Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU0535

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-06-2005
Datum publicatie
04-08-2005
Zaaknummer
125814
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Erfdienstbaarhied van overpad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 125814 / KG ZA 05-238

Datum vonnis: 6 juni 2005

Vonnis in kort geding

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. H.M. Punt te Amsterdam,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur

advocaat mr. J.E. Lenglet te 's Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna [eiser], [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.

Het verloop van de procedure

[eiser] heeft [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ter zitting in kort geding doen dagvaarden en gevorderd als weergegeven in de dagvaarding en de akte houdende aanvulling van eis.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.

De advocaten van partijen hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities.

Daarbij zijn producties in het geding gebracht.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

1. Partijen wonen allen aan de [adres]. [eiser] is eigenaar van de onroerende zaak gelegen aan de [adres], [gedaagde 1] van de onroerende zaak gelegen aan de [adres] en [gedaagde 2] van de onroerende zaak gelegen aan de [adres]. Partijen wonen dus aan weerszijden van de [adres].

De achterzijde van het perceel van [eiser] grenst aan de - parallel aan de [adres] gelegen - [adres]. Tussen deze [adres] en de [adres] loopt over het perceel van [eiser] een weg, die ook eigendom is van [eiser].

2. Ten laste van het perceel van [eiser] en ten nutte van de percelen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in 1934 twee erfdienstbaarheden van weg gevestigd om te komen en te gaan van en naar de [adres] via de hiervoor genoemde weg van [eiser].

In december 1983 heeft een ruilverkaveling plaatsgevonden. De erfdienstbaarheden zijn daarbij, aangepast, gehandhaafd.

3. Begin 2004 heeft [eiser] op het gedeelte van zijn perceel waarop de erfdienstbaarheden rusten, aan de zijde van de [adres] een ijzeren hek geplaatst dat elektronisch geopend en afgesloten kon worden.

4. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hadden tegen de plaatsing en afsluiting van dit hek bezwaren en dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat zij bij dagvaarding van 13 april 2004 [eiser] in kort geding hebben gedagvaard om te bewerkstelligen dat [eiser] het hek zou verwijderen, dan wel niet meer zou afsluiten.

5. Bij vonnis van 18 mei 2004 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank onder meer het volgende beslist:

Veroordeelt [eiser] om het op zijn terrein aan de [adres] te [woonplaats] geplaatste hek te openen en geopend te houden alsmede elke andere maatregel die inbreuk maakt op het recht van uitweg van eisers ([gedaagde 1] en [gedaagde 2]) achterwege te laten en eisers zonder enige belemmering in de gelegenheid te stellen het recht van weg ongehinderd uit te oefenen op de wijze waarop zulks tot op heden door hen geschiedde,

Veroordeelt [eiser] om ingeval hij (na betekening van dit vonnis) in gebreke mocht blijven aan bovenstaande veroordeling te voldoen, aan eisers een dwangsom te betalen van € 1.000,-- per dag, met een maximum van € 50.000,--,

6. [eiser] is bij exploot van 15 juni 2004 in hoger beroep gegaan van dit vonnis. Hangende het hoger beroep heeft hij ook aan het andere uiteinde van het pad, aan de [adres], een hek geplaatst.

7. Het Hof Arnhem heeft op 21 september 2004 arrest gewezen. Hierin

is onder meer als volgt overwogen:

3.7 (...) Doordat [eiser] [gedaagde 1] en [gedaagde 2] echter uitsluitend de hiervoor onder 3.6 omschreven (te) beperkte faciliteiten verleent, is ten aanzien van het slechts elektronisch te openen hek aan de [adres], gelet op de - naar het oordeel van het hof door de inbreuk op hun rechten wel degelijk spoedeisende - belangen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2], vooralsnog geen andere ordemaatregel mogelijk dan het bevel dit hek permanent open te laten. Wel geldt daarbij dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het gebruik van het overpad dienen te beperken tot het hoogst noodzakelijke, dat wil zeggen uitsluitend voor

voertuigen (derhalve voertuigen anders dan personenauto's of daarmee gelijk te stellen voertuigen) of combinaties van voertuigen (zoals personenauto's met aanhanger) die de terreinen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet via de [adres] kunnen bereiken. (...)

3.8 Daarnaast heeft [eiser] de mogelijkheid ongewenst gebruik van overpad tegen te gaan met behulp van het inmiddels geplaatste hek aan de [adres]zijde van het overpad. Dit hek leidt naar het voorlopig oordeel van het hof niet ertoe dat de uit de erfdienstbaarheid voortvloeiende rechten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op onredelijke wijze worden bemoeilijkt. Zij en hun leveranciers kunnen het hek immers ter plaatse openen en sluiten zonder dat daarvoor de medewerking van [eiser] of het gebruik van het pasje nodig is.

