Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU0546

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-06-2005
Datum publicatie
04-08-2005
Zaaknummer
127500
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Aan de orde is de vraag of voorshands aangenomen kan worden dat de kantonrechter te Nijmegen het medehuurderschap aan eiseres zal toewijzen en gelet daarop eiseres gerechtigd is om in de woning te verblijven.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 267
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHV 2005/191 met annotatie van TG
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 127500 / KG ZA 05-335

Datum vonnis: 8 juni 2005

Vonnis

in kort geding

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

opposante bij dagvaarding van 3 juni 2005,

procureur en advocaat mr. S. van Oers te Groesbeek,

tegen

de stichting

STICHTING OOSTERPOORT WOONCOMBINATIE,

gevestigd en kantoorhoudende te Groesbeek,

geopposeerde,

procureur en advocaat mr. F.A.J. Klaver te Nijmegen.

Het verloop van de procedure

Bij bovengenoemde verzetdagvaarding heeft opposante, hierna te noemen [eiseres], verzet ingesteld tegen het vonnis in kort geding d.d. 25 mei 2005, geopposeerde ter zitting in kort geding van 7 juni 2005 doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding. Geopposeerde, hierna te noemen Oosterpoort, heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

De advocaten van partijen hebben de zaak bepleit, overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities.

Daarbij hebben zij producties in het geding gebracht.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De voorzieningenrechter heeft ter zitting mondeling uitspraak gedaan, met dien verstande dat de motivering van de beslissing pas later volledig op schrift zal worden gesteld. De overwegingen waarop die beslissing steunt worden hierna weergegeven.

De vaststaande feiten

1. [eiseres] is sedert juli 2003, in verband met een relatieverbreking, met haar twee kinderen inwonend bij haar moeder, mevrouw [betrokkene 1], te [woonplaats]. Voordien woonde [eiseres] met haar kinderen te [woonplaats].

2. Krachtens huurovereenkomst d.d. 14 april 1976 huurt mevrouw [betrokkene 1] de woning aan de [adres] sedert 16 april 1976.

Mevrouw [betrokkene 1] heeft bij brief van 24 januari 2005 de huur van de woning met ingang van 1 mei 2005 opgezegd. Deze opzegging is door Oosterpoort bij brief d.d. 18 februari 2005 bevestigd en aanvaard. De eindinspectie van de woning heeft op 2 mei 2005 plaatsgevonden. Op die dag heeft mevrouw [betrokkene 1] de woning verlaten en ontruimd voor wat betreft de haar in eigendom behorende goederen. [eiseres] heeft, ondanks enkele sommaties daartoe, te kennen gegeven niet bereid te zijn haar medewerking te verlenen aan een volledige ontruiming van de woning en verblijft thans nog steeds met haar twee kinderen in de woning.

3. De Urgentiecommissie KAN Regio heeft bij besluit d.d. 1 september 2004 de urgentieaanvraag van [eiseres] afgewezen aangezien er volgens haar geen sprake was van een urgentie zoals bedoeld in de Regionale Huisvestingsverordening KAN 2002 die een verhuizing met voorrang boven andere woningzoekenden rechtvaardigt.

4. Bij dagvaarding d.d. 21 april 2005 heeft [eiseres] bij de kantonrechter te Nijmegen een procedure aanhangig gemaakt tot het verkrijgen van (mede)huurderschap.

5. Bij vonnis in kort geding d.d. 25 mei 2005 is [eiseres] bij verstek onder meer veroordeeld om de woning aan de [adres] te ontruimen.

De vordering

6. [eiseres] heeft verzet ingesteld tegen het hiervoor onder 5 genoemde verstekvonnis. [eiseres] vordert, samengevat weergegeven, Oosterpoort te verbieden voornoemd vonnis tegen haar ten uitvoer te leggen en voert daartoe aan dat zij recht heeft op een titel om in de woning te verblijven. Zij heeft daarom reeds een vordering tot het verkrijgen van het medehuurderschap bij de kantonrechter ingediend.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat zij zowel op basis van de regels omtrent medehuurderschap als op basis van het urgentiebeleid en op grond van de redelijkheid en billijkheid het medehuurderschap van de woning dient te verkrijgen.

[eiseres] stelt dat zij met haar moeder een gemeenschappelijke huishouding voerde. Ook al heeft de samenleving tussen [eiseres] en haar moeder geen twee jaar geduurd, daarvan was wel op één of twee maanden na, wel bijna sprake. De termijn van twee jaar dient dan ook volgens [eiseres] niet strikt gehanteerd te worden, gelet op de belangen die er spelen.

7. Oosterpoort voert hiertegen gemotiveerd verweer waarop voor zover nodig hierna zal worden ingegaan.

De beoordeling van de vordering

8. De voor de verzetdagvaarding voorgeschreven formaliteiten zijn in acht genomen.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van partijen.

9. Aan de orde is de vraag of voorshands aangenomen kan worden dat de kantonrechter te Nijmegen het medehuurderschap aan [eiseres] zal toewijzen en gelet daarop [eiseres] gerechtigd is om in de woning te verblijven.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiseres]s vordering tot verkrijging van het medehuurderschap nagenoeg geen kans van slagen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

10. Volgens artikel 7:267 lid 1 BW kunnen de huurder en een andere persoon die in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft, gezamenlijk aan de rechter verzoeken te bepalen dat laatstbedoelde medehuurder zal zijn. De vordering is in het onderhavige geval uitsluitend door [eiseres] en niet mede door haar moeder ingesteld. Haar moeder ondersteunt die vordering ook niet. Bovendien neemt de moeder volgens de stukken het standpunt in dat [eiseres] met haar geen duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd. Volgens de jurisprudentie wordt dat, zeker ingeval het ouders en kinderen betreft, ook niet spoedig aangenomen.

11. Artikel 7:267 lid 3 BW bevat een drietal gronden tot afwijzing van de vordering. Aannemelijk is, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, dat de kantonrechter de vordering van [eiseres] op al die gronden zal kunnen afwijzen. [eiseres] heeft immers niet ten minste twee jaren haar hoofdverblijf in de woonruimte gehad en met haar moeder een – zo daarvan al sprake is geweest – duurzame gemeenschappelijke huishouding gehad (lid 3 sub a), de vordering lijkt bij uitstek de strekking te hebben aan [eiseres] de positie van huurder te verschaffen (sub b) en gezien het feit dat [eiseres] slechts voorschotten op een uitkering ontvangt en in het verleden haar huurbetalingsverplichting jegens Oosterpoort niet volledig is nagekomen, is het minst genomen twijfelachtig of [eiseres] vanuit financieel oogpunt voldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de verplichting tot huurbetaling (sub c). Bovendien heeft [eiseres] voor het gebruik van de woning vanaf 1 mei 2005 ook geen vergoeding betaald of aangeboden aan Oosterpoort.

12. [eiseres] heeft voorts gesteld dat zij van mening is dat zij thans wel voor een urgentieverklaring in aanmerking komt. Zij voert daartoe aan dat zij buiten haar schuld om dakloos is geraakt en er sprake is van grote spoed, nu zij en haar kinderen na de ontruiming geen dak meer boven hun hoofd zullen hebben. Oosterpoort bestrijdt dat zij een urgentieverklaring zal kunnen krijgen.

Vast staat dat indien [eiseres] een urgentieverklaring verstrekt krijgt, dit niet automatisch inhoudt dat zij de onderhavige woning toebedeeld krijgt.

Toewijzing van onderhavige woning is volgens Oosterpoort namelijk in strijd met een redelijke en doelmatige verdeling van woonruimte en zou tevens het woningdistributie-beleid doorkruisen.

De voorzieningenrechter acht bovendien voorshands aannemelijk dat [eiseres], gelet op haar inkomsten, niet in aanmerking kan komen voor een woning als onderhavige gelet op de hoge huurprijs van circa

€ 422,86, maar dat zij slechts in aanmerking kan komen voor toewijzing van relatief goedkope woonruimte.

13. Het voorgaande brengt met zich mee dat, naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter, aannemelijk is dat [eiseres] geen (mede)huurderschap zal verkrijgen en evenmin op basis van een urgentieverklaring de woning zal kunnen huren. Zij verblijft thans zonder recht of titel in de woning en maakt daarmee inbreuk op het eigendomsrecht van Oosterpoort. Het door [eiseres] tegen het vonnis in kort geding d.d. 25 mei 2005 gedane verzet dient daarom ongegrond te worden verklaard.

14. Een belangenafweging kan niet tot een ander oordeel leiden.

[eiseres] heeft gesteld dat zij belang heeft om in de woning te blijven aangezien zij nergens anders heen kan met haar kinderen. Daartegenover staat het belang van Oosterpoort bestaande uit het voorkomen van oplopende schade omdat vanaf mei 2005 geen huur meer wordt betaald en het feit dat de woning momenteel aan de normale exploitatie is onttrokken. Volgens het woningdistributie-beleid moet Oosterpoort zorgen voor een doelmatige verdeling van woonruimte. Andere woningzoekenden met een hogere urgentie en inschrijftijd/woonduur zullen indien de woning aan [eiseres] zal worden toegewezen, het slachtoffer worden. Oosterpoort dient rekening te houden met de schaarste van de door haar te verhuren woningen en de wens van potentiële huurders om niet onnodig lang te hoeven wachten op toewijzing van een woning.

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is, gelet op het feit dat onvoldoende is gebleken dat [eiseres] elders geen woonruimte kan vinden, het belang van [eiseres] thans onvoldoende om de ontruiming op te schorten.

Hoe lastig ook de situatie voor [eiseres] mogen zijn, dit betekent niet dat de gevolgen van de ontruiming niet voor rekening van [eiseres] behoren te komen. [eiseres] wist vanaf januari 2005, het moment dat haar moeder de huur van de woning had opgezegd, dat zij de woning per mei 2005 diende te verlaten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiseres] zich gedurende de periode januari tot mei 2005 niet tot het uiterste heeft ingespannen andere woonruimte te vinden. Zo is gebleken dat zij slechts twee keer als woningzoekende gereageerd heeft op andere huurwoningen via het blad Entree Magazine. Het verweer van [eiseres] dat haar niet een redelijke termijn is gegund om voor vervangende woonruimte te kunnen zorgen gaat dan ook niet op.

15. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiseres] in de kosten van dit kort geding worden verwezen.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart het verzet ongegrond,

veroordeelt [eiseres] in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Oosterpoort bepaald op € 527,-- salaris procureur;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier V.R. Bouwmeister op 8 juni 2005, terwijl de overwegingen waarop voormelde beslissing steunt, afzonderlijk zijn geminuteerd op 22 juni 2005.

de griffier de voorzieningenrechter