeft de tussen partijen gemaakte afspraken aan [gedaagde] bevestigd in de brief van 23 augustus 2000. [gedaagde] heeft deze brief op 15 september 2000 voor akkoord ondertekend.

In de brief van 23 augustus 2000 zijn onder meer de volgende afspraken opgenomen.

[eiseres] zal in de jaren 2001, 2002 en 2003 minimaal 62 trainingsdagen per jaar verzorgen voor [gedaagde]

In het laatste kwartaal van ieder jaar, zal [eiseres] in overleg met u een schema opstellen met trainingsdagen, die voor het daarop volgende kalenderjaar van toepassing zijn.

Indien een training geen doorgang kan vinden, heeft [gedaagde] het recht deze training zonder kosten te annuleren, mits dit 30 dagen voor de geplande training is.

Een geplande training, die door [gedaagde] wordt geannuleerd, dient op een later tijdstip, doch in ieder geval binnen drie maanden na de annulering, te worden ingehaald.

Indien een training door [gedaagde] binnen 30 dagen voor aanvang wordt geannuleerd zullen de volledige kosten wel in rekening worden gebracht.

Deze overeenkomst zal tevens gelden voor elke mogelijke nieuwe tenaamstelling van [gedaagde], hetzij [gedaagde], hetzij welke tenaamstelling dan ook.

Als tarief voor onze diensten zullen wij hetzelfde tarief blijven hanteren, als wij de laatste twee jaar reeds hebben gehanteerd, te weten:

Per dag (morgen en middag), per groep, “in-company” training NLG 5.200,-.

Het tarief blijft gelijk gedurende de jaren 2001, 2002 en 2003.

Als betalingsvoorwaarde hanteren wij de volgende uitgangspunten. Per kwartaal zal in de eerste week van het betreffende kwartaal één factuur worden gestuurd voor de geplande trainingsdagen voor dat kwartaal. Aan het eind van ieder kwartaal zal de verrekening plaatsvinden van het daadwerkelijk aantal getrainde dagen en de kilometervergoedingen. De betalingstermijn van de facturen is veertien dagen na de datum van de factuur.

Op deze overeenkomsten zijn de algemene voorwaarden van [eiseres] BV van toepassing, d.d. 25 maart 1992 gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te [woonplaats] onder nummer 2409/92. Een exemplaar hiervan is op de achterzijde van het voorblad afgedrukt.

Artikel 9 sub b van de in 2.3 genoemde algemene voorwaarden met als opschrift ‘Annulering door opdrachtgever’ luidt als volgt:

b. Indien door opdrachtgever de uitvoering van enige overeengekomen bedrijfscursus voor de overeengekomen aanvangsdatum wordt geannuleerd is de opdrachtgever het volledige honorarium verschuldigd, onverminderd hetgeen bepaald hieronder 9 sub e. [eiseres] stelt de opdrachtgever echter in de gelegenheid in onderling overleg alsnog een nieuwe datum binnen 3 maanden na de oorspronkelijk geplande datum te bepalen voor het afnemen van de betreffende cursus en/of training en/of andere dienst waarna [eiseres] niet meer tot levering kan worden verplicht, alsmede bij gebreke waarvan opdrachtgever evenmin recht kan doen gelden op terugbetaling van het voor de betreffende bedrijfscursus verschuldigde honorarium.

Volgens artikel 1 van de in 2.3 bedoelde algemene voorwaarden moet onder bedrijfscursus worden verstaan een cursus of training die voor medewerkers van één opdrachtgever wordt geboekt.

[gedaagde] heeft in 2001 90, in 2002 83 trainingsdagen afgenomen voor een totaalbedrag van € 408.280,- exclusief BTW.

In 2003 komt [gedaagde] in financieel onzekere omstandigheden te verkeren.

Voor 2003 worden aanvankelijk 58 dagen ingepland. [gedaagde] heeft vervolgens zes dagen niet afgenomen en tien dagen geannuleerd.