(...)

3.9 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het hof voorshands van oordeel dat de voorzieningenrechter terecht heeft bepaald dat de wijze waarop het hek aan de [adres] functioneert, op onrechtmatige wijze afbreuk doet aan de rechten die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan hun erfdienstbaarheid kunnen ontlenen. Anderzijds maakt een gebod het hek aan de [adres] permanent open te laten inbreuk op het recht van [eiser] onnodig en onbevoegd gebruik van het overpad tegen te gaan. Nu hij echter in dit laatste heeft voorzien door het aanbrengen van het hek aan de [adres], is het bezwaar aan genoemd verbod ontvallen. Het hof zal het vonnis van de voorzieningenrechter dan ook bekrachtigen met inachtneming van hetgeen het ten aanzien van het hek aan de [adres] (onder 3.8) en de wijze van het gebruik van het overpad door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (onder 3.7) heeft overwogen.

8. Het dictum in het arrest van het hof luidt:

Bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 18 mei 2004;

(...)

9. Na deze uitspraak heeft [eiser] zijn erf afgesloten met het hek aan de [adres]zijde van het overpad.

10. Op 30 december 2004 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij deurwaardersexploot aan [eiser] bevel gedaan tot

betaling van beweerdelijk verbeurde dwangsommen ten bedrage van € 50.000,00. Op 8 april 2005 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] executoriaal beslag gelegd op de woning van [eiser].

Het geschil

1. [eiser] vordert - kort weergegeven -

a. dat het [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zal worden verboden het vonnis van de voorzieningenrechter van 18 mei 2004 te executeren en dat zij zullen worden veroordeeld het beslag op te heffen,

b. dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen worden veroordeeld het overpad uitsluitend te berijden met voertuigen (derhalve voertuigen anders dan personenauto's of daarmee gelijk te stellen voertuigen) of combinaties van voertuigen (zoals personenauto's met aanhanger) die de terreinen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet via de [adres] kunnen bereiken,

c. dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen worden veroordeeld na gebruik het hek aan de [adres] te sluiten.

2. [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij heeft gehandeld zoals het hof in zijn arrest van 21 september 2004 heeft overwogen. Hij stelt daartoe dat hij na de uitspraak van het hof zijn erf heeft afgesloten met het hek aan de [adres]zijde van het overpad. Het hek aan de [adres]zijde heeft hij opengelaten. Tevens stelt hij dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich niets gelegen hebben laten liggen aan dat arrest, nu zij het gebruik van het overpad niet hebben beperkt tot het hoogst noodzakelijke, maar zij daarover ook met voertuigen zijn blijven gaan die hun terreinen ook via de [adres] hadden kunnen bereiken. [eiser] betwist dwangsommen verschuldigd te zijn.

3. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren gemotiveerd verweer, welk verweer hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

De beoordeling van het geschil

1. Vooropgesteld wordt dat de draagwijdte van een in algemene termen vervat rechterlijk verbod zich kan uitstrekken tot toekomstige handelingen. Voorzover het in een executiegeschil gaat om de afbakening van die draagwijdte, heeft als maatstaf te gelden dat de draagwijdte van het verbod beperkt is te achten tot handelingen waarvan in ernst niet kan worden betwijfeld dat zij, mede op de gronden waarop het verbod werd gegeven, inbreuken als door de rechter verboden, opleveren (vgl. HR 3 januari 1964, NJ 1964, 445, HR 5 april 2002 RvdW 2002,66).

2. Ten aanzien van de vordering [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te verbieden over te gaan tot executie van het vonnis van de voorzieningenrechter van 18 mei 2004 en hen te veroordelen het beslag op te heffen houdt partijen verdeeld de vraag of de plaatsing en afsluiting van het hek door [eiser] aan de [adres]zijde van zijn perceel is aan te merken als een maatregel of belemmering zoals is verboden door de voorzieningenrechter in zijn vonnis van 18 mei 2004.

Partijen hebben daarover, blijkens het arrest van hof Arnhem van 21 september 2004, bij de behandeling van hun zaak in hoger beroep over en weer het nodige gesteld.

3. Uit het arrest van het hof blijkt dat het hof voorshands heeft geoordeeld dat de plaatsing en afsluiting van het hek aan de [adres]zijde niet is aan te merken als een maatregel of belemmering, zoals door de voorzieningenrechter in zijn vonnis van 18 mei 2004 is verboden. Dat blijkt duidelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar uit de hiervoor geciteerde overwegingen 3.8 en 3.9 in onderling verband. Het hof heeft dat verder tot uitdrukking gebracht door (het dictum van) het vonnis van de rechtbank te bekrachtigen met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 3.8 is overwogen ten aanzien van dat hek. Dat betekent niets anders dan dat het hof de reikwijdte van de veroordeling van de voorzieningenrechter tot het achterwege laten van elke maatregel of belemmering als daar bedoeld, heeft ingeperkt zo dat daaronder het hek aan de [adres] niet valt.

