Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2005:AU0510

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-06-2005
Datum publicatie
04-08-2005
Zaaknummer
117596
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillissementswet;

VGZ heeft ter comparitie verklaard dat zij haar vordering wil wijzigen in een vordering tot een verklaring voor recht. Het uitgangspunt van de Faillissementswet is dat crediteuren hun vorderingen ter verificatie kunnen indienen en dat de rechtbank beslist omtrent al dan niet verificatie in een renvooiprocedure (art. 122 Fw.) of bij verzet tegen de uitdelingslijst (art. 186 Fw.). In zijn arrest van 8 november 1991 (NJ 1992,174, LJN-nummer ZCO401) heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat met de strekking van de in de Faillissementswet met betrekking tot de verificatie getroffen voorzieningen niet onverenigbaar is dat in een buiten de in die wet geregelde procesgang gevoerd geding tussen de curator en een derde die ook een vordering op de gefailleerde pretendeert, wordt beoordeeld en beslist of de vordering van die derde van dien aard is dat zij niet geverifieerd behoort te worden.

In de onderhavige zaak is geen sprake van zodanige bijzondere omstandigheden dat een uitzondering op dat hierboven weergegeven uitgangspunