Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU0543

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-06-2005
Datum publicatie
04-08-2005
Zaaknummer
114678
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vraag of overeenkomst tussen partijen nietig is wegens strijd met (Europees) mededingingsrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 114678 / HA ZA 04-1092

Datum vonnis: 8 juni 2005

Vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STAFFPOOL B.V.,

gevestigd te Geldermalsen,

eiseres,

procureur mr. H. van Ravenhorst,

advocaat mr. N. van Bruggen te Breda,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. W.J.B.M. Alkemade.

Partijen zullen hierna Staffpool en [gedaagde] worden genoemd.

Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 augustus 2004

- het proces-verbaal van comparitie van 14 december 2004

- de akte van Staffpool van 2 februari 2005

- de akte van [gedaagde] van 2 maart 2005

- de akte van Staffpool van 13 april 2005.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Staffpool en [gedaagde] hebben op 5 juni 2002 een overeenkomst gesloten (de “overeenkomst”) uit hoofde waarvan Staffpool [gedaagde] met ingang van 1 juni 2002 onder meer het recht heeft gegeven gebruik te maken van de naam “Staffpool” en van door haar gehanteerde werkwijzen en Staffpool voorts bepaalde faciliteiten aan [gedaagde] ter beschikking heeft gesteld. [gedaagde] heeft zich verbonden daarvoor een vergoeding te betalen van € 2.380,00 (incl. BTW) per maand. Deze vergoeding werd telkens achteraf per de eerste van de maand in rekening gebracht en diende voor de tiende van dezelfde maand betaald te worden.

De overeenkomst gold voor onbepaalde tijd en kon door elk van partijen per aangetekende brief met inachtneming van een termijn van zes maanden worden opgezegd.

[gedaagde] heeft de maandelijkse vergoeding aanvankelijk zoals overeengekomen voldaan. Vanaf januari 2003 heeft [gedaagde] niet meer aan zijn betalingsverplichtingen voldaan. Staffpool heeft [gedaagde] schriftelijk gesommeerd aan zijn verplichtingen te voldoen.

Op 27 maart 2003 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen partijen waarbij [gedaagde] heeft meegedeeld de overeenkomst te willen beëindigen. Staffpool heeft bij brief van 16 april 2003 aan [gedaagde] bericht dat Staffpool na overleg met haar aandeelhouders de mededeling van [gedaagde] heeft aanmerkt als een geldige opzegging doch dat zij hem wel zou houden aan de overeengekomen opzegtermijn en dus aan betaling van de overeengekomen maandelijkse vergoeding in gedurende deze periode.

Op 19 juni 2003 heeft [gedaagde] een bedrag van € 119,00 betaald.

De vordering

Staffpool vordert veroordeling van [gedaagde], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van een bedrag van € 22.299,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de verschuldigdheid van de facturen die aan deze vordering ten grondslag liggen, tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede met de wettelijke rente over een bedrag van € 14.280,00 vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

Staffpool legt aan deze vordering ten grondslag dat [gedaagde] in verzuim is met de voldoening van de overeengekomen vergoeding voor de periode januari-maart 2003 ad totaal € 7.021,00 (drie maand- termijnen onder aftrek van de ontvangen betaling van € 119,00) en dat [gedaagde] voorts gedurende de opzegtermijn van zes maanden gehouden is de maandelijkse vergoeding (totaal € 14.280,00) te blijven betalen. Ten slotte maakt Staffpool aanspraak op vergoeding van de door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten die zij conform het Rapport Voorwerk II berekent op € 998,00.

[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen, primair op de grond dat de overeenkomst nietig is wegens strijd met het (Europese) mededingingsrecht en subsidiair omdat Staffpool, op verschillende gronden geen beroep toekomt op de opzegtermijn. De verweren van [gedaagde] komen hierna bij de beoordeling van de vorderingen, voor zover relevant, aan de orde.

De beoordeling

Nietigheid wegens strijd met (Europese) mededingingsrecht

Het meest vertrekkende verweer van [gedaagde] is dat de overeenkomst nietig is wegens strijd met het (Europese) mededingingsrecht, in het bijzonder artikel 81 EG-Verdrag, en dat de overeenkomst niet kan profiteren van de generieke vrijstelling. [gedaagde] legt aan dit verweer ten grondslag dat de overeenkomst leidt tot een (niet toegestane) markt- of gebiedsverdeling en hem beperkt in zijn mogelijkheid zelf zijn prijzen te bepalen. Ook overigens stelt [gedaagde] in zijn handelwijze te zijn beperkt omdat hij algemene voor-waarden van Staffpool op zijn diensten aan derden moest toepassen.

Dat sprake zou zijn van een gebiedsverdeling is weliswaar door [gedaagde] gesteld maar in het geheel niet door hem toegelicht, zodat de rechtbank daaraan voorbij zal gaan. De marktverdeling zou moeten blijken uit het feit dat het gebruik van de naam Staffpool en de werkwijzen van Staffpool slechts was toegestaan voor de branche F&A en [gedaagde] zich niet met gebruikmaking van die naam en werkwijzen mocht bezighouden met andere branches. Zonder nadere toelichting, die [gedaagde] niet heeft gegeven, is niet duidelijk waarom deze afspraak leidt tot een niet toegestane beperking van de mededinging. Dat geldt ook voor de algemene voorwaarden die [gedaagde] stelt van toepassing te hebben moeten verklaren op de door hem met derden gesloten overeenkomsten. De rechtbank komt dus ook niet toe aan een beoordeling van deze stelling.

Over blijft dan de stelling dat de overeenkomst nietig is wegens een niet toegestane prijsbinding. [gedaagde] heeft gesteld dat de overeenkomst de facto een prijsafspraak bevatte die hem verhinderde de prijzen die hij voor zijn diensten aan derden in rekening bracht in vrijheid vast te stellen. Staffpool heeft dit gemotiveerd betwist. De door [gedaagde] gestelde prijsafspraak volgt niet uit de overeenkomst. [gedaagde] heeft ter onderbouwing gewezen op een brief van 27 februari 2003 (productie 3 Staffpool bij antwoord). Uit deze brief volgt echter geenszins dat sprake is van een verboden prijsbinding. De brief verwijst naar de kantoorbrochure (overgelegd bij brief van 30 november 2004, ten behoeve van de comparitie op 14 december 2004). In deze brochure wordt gesteld (onderstreping van de rechtbank);

“Het honorarium dat wordt berekend voor het uitvoeren van een wervings- en selectieopdracht is, tenzij anders overeengekomen een percentage van het bruto jaarsalaris van de aan te stellen functionaris.

Het percentage wordt bepaald aan de hand van de moeilijkheidsgraad van de opdracht en de te hanteren wervingsmethoden en bedraagt tussen de 23% en 28% exclusief BTW ...”.

Hieruit volgt dat uitgangspunten in acht genomen dienden te worden, waarbij dan weer sprake was van een marge, maar dat daarvan ook kon worden afgeweken. Deze regeling duidt, zonder nadere toelichting, niet op een verboden beperking van de mededinging.

Het is echter mogelijk dat het in de praktijk niet goed mogelijk was om van die uitgangspunten af te wijken of dat de facto toch sprake was van een prijsbinding. [gedaagde] heeft daarvoor bewijs aangeboden. De rechtbank komt echter niet toe aan het geven van deze bewijsopdracht omdat als [gedaagde] het gevraagde bewijs zou leveren, van nietigheid van de overeenkomst geen sprake zal zijn en dus het door [gedaagde] beoogde resultaat, het ontvallen van de grondslag aan de vorderingen van Staffpool, zich niet zal voordoen.

Indien zou komen vaststaan dat tussen partijen een afspraak bestaat die naar zijn aard strijdig is met artikel 6 Mededingingswet (“Mw”), is voorshands aannemelijk dat zal deze kunnen profiteren van de bagatelvoorziening van artikel 7 Mw.

Staffpool heeft behalve met [gedaagde] vergelijkbare overeen-komsten gesloten met andere partijen. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst met [gedaagde] waren er overeenkomsten met, volgens de opgave van Staffpool, naast Staffpool en [gedaagde], vier andere partijen. [gedaagde] heeft gesteld dat ook een andere onderneming van Van Leijenhorst en een tweede onderneming van de heer Dubois meegeteld moeten worden maar heeft deze stellingen, die door Staffpool gemotiveerd worden betwist, onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank deze passeert. Bij ten tijde van de beëindiging van de overeenkomst waren, naast Staffpool en [gedaagde], zes andere partijen betrokken.

[gedaagde] heeft voorts onvoldoende feiten gesteld, mede in het licht van hetgeen in deze procedure door Staffpool is gesteld over de omzetten en de periode waarin de betrokken partijen hebben deelgenomen, over de omzet van Staffpool waaruit afgeleid zou kunnen worden dat de gezamenlijke (netto) omzet van de deelnemende partijen in 2002 het drempelbedrag zou hebben overschreden.

Dat de overeenkomst met [gedaagde] en andere, vergelijkbare door Staffpool gesloten overeenkomsten enige Europese dimensie hebben, is niet gebleken, zodat van strijd met het Europese mededingingsrecht geen sprake zal zijn en nader onderzoek naar de toepasselijkheid van de “de minimis regel” (Bekendmaking Commissie van 22 december 2001, PbEG 2001, C 368/13).

