Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU0547

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-06-2005
Datum publicatie
04-08-2005
Zaaknummer
120296
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het meest verstrekkende verweer is dat de offertes (2.1), geen offertes zouden zijn; zij hielden geen voorstel in van tegen betaling te verrichten werkzaamheden. Het zouden slechts stukken zijn geweest aan de hand waarvan K+V zonder dat daar direct een betaling tevenover stond, de werkzaamheden zou gaan verrichten.

Gedaagden zullen overeenkomstig hun aanbod in de gelegenheid worden gesteld bewijs te leveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 120296 / HA ZA 04-2148

Datum vonnis: 8 juni 2005

Vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

K+V INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Arnhem,

eiseres,

procureur mr. E.P. Breukelaar,

advocaat mr T. van der Meeren te Heilig Landstichting,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE KROMME AKKERS B.V.,

gevestigd te Beneden-Leeuwen, gem. West Maas en Waal,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WM INVESTMENTS B.V.,

gevestigd te Oss,

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats],

5. [gedaagde 5],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur en advocaat mr. O.N.J. Maatje te Zaltbommel

Partijen zullen hierna respectievelijk K+V en hetzij tezamen gedaagden, hetzij afzonderlijk De Kromme Akkers, [gedaagde 2], [gedaagde 4] en [gedaagde 5] genoemd worden.

Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

- het tussenvonnis van 16 februari 2005

- het proces-verbaal van comparitie van 4 mei 2005.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Op grond van offertes van 29 augustus 2001 en 16 november 2001, gericht aan Dutch Trading Centre Tiel B.V. in Tiel (hierna DTC), heeft K+V een marktonderzoek uitgevoerd en een ondernemingsplan opgesteld in de periode van mei 2001 tot en met juli 2002.

Het gaat in deze zaak over samenwerking in het kader van de ontwikkeling van een project in Duitsland met betrekking tot onderhoud van vastgoed tegen de verzekerde garantie. Voor dit project zijn verschillende namen gebruikt, onder meer IBV en ISW; de rechtbank zal het aanduiden als het project. Het project heeft geen resultaat opgeleverd.

Overgelegd is een stuk dat als opschrift draagt ‘NOTULEN, Bijeenkomst Tiel, d.d. 9-4-2001, deelnemers [betrokkene 1], K+V, [gedaagde 2], [gedaagde 5], Bespreking concept Immobilien Bestandsplege Versicherung (IBV).’

In dit stuk staat onder ‘gemaakte afspraken’ onder meer:

‘- EM verzorgt een offerte voor het juridische en marketing deel + de regie over het ondernemersplan. Inhoudelijke uitvoering wordt zoveel mogelijke in eigen beheer gedaan. EM levert offerte aan op 20-4-’01.

- Afspraak dat als EM met succes zorgt voor financiers, er een bonus uitgekeerd wordt (EM is dan tevens risicodrager, bonus vooraf bepalen).’

[gedaagde 5] heeft op 15 juni 2003 aan [betrokkene 1] (K+V) gemaild:

a. Het 1e contact, de opdracht en de betaling is door K+V met DTC (in persoon van [gedaagde 2]) geregeld. Naar mijn overtuiging weten alle betrokkenen dit totdat jouw directeur (...) een andere voorstelling van zaken probeert te geven.

b. De gesprekken over de betaling en de afspraken hierover hebben altijd tussen jou en [gedaagde 2] plaatsgevonden. Overigens ken ik jullie inhoudelijke afspraken niet, maar dat vind ik logisch omdat ik geen partij in deze ben. Zou ik opdrachtgever zijn geweest (...).’

[betrokkene 1]s antwoord luidde onder meer:

‘Altijd is door [gedaagde 2] tegen mij gezegd dat jullie gezamenlijk de rekening betalen voor het door ons geleverde werk (...).’