[eiseres] heeft [gedaagde] in de brief van 19 juni 2003 het volgende bericht:

“Ten aanzien van de dagen die wij voor [gedaagde] voor 2003 hadden gepland, willen wij u langs deze weg alsnog het volgende meedelen. Wij hebben op 23 augustus 2000 een overeenkomst afgesloten voor minimaal 62 trainingsdagen per jaar voor de jaren 2001, 2002 en 2003. In 2001 (90 dagen) en in 2002 (83 dagen) is dit ruim gehaald. Nu hebben wij uiteraard begrip voor de situatie waarin [gedaagde] verkeert (de organisatieveranderingen en de markt). Dit is de reden waarom wij ook niet hebben gereageerd toen er voor 2003 “slechts” 58 dagen werden gepland. Maar nadat wij inmiddels 6 dagen hebben verplaatst en er 10 dagen zijn geannuleerd hadden wij graag met u willen bespreken hoe deze dagen zullen worden ingehaald. Conform de overeenkomst zou dat binnen 3 maanden na de annulering moeten plaatsvinden. Nu is deze termijn voor ons niet heilig. Verplaatsen naar een later stadium is wat ons betreft ook geen probleem. Maar met dat onze afspraak nu naar eind augustus is verplaatst willen wij u dit punt alvast onder de aandacht brengen.”

[gedaagde] heeft [eiseres] in haar brief van 3 november 2003 laten weten dat zij heeft besloten de overeenkomst niet voort te zetten, zodat de overeenkomst eindigt na ommekomst van de overeengekomen termijn en wel op 31 december 2003.

[eiseres] heeft [gedaagde] in januari 2004 een factuur gezonden ten bedrage van € 37.760,-, te weten de vergoeding voor 16 trainingsdagen.

Op 2 maart 2004 heeft vervolgens een gesprek tussen partijen plaatsgevonden. [eiseres] heeft het gesprek aan [gedaagde] bevestigd in haar brief van 4 maart 2004. [eiseres] bevestigt in de brief dat partijen een nieuwe plannning hebben gemaakt voor de nog openstaande trainingsdagen en dat is afgesproken dat een creditfactuur voor de eerder verzonden factuur zal worden verzonden. Voorts is in de brief opgenomen dat partijen hebben afgesproken dat de nu geplande dagen opnieuw in rekening zullen worden gebracht. Bij de brief is de factuur gevoegd voor 16 trainingsdagen ten bedrage van € 37.760,- exclusief BTW.

Op 31 maart, 1, 15 en 16 april 2004 geeft [eiseres] trainingsdagen, die door [gedaagde] worden afgenomen.

[gedaagde] vraagt [eiseres] in haar brief van 1 april 2004 de resterende trainingsdagen na 16 april 2004 “kwijt te schelden”. In de brief is voorts onder meer te lezen:

“Gezien het continue verloop, dat eerst voor een deel gestopt moet worden, alsmede de genoemde herorientatieperiode wil ik niet eerder dan het 4e kwartaal van dit jaar met [eiseres] in gesprek gaan over een eventueel nieuw in te zetten traject.”

[eiseres] heeft [gedaagde] laten weten dat zij bereid is de resterende trainingsdagen te laten annuleren en te laten verschuiven naar nog nader in te vullen trainingsdagen, onder de voorwaarde van betaling van de factuur van 4 maart 2004.

[gedaagde] bericht [eiseres] in haar brief van 15 april 2004:

“[eiseres] geeft aan dat het [gedaagde] vrijstaat de resterende cursusdagen naar eigen inzicht te boeken. U geeft ook aan dat dan nu wel de factuur betaald dient te worden die betrekking heeft op nog af te nemen cursusdagen. Daar verschillen wij van mening.

Het is niet uitgesloten dat deze cursusdagen pas in een veel later stadium afgenomen zouden kunnen worden. Ik heb u in mijn eerdere brief de redenen daarvoor aangegeven. Om daarvoor nu al de rekening te presenteren lijkt mij onjuist.”

De raadsman van [eiseres] heeft [gedaagde] in de brief van 26 april 2004 gesommeerd de resterende trainingsdagen op de reeds geplande data af te nemen en de factuur van 4 maart 2004 te voldoen. Bij gebreke van een bericht dat de dagen op de geplande data worden afgenomen en bij gebreke van betaling van de factuur wordt gesteld dat [eiseres] niet meer gehouden is de trainingsdagen te voldoen. In dat geval wordt aanspraak gemaakt op rente en kosten.

[gedaagde] heeft in haar brief van 27 april 2004 de raadsman van [eiseres] onder meer het volgende laten weten:

“Samenvattend: [gedaagde] neemt cursusdelen af op een door haar te bepalen tijdstip en betaalt deze pas na afloop als er tenminste een factuur door uw cliente wordt aangemaakt.”