Ten slotte is van belang - en daarom komt de rechtbank niet toe aan het geven van een bewijsopdracht - dat indien sprake zou zijn van een verboden beperking van de mededinging en deze niet zou kunnen profiteren van artikel 7 Mw, het gevolg daarvan is dat de prijsclausule nietig is maar niet dat de gehele overeenkomst nietig is. De prijs-clausule is immers niet onverbrekelijk verbonden met de rest van de overeenkomst. Anders dan [gedaagde] stelt, is niet aannemelijk, laat staan aangetoond, dat de overeenkomst zonder deze clausule niet zou zijn gesloten. Er zou dus slechts sprake zijn van partiële nietigheid als bedoeld in artikel 3:41 BW. Daaraan doet niet af, zoals [gedaagde] heeft gesteld, dat de overeenkomst geen “reparatieclausule” kent, de wettelijke regeling voorziet immers in de gevolgen (naast artikel 3:41 BW zou mogelijk ook sprake kunnen zijn van de conversie van artikel 3:42 BW).

Overige verweren

[gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering tot betaling van de overeengekomen vergoeding voor de maanden januari-maart 2003, zodat dit deel van de vordering voor toewijzing gereed ligt.

[gedaagde] heeft voorts gesteld dat hij geen vergoeding verschuldigd is gedurende de opzegtermijn omdat partijen in het gesprek op 27 maart 2003 zouden zijn overeengekomen de overeenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen. Staffpool heeft dat betwist. De bewijslast van deze afspraak rust, conform de hoofdregel van artikel 150 Rv, op [gedaagde]. Gelet op zijn uitdrukkelijke bewijsaanbod ter zake, zal [gedaagde] worden toegelaten tot het bewijs van het bestaan van deze afspraak.

Voor zover de meer subsidiaire verweren nog aan de orde zullen komen, geldt het volgende. [gedaagde] heeft gesteld dat Staffpool handelt in strijd met de redelijkheid en billijkheid door hem aan de opzegtermijn te houden, nu Staffpool daarbij geen enkel belang heeft en de overeenkomst slechts een korte looptijd heeft gekend. [gedaagde] verwijst in verband met de opzegtermijn, naar analogie, ook naar artikel 6:237 lid 1 sub l BW.

Naar vaste rechtspraak dient bij de beoordeling van een dergelijk beroep, dat de rechtbank leest als een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW, de nodige terughoudendheid in achtgenomen te worden. Hetgeen [gedaagde] ter toelichting heeft gesteld, leidt niet tot de conclusie dat onverkorte toepassing van de opzegtermijn tot een onaanvaardbaar resultaat leidt.

[gedaagde] heeft gewezen op de korte looptijd van de overeenkomst. Daaraan komt echter geen doorslaggevend betekenis toe. De duur van een opzegtermijn houdt verband met de tijd die het kost om in een alternatief te voorzien. In dit geval is niet gebleken dat dat alternatief al binnen de opzegtermijn voor handen was. In tegendeel, ter comparitie heeft Staffpool verklaard dat de opvolger van [gedaagde] pas op 1 januari 2004 is begonnen. Staffpool heeft ter toelichting op de opzegtermijn ook gewezen op de door haar gemaakte initiële kosten en de periode waarin deze kunnen worden terugverdiend. In het licht van het voorgaande en gelet op het feit dat de opzegging uitging van [gedaagde], leidt toepassing van de opzegtermijn niet tot een onaanvaardbaar resultaat.

Voor een beroep op artikel 6:237 lid 1 sub l BW is geen grond. Er is geen sprake van een overeenkomst met een consument. [gedaagde] trad op als professioneel deelnemer aan het (zakelijke) verkeer. Dat hij dat doet als privé persoon maakt dat niet anders.

Ongerechtvaardigde verrijking is niet aan de orde. Staffpool beroept zich op een contractuele afspraak zodat van ongerecht-vaardigde verrijking reeds op die grond geen sprake kan zijn.

Ter zake van de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten geldt dat voldoende is aangetoond dat incassowerkzaamheden zijn verricht, ook door een derde, zodat de gevorderde vergoeding voor toewijzing in aanmerking komt. Dat geldt ook indien [gedaagde] zou slagen in het hem op te dragen bewijs omdat, zoals hierboven gesteld, [gedaagde] de verschuldigdheid van de vergoeding over de maanden januari-maart 2003 niet betwist.

De rechtbank zal dus aan [gedaagde] bewijs opdragen dat partijen op 27 maart 2003 hebben afgesproken dat Staffpool de opzegging door [gedaagde] zou aanvaarden met onmiddellijke werking en dus niet zou vasthouden aan de opzegtermijn.

De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

De beslissing

De rechtbank

draagt [gedaagde] op te bewijzen dat partijen op 27 maart 2003 hebben afgesproken dat Staffpool de opzegging door [gedaagde] zou aanvaarden met onmiddellijke werking,

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 22 juni 2005 voor uitlating door [gedaagde] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

bepaalt dat [gedaagde], indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

bepaalt dat [gedaagde], indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op donderdagen in de maanden juli tot en met oktober 2005 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. M.J. Blaisse in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4,

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Blaisse en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2005.

De griffier de rechter