Daarop is een mail van [gedaagde 5] gevolgd op 16 juni 2003:

‘(...) Ik heb je niet gezegd dat [gedaagde 2] de opdrachtgever is of dat later heeft ingebracht bij DTC want zoals ik je heb aangegeven is DTC van het begin af aan opdrachtgever geweest en dat heb ik je vanmiddag ook aan de telefoon verteld. (...)’

Op 27 juni 2003 heeft DTC aan K+V een door [gedaagde 2] ondertekende brief geschreven, die luidde:

‘Bij dezen delen wij U mede dat fakturen inzake de werkzaamheden en de verstrekte rapporten m.b.t. ISW voor rekening zijn van Dutch Trading Center Tiel B.V.’

K+V heeft DTC voor de onder 2.1 bedoelde werkzaamheden facturen gezonden in de periode van 12 september 2001 tot en met 30 oktober 2002, ten belope van in totaal € 28.302,61. Deze zijn niet voldaan. Zij heeft DTC vervolgens gedagvaard. DTC is bij verstekvonnis van 25 februari 2004 veroordeeld om aan K+V € 31.338,09 en de proceskosten (€ 1.164,70) te betalen. Er is geen verzet ingesteld.

Blijkens het handelsregister was De Kromme Akkers van 21 september 1999 tot 1 september 2002 bestuurder van DTC en was WM Investments dat van 1 september 1999 tot 10 maart 2003. Zij zijn niet opgevolgd. [gedaagde 2] is bestuurder en enig aandeelhouder van De Kromme Akkers, [gedaagde 4] van WM Investments.

Uit het handelsregister blijkt dat DTC is ontbonden en heeft opgehouden te bestaan op 27 april 2004.

Het geschil

K+V vordert hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling aan haar van

- het onder 2.8 bedoelde bedrag van € 31.338,09 met de wettelijke rente daarover vanaf 18 juli 2003,

- het onder 2.8 bedoelde bedrag van € 1.164,70 met de wettelijke rente daarover vanaf 26 februari 2004 en de nakosten,

- de kosten van rechtsbijstand, begroot op € 998,00,

- de kosten van deze procedure en (voorwaardelijk) de nakosten.

K+V grondt haar vorderingen op de stelling dat De Kromme Akkers en WM Investments als bestuurders van DTC wisten, althans redelijkerwijs moesten weten dat DTC niet aan haar verplichtingen jegens K+V zou kunnen voldoen en geen verhaal zou kunnen bieden. De bestuurders hadden moeten voorzien dat het risico dat DTC niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen, zou worden verwezenlijkt. Zij voert daartoe onder meer aan dat uit de jaarstukken van DTC over 1999, 2000 en 2001 blijkt dat er nauwelijks actief tegenover haar schulden stond, dat nadat de bestuurders zich hadden teruggetrokken, er geen andere benoemd zijn en dat er na 2001 geen jaarrekeningen meer zijn gedeponeerd. De gedagvaarde natuurlijke personen waren volgens K+V de feitelijk leidinggevenden van DTC; [gedaagde 2] en [gedaagde 5] waren de eigenlijke opdrachtgevers van K+V.

Gedaagden voeren gemotiveerd verweer. De gronden daarvan komen hierna, voor zover nodig, aan de orde.

De beoordeling

Het meest verstrekkende verweer is dat de offertes (2.1), geen offertes zouden zijn; zij hielden geen voorstel in van tegen betaling te verrichten werkzaamheden. Het zouden slechts stukken zijn geweest aan de hand waarvan K+V zonder dat daar direct een betaling tegenover stond, de werkzaamheden zou gaan verrichten. Dit vond plaats in het kader van het project. Te zijner tijd, als het project van de grond was gekomen, zou K+V betaling ontvangen evenals de andere deelnemers aan het project. Gedaagden betogen thans dat deze afspraak met K+V’s vertegenwoordiger [betrokkene 1] is gemaakt, dat deze daarover interne problemen kreeg bij K+V en dat K+V vervolgens in strijd met de afspraak is gaan factureren.