De raadsman van [eiseres] heeft in zijn brief van 13 mei 2004 de overeenkomst gedeeltelijk ontbonden, namelijk voorzover het betreft de op [eiseres] rustende verplichting tot het verzorgen van de resterende trainingsdagen.

[gedaagde] heeft op 11 juni 2004 een bedrag betaald van € 11.233,60, te weten de vergoeding voor de op 31 maart, 1, 15 en 16 april 2004 gegeven trainingsdagen.

[gedaagde] heet momenteel: [gedaagde].

Het geschil

[eiseres] vordert nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst en gemaakte afspraken , namelijk betaling van de resterende voor 2003 overeengekomen trainingsdagen. Op die grond vordert zij - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 36.055,17, vermeerderd met (contractuele) rente en kosten.

[gedaagde] voert verweer. Op dit verweer en de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

Kern van het geschil is de vraag of partijen zijn overeengekomen dat minimaal 62 trainingsdagen worden gegeven en afgenomen in de periode van 2001 tot en met 2003 (standpunt [eiseres]) of dat partijen zijn overeengekomen dat totaal 186 trainingsdagen in voornoemde periode worden gegeven en afgenomen (standpunt [gedaagde]). Daarnaast speelt de vraag of partijen tijdens de bespreking op 2 maart 2004 (2.10) van de oorspronkelijke - in 2000 gesloten - overeenkomst zijn afgeweken.

[eiseres] verwijst naar de letterlijke tekst van de in 2000 op schrift gestelde - mondeling gemaakte - afspraken. Ter comparitie heeft [eiseres] verklaart dat op verzoek van [gedaagde] geen totaal aantal cursussen voor drie jaar, maar een minimum per jaar is overeengekomen. Er werden - zo stelt [eiseres] - in die tijd al meer dan 62 trainingen per jaar gegeven. De gelijkmatige verdeling van de trainingsdagen over de drie jaren heeft volgens haar ook alles te maken met het trainingsprogramma.

[gedaagde] stelt dat het contract een waarde vertegenwoordigde van € 438.896,22, te weten 186 trainingsdagen á NLG 5.200,- per dag exclusief BTW. Zij becijfert dat zij € 521.484,21 exclusief BTW heeft voldaan. Zij concludeert dat zij meer heeft afgenomen, dan waartoe zij op grond van de overeenkomst verplicht was. Zij betwist dat de teller aan het begin van elk jaar op nul moest worden gezet. Voorts stelt zij dat de op 2 maart 2004 gemaakte afspraken zien op het jaar 2004 en niet zien op de voldoening aan het contract van 2000.

De rechtbank is van oordeel dat de passage in de brief van 23 augustus 2000 - waarin is vastgelegd hoeveel trainingsdagen zullen worden verzorgd en afgenomen - (eerste afspraak onder 2.3), duidelijk en eenduidig is. Uit deze passage blijkt dat partijen ervoor hebben gekozen een minimum aantal dagen per jaar af te spreken en niet - zoals [gedaagde] betoogt - een totaal aantal trainingsdagen voor de gehele contractsperiode. Een uitleg volgens de zogenaamde Haviltex formule is niet aan de orde, nu [gedaagde] niet stelt dat anders is overeengekomen dan er in de overeenkomst lijkt te staan. [gedaagde] betoogt immers dat [eiseres]’ taalkundige uitleg van de betreffende passage uit de overeenkomst niet deugt. De rechtbank overweegt dat nu het alleen gaat om de vraag welke taalkundige uitleg mogelijk is, geen ruimte is voor bewijs.

Voor de taalkundige uitleg die [gedaagde] aan de passage geeft, ziet de rechtbank geen aanknopingspunt. Het is juist dat het contract een waarde vertegenwoordigt van minimaal € 438.896,76 (186 maal € 2359,66 ( NLG 5.200,-)). Uit het feit dat [gedaagde] meer heeft betaald dan dit bedrag kan echter, gelet op de passage over de hoeveelheid trainingsdagen per jaar, niet worden geconcludeerd dat [gedaagde] daarmee aan al haar verplichtingen heeft voldaan. Uit het woord “minimaal” volgt naar het oordeel van de rechtbank dat ieder jaar inderdaad de “teller weer op nul komt”.