Dat het hof daarbij is uitgegaan van een hek dat eenvoudig door middel van een deurkruk kan worden geopend, dus zonder pasjes of sleutel, terwijl ter zitting is gebleken dat het hek uit twee delen bestaat en voor het openen daarvan ook een pen uit de grond moet worden getrokken, maakt op voorhand niet dat er nu wel sprake is van een belemmering, nu klaarblijkelijk voor het hof bij zijn beoordeling doorslaggevend was dat het hek zonder pasjes of sleutels geopend kon worden. (r.o. 3.6)

4. Gelet op het hiervoor overwogene wordt voorshands geoordeeld dat [eiser] niet in strijd met het vonnis van de voorzieningenrechter van 18 mei 2004 heeft gehandeld door het hek aan de [adres]zijde te hebben staan en gesloten te houden. Aangezien aan de pretense verbeuring van de dwangsommen niets anders ten grondslag ligt dan dat, zal [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden verboden tot executie terzake daarvan over te gaan en zullen zij worden veroordeeld tot het opheffen van het beslag, een en ander op een wijze zoals hierna zal worden bepaald.

5. Ten aanzien van de vordering dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen worden veroordeeld het overpad uitsluitend te berijden met voertuigen (derhalve voertuigen anders dan personenauto's of daarmee gelijk te stellen voertuigen) of combinaties van voertuigen (zoals personenauto's met aanhanger) die de terreinen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet via de [adres] kunnen bereiken, wordt het volgende overwogen.

6. Ter zitting is gebleken dat partijen ook over deze kwestie in hoger beroep hebben gedebatteerd. Het hof heeft daarover het standpunt ingenomen zoals ovewogen in rechtsoverweging 3.7.

Aan die overwegingen lag niet een daarop gerichte vordering van [eiser] jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ten grondslag. Die overwegingen hebben in die kort gedingprocedure dan ook niet tot een ge- of verbod aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geleid. Beiden hebben ter zitting aangegeven zich niet te houden aan de overwegingen van het hof en het bestaande gebruik te continueren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat voor een hernieuwde beoordeling op dit punt geen aanleiding is. Het hof is hierover reeds duidelijk geweest in het eerste kort geding.

Het door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ter zitting gestelde dat de [adres] ook voor personenauto's erg lastig te berijden is, maakt dit niet anders. Immers, deze auto's kunnen wel over de [adres] de terreinen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bereiken. De vordering van [eiser] zal daarom worden toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom aan een maximum zal worden verbonden. Een bodemprocedure is thans aangewezen om (ook) dit punt ten gronde ter discussie te stellen.

7. [eiser] vordert voorts nog dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen worden veroordeeld het hek aan de [adres] na gebruik te sluiten.

Nu is geoordeeld dat [eiser] het recht heeft de weg waarop de erfdienstbaarheid rust af te sluiten met een dicht hek, kan van [gedaagde 1] en [gedaagde 2], als de gerechtigden tot de erfdienstbaarheid worden gevergd dat zij aan de uitoefening van dit recht hun medewerking zullen verlenen. De vordering zal daarom worden toegewezen. Ook hier geldt dat de dwangsom aan een maximum zal worden verbonden.

8. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

De beslissing

De voorzieningenrechter

1. verbiedt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de executie van de bij het vonnis van de voorzieningenrechter Arnhem met rolnummer 111866/KG ZA 04-220 opgelegde dwangsommen waarvan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de verbeurte bij exploot van 30 december 2004 hebben aangezegd en veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het terzake gelegde beslag op de woning van [eiser] aan de [adres] te [woonplaats] binnen vier dagen na betekening van dit vonnis op te heffen,

2. gebiedt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het overpad uitsluitend te berijden met voertuigen (derhalve voertuigen anders dan personenauto's of daarmee gelijk te stellen voertuigen) of combinaties van voertuigen (zoals personenauto's met aanhanger) die de terreinen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet via de [adres] kunnen bereiken,

3. gebiedt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] na gebruik het hek aan de [adres] te sluiten,

4. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om ingeval zij, na betekening van dit vonnis, in gebreke mochten blijven aan bovenstaande veroordelingen onder 1, 2 en 3 te voldoen, aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 250,00 per overtreding, echter met een maximum van € 10.000,00,

5. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] bepaald op € 816,00 voor salaris en op € 329,60 voor verschotten,

6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

7. weigert het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2005.