Tot nu toe blijkt de juistheid van het voorgaande, anders dan gedaagden betogen, niet uit de stukken – ook niet uit de onder 2.3 genoemde notulen – of uit de ter comparitie afgelegde verklaringen. Daarentegen zijn offertes, facturen en onder meer de onder 2.4, 2.5, 2.6 en vooral 2.7 bedoelde stukken overgelegd die op werkzaamheden van K+V tegen betaling duiden.

Gedaagden zullen overeenkomstig hun aanbod in de gelegenheid worden gesteld bewijs te leveren. Gelet op het ter comparitie verklaarde – de conclusie van antwoord vermeldt alleen dat het ontwikkelen op wederzijdse inbreng was gebaseerd – betekent dit dat zij te bewijzen hebben dat tussen K+V enerzijds en DTC, althans de in het kader van het project samenwerkende partijen, anderzijds, overeengekomen was dat K+V voor haar op 29 augustus 2001 en 16 november 2001 geoffreerde of buiten deze offerte voor dezelfde wederpartij(en) verrichte werkzaamheden geen betaling zou ontvangen anders dan in het kader van een verrekening van kosten en een bonusregeling die waren overeengekomen voor het geval het project inkomsten zou gaan opleveren.

Slagen gedaagden in hun bewijs, dan dient de vordering te worden afgewezen. Weliswaar ligt daar het verstekvonnis tegen DTC, maar de grondslag van de vordering is dat gedaagden verweten kan worden dat zij wisten dat DTC niet zou kunnen betalen. Wanneer tussen partijen overeengekomen was dat er niet betaald zou worden tenzij het project van de grond kwam, wat niet is gebeurd, valt deze grondslag weg.

Slagen gedaagden niet in hun bewijs, dan komen de andere verweren aan de orde. De rechtbank zal om proces-economische redenen de inhoudelijke verweren reeds thans behandelen. Ten aanzien van deze verweren, die dus pas een rol spelen als vaststaat dat K+V haar werkzaamheden bij DTC kon factureren, speelt het verstekvonnis wél een rol, omdat daarin DTC’s betalingsverplichting tegenover K+V onherroepelijk vastligt. Voor zover de verweren de inhoud van de facturen die tot de veroordeling hebben geleid, betreffen, moeten zij om die reden worden verworpen.

K+V stelt dat De Kromme Akkers en WM Investments als bestuurders van DTC wisten, althans redelijkerwijs moesten weten dat DTC niet aan haar verplichtingen jegens K+V zou kunnen voldoen en geen verhaal zou kunnen bieden en dat zij hadden moeten voorzien dat het risico dat DTC niet aan haar verplichtingen jegens K+V zou kunnen voldoen, zou worden verwezenlijkt. Dit verwijt strekt zich uit tot de feitelijk leidinggevenden van DTC, [gedaagde 2], [gedaagde 4] en [gedaagde 5], die door de overeenkomsten met K+V te laten sluiten door DTC, althans die overeenkomsten in stand te laten, onrechtmatig zouden hebben gehandeld jegens K+V.

K+V onderbouwt dit betoog onder meer met de stelling dat de twee vennootschappen bestuurders van DTC waren en dat de bestuurstaken in feite werden verricht door hun bestuurders, [gedaagde 2] en [gedaagde 4]. Dit is niet betwist. Daarmee staat, zoals K+V terecht betoogt, vast dat zij feitelijk leidinggevenden binnen DTC waren.

Gedaagden betogen dat De Kromme Akkers en WM Investments niet wisten en redelijkerwijs niet konden begrijpen dat DTC haar verplichtingen jegens K+V niet zou kunnen nakomen.

[gedaagde 2] heeft ter comparitie onder meer verklaard: “Op uw vraag hoe het is gelopen met de opvolging van de twee bestuurders van DTC antwoord ik dat er geen activiteiten meer waren. [gedaagde 4] heeft zich toen ook laten uitschrijven (dit gebeurde volgens het handelsregister voor WM Investments op 10 maart 2003, de rechtbank). Ik heb de brief van 27 juni 2003 geschreven (2.7, de rechtbank) en ondertekend namens DTC omdat ik mij de zaak aantrok. Het project liep nog. Ik wilde proberen dit terecht te laten komen bij de mensen wie het aanging (...). Op uw vraag hoe DTC er financieel voorstond toen ik die brief schreef, antwoord ik dat we gestopt waren omdat er geen cashflow meer te genereren was. [gedaagde 4] was weg; er waren geen inkomsten en er werd niet meer voor DTC gewerkt.”

Mede gelet op het feit dat de bestuurders in 2002 en 2003 aftraden zonder opgevolgd te worden, blijkt hieruit naar het oordeel van de rechtbank dat het bestuur van DTC in het voorjaar van 2003 wist hoe DTC ervoor stond en dat zij eventuele facturen van K+V niet zou kunnen betalen.

Gedaagden betogen dat de jaarrekeningen over 1999 en 2000 niet van belang zijn voor de beoordeling van de pas later tot stand gekomen contracten met K+V en dat de winst- en verliesrekening over 2001 melding maakt van een positief resultaat. De rechtbank stelt vast dat hiermee de stelling dat uit de jaarstukken van DTC over 1999, 2000 en 2001 blijkt dat er nauwelijks actief tegenover haar schulden stond en dat er geen grond was om aan te nemen dat zij K+V’s facturen zou kunnen betalen, niet wordt weersproken.

De rechtbank passeert het verweer dat innoverende activiteiten kredietverschaffers kunnen aantrekken, omdat niet gesteld of gebleken is dat DTC enige poging heeft ondernomen om die aan te trekken.

De slotsom uit 4.6, 4.7 en 4.8 is dat de bestuurders van DTC reeds in 1999 wisten dat er onvoldoende actief aanwezig was, en dat vervolgens DTC ter ziele is gegaan zonder nog enige activiteit te ontwikkelen. Onder deze omstandigheden, mede in aanmerking genomen dat niets is gesteld of gebleken over enige kans op verbetering in DTC’s situatie, is het verwijtbaar als zij op grond van de offertes van 2001 DTC tegenover K+V hebben verbonden.

De positie van [gedaagde 2] verschilt van die van [gedaagde 4]. Ten aanzien van eerstgenoemde staat vast dat hij vanaf het begin was betrokken bij het project. Uit de stukken en uit zijn verklaring blijkt dat hij dit was als bestuurder van DTC. De onder 4.6 geciteerde verklaring geeft aan dat hij zelfs tot in de nadagen van DTC doorging voor haar op te treden, onder meer door K+V aan te geven dat zij aan DTC moest factureren. Het enige wat de stukken en de verklaringen over [gedaagde 4] feitelijke rol hebben opgeleverd, is dat wat [gedaagde 2] in diezelfde verklaring over [gedaagde 4] zegt. Buiten het hiervoor geciteerde houdt die verklaring in dat [gedaagde 4] een van de facturen van K+V geretourneerd zou hebben (wat ontkend wordt en hier verder niet van belang is).

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 2] als feitelijk leidinggevende van DTC reeds ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten met K+V heeft moeten begrijpen dat DTC niet in staat zou zijn aan haar verplichtingen tegenover K+V te voldoen. Daarmee staat – voor het geval gedaagden niet in het bewijs slagen – vast dat hij toen tegenover K+V onrechtmatig heeft gehandeld.

Ten aanzien van [gedaagde 4] is niet gebleken dat hij als feitelijk leidinggevende van DTC enige rol heeft gespeeld in de totstandkoming van de overeenkomsten met K+V en ook niet dat hij op enig moment in staat zou zijn geweest de confrontatie van K+V met DTC’s betalingsonmacht te voorkomen.