Op 2 maart 2004 hebben partijen nadere afspraken gemaakt. Zij hebben blijkens de brief van 4 maart 2004 afspraken gemaakt over “de afwikkeling van de overeenkomst”en wel over de planning (dat alsnog de resterende 16 trainingsdagen zullen worden ingepland) en over de betaling en facturering (versturen credit factuur en een nieuwe factuur). Met deze afspraak zijn partijen in die zin van de in 2000 gesloten overeenkomst afgeweken dat niet is vastgehouden aan de bepaling dat een geannuleerde training binnen drie maanden na annulering moet worden ingehaald. Voorts verdwijnt met de afspraak over het sturen van een credit factuur en een nieuwe factuur de factuur van januari 2004 (waarvan de betalingstermijn al lang is verstreken) uit de boeken van [gedaagde]. De rechtbank stelt vast dat de oorspronkelijke overeenkomst voor het overige in stand is gebleven. [gedaagde] heeft niet gesteld dat de op 2 maart gemaakte afspraken niet juist en/of niet volledig zijn vastgelegd in de brief van 4 maart 2004. Wel stelt zij dat de op 2 maart 2004 gemaakte afspraken niets van doen hebben met het contract van 2000, maar zien op de afspraken voor het jaar 2004. De rechtbank passeert deze stelling omdat deze niet spoort met de inhoud van de in het geding gebrachte correspondentie tussen partijen, waaronder de brief van 2 maart 2004 waarin onder meer staat:

“Langs deze weg bevestigen wij u ons gesprek van 2 maart j.l. met betrekking tot de afwikkeling van onze overeenkomst”.

Subsidiair stelt [gedaagde] dat de door [eiseres] voorgestane uitleg in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. [gedaagde] stelt dat zij bij het aangaan van de overeenkomst uiteraard niet heeft beoogd en in elk geval niet heeft gewild dat aan het ruime surplus aan afname in 2001 en 2002 geen enkele waarde zou worden toegekend. Ook hier wijst [gedaagde] op de omstandigheid dat [eiseres] veel meer heeft verdiend dan de in 4.4 genoemde contractswaarde.

De rechtbank stelt voorop dat de ook voor partijen geldende contractsvrijheid meebengt dat zij vrij zijn overeen te komen wat zij willen, uiteraard begrensd door de openbare orde, goede zeden en dergelijke. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de bewuste passage over het aantal trainingsdagen duidelijk en eenduidig is, brengt dit mee dat het resultaat dat [eiseres] meer verdient dan de hiervoor genoemde (mimimaal) overeengekomen contractswaarde, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Als [gedaagde] iets anders had gewild - zoals zij stelt - dan had zij niet akkoord moeten gaan met de passage zoals deze thans tussen partijen geldt.

[gedaagde] heeft daarnaast meer subsidiair een aantal verweren opgeworpen. De rechtbank zal deze verweren hierna bespreken.

[gedaagde] stelt dat de brief van 26 april 2004 niet kan worden gezien als een rechtsgeldige ingebrekestelling, omdat geen redelijke termijn voor nakoming wordt gegeven en omdat tot een andere handeling dan tot nakoming van haar contractuele verplichtingen wordt gesommeerd. De sommatie ziet met andere woorden niet op de prestatieverplichting in de overeenkomst. Er is volgens [gedaagde] om die reden geen sprake van verzuim.

De rechtbank is van oordeel dat uit de in het geding gebrachte correspondentie blijkt dat [gedaagde] voldoende ruimte is geboden alsnog aan de tussen partijen gesloten overeenkomst te voldoen. Daarnaast heeft - zo blijkt uit de correspondentie - [gedaagde] voldoende gelegenheid gehad aan de sommatie van [eiseres] strekkende tot nakoming van de overeenkomst en de op 2 maart 2004 gemaakte afspraken te voldoen. Onder die omstandigheden is de in de brief van 26 april gestelde termijn van 3 dagen en de in de brief van 13 mei 2004 gestelde termijn van acht dagen een redelijke termijn. De sommaties in voornoemde brieven zijn naar het oordeel van de rechtbank duidelijk en zien wel degelijk ook op de prestatieverplichting in de overeenkomst, te weten het afnemen van trainingsdagen en de betaling van deze dagen. Al met al is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een rechtsgeldige ingebrekestelling, zodat [gedaagde] in verzuim is geraakt.

De rechtbank begrijpt de stellingen van [gedaagde] aldus, dat zij tevens stelt dat zij gerechtigd was de geplande dagen steeds te annuleren, zodat [eiseres] nog steeds verplicht is de trainingsdagen in te plannen en te verzorgen.

De rechtbank overweegt als volgt. Toen [gedaagde] niet voldeed aan de op 2 maart 2004 gemaakt afspraken en opnieuw om annulering en verplaatsing voor onbepaalde tijd verzocht, was [eiseres] naar het oordeel van de rechtbank gerechtigd haar verplichting tot het verzorgen van de trainingsdagen als vervallen te beschouwen en tot invordering van de vergoeding over te gaan. De rechtbank verwijst op dit punt naar de in 2.5 tot en met 2.18 weergegeven feiten alsmede naar artikel 9 sub b van de door [eiseres] gehanteerde algemene voorwaarden (2.4). Dit artikel geldt, naar het oordeel van de rechtbank naast de tussen partijen gemaakte afspraken over annuleren. Niet duidelijk is de stelling van [gedaagde] dat deze bepalingen elkaar “bijten”. De rechtbank is van oordeel dat artikel 9 sub b de tussen partijen gemaakte afspraak op dit punt verder uitwerkt. De rechtbank acht in dit verband van belang dat in de vastlegging van de gemaakte afspraken expliciet is verwezen naar de bepalingen van de algemene voorwaarden. Uit artikel 9 sub b in samenhang met de tussen partijen op schrift gestelde afspraak op dit punt volgt dat als een training is geannuleerd, deze binnen 30 dagen in overleg opnieuw wordt ingepland en verzorgd, waarna de verplichting tot het verzorgen vervalt. Nu uit niets blijkt dat [gedaagde] niet akkoord is gegaan met de in de brief van 4 maart 2004 voorgestelde cursusdata, kan niet worden betoogd dat nu [eiseres] deze eenzijdig heeft vastgesteld, [gedaagde] aan nakoming daarvan niet kan worden gehouden. Niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde] bezwaar heeft gemaakt tegen de in de brief van 4 maart 2004 genoemde data. De rechtbank leest een dergelijk bezwaar niet in de brief van 1 april 2004.

Met betrekking tot de stelling van de i[werknemer] van [gedaagde] dat vooruitbetaling niet kan worden verlangd, verwijst de rechtbank naar de negende passage in 2.3, waar de op dat punt tussen partijen gemaakte afspraak is opgenomen, alsmede naar de algemene voorwaarden. Nu niet is gesteld of gebleken dat partijen iets anders zijn overeengekomen, kan [eiseres] [gedaagde] wel degelijk aan deze bepaling houden. Voorgaande brengt mee dat het evenmin naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiseres] in de onderhandelingen erbij bleef dat in elk geval betaling van de resterende trainingsdagen diende plaats te vinden.

[gedaagde] heeft nog betoogd dat voor zover sprake is van een ontbinding van de overeenkomst, de gevorderde nakoming onmogelijk is en dat in dat geval schadevergoeding moet worden gevraagd, waarbij gederfde winst aan de orde is in plaats van prijzen voor trainingsdagen.

De rechtbank is van oordeel dat de door de raadsman van [eiseres] in de brief van 13 mei 2004 ingeroepen buitengerechtelijke gedeeltelijke ontbinding, te weten voor zover het betreft de uitvoering van de resterende 12 trainingsdagen, nietig is en derhalve geen rechtsgevolgen heeft. Gedeeltelijke ontbinding houdt immers een evenredige vermindering in van de wederzijdse prestaties. Uit de brief van 13 mei 2004 blijkt niet dat [eiseres] dit beoogt. Nu geen sprake is van (gedeeltelijke) ontbinding, blijft een vordering tot nakoming mogelijk.

[gedaagde] heeft de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten betwist. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten afwijzen. [eiseres] heeft niet gesteld of voldoende aannemelijk gemaakt dat zij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

De gevorderde contractuele rente, alsmede de wettelijke rente over de proceskosten zullen als niet weersproken worden toegewezen.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van

[eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 70,40

- vast recht 795,00

- salaris procureur 1.158,00 (2 punten × tarief € 579 )

_______________

Totaal € 2.023,40

De beslissing

De rechtbank:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 34.222,57 (vierendertig duizend tweehonderdtwee en twintig euro en zevenenvijftig eurocent), vermeerderd met de contractuele rente (wettelijke rente plus 1% per maand) vanaf 12 juni 2004 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 2.023,40, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de 15e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.C.J. van Bavel en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2005.

de griffier de rechter