Rest de mogelijke aansprakelijkheid van [gedaagde 5]. Hij was bij het project betrokken, naar eigen zeggen niet uit hoofde van een functie bij DTC, maar op grond van zijn deskundigheid en productkennis. Gebleken is dan ook, zowel uit de stukken als ter comparitie, dat K+V intensief contact met [gedaagde 5] heeft gehad over de inhoudelijke kant van de werkzaamheden. Niet is gebleken dat [gedaagde 5] daarbij voor DTC optrad of uitlatingen heeft gedaan over de gegoedheid van DTC. Integendeel, uit de onder 2.4, 2.5 en 2.6 geciteerde mails blijkt dat hij besprekingen over het contract en de facturering overliet aan [gedaagde 2]. Dat K+V haar offertes en facturen aan DTC ter attentie van [gedaagde 2] en [gedaagde 5] richtte, verandert daar niets aan.

Voor zover K+V ter onderbouwing van [gedaagde 5]s aansprakelijkheid aanvoert – evenals zij overigens ten aanzien van [gedaagde 2] doet – dat hij in feite in persoon opdrachtgever was en niet DTC, stuit haar betoog af op innerlijke tegenstrijdigheid, waardoor het onbegrijpelijk en dus onvoldoende onderbouwd is. K+V betoogt immers steeds met DTC te hebben gehandeld. Aan haar is geoffreerd, aan haar is gefactureerd en tegenover haar is een veroordelend vonnis verkregen. Daarmee verdraagt zich wél het hiervoor verworpen betoog dat [gedaagde 5] feitelijk leidinggevende van DTC was, maar niet dat [gedaagde 5] in feite zelf opdrachtgever was samen met [gedaagde 2]. Dat zij de initiatiefnemers van het project waren, doet daaraan niet af, zelfs niet als zij in dat kader inhoudelijk opdrachten aan K+V gaven.

Als verweer is nog aangevoerd dat K+V wist dat DTC niet zou kunnen betalen. Dit is echter nergens uit gebleken. Ter comparitie is een uitgebreide mailwisseling aan de orde geweest, waartoe de onder 2.4, 2.5 en 2.6 geciteerde e-mailberichten behoren, waarbij het K+V juist begonnen was om haar betaling. Daarbij is niet aan de orde gekomen dat deze mailwisseling overbodig zou zijn geweest omdat K+V wist dat DTC niet kon betalen. Bovendien zijn met die stelling [gedaagde 2]s brief van 27 juni 2003 en zijn onder 4.6 geciteerde verklaring niet te rijmen. Het verweer wordt dan ook als onbegrijpelijk en daarom onvoldoende onderbouwd gepasseerd.

Resumerend stelt de rechtbank vast dat de bewijsopdracht van belang is voor de vraag of [gedaagde 2] en De Kromme Akkers aansprakelijk zijn uit onrechtmatig handelen jegens K+V. Tegen [gedaagde 4] zal de vordering moeten worden afgewezen. Niet is gebleken dat er een grond bestaat om anders te oordelen ten aanzien van zijn vennootschap WM Investments. De vordering tegen [gedaagde 5] zal moeten worden afgewezen.

Behoudens de bewijsopdracht zal de rechtbank thans iedere beslissing, ook, om proces-economische redenen, die over de afwijzingen, aanhouden.

De beslissing

De rechtbank

draagt gedaagden op te bewijzen dat tussen K+V enerzijds en DTC, althans de in het kader van het project samenwerkende partijen, anderzijds, overeengekomen was dat K+V voor haar op 29 augustus 2001 en 16 november 2001 geoffreerde of buiten deze offerte voor dezelfde wederpartij(en) verrichte werkzaamheden geen betaling zou ontvangen anders dan in het kader van een verrekening van kosten en een bonusregeling die waren overeengekomen voor het geval het project inkomsten zou gaan opleveren,

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 22 juni 2005 voor uitlating door gedaagden of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

bepaalt dat gedaagden, indien zij geen bewijs door getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct in het geding moeten brengen,

bepaalt dat gedaagden, indien zij getuigen willen laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op woensdagen in de maanden juli tot en met september 2005 direct moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. J.D.A. den Tonkelaar in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4,

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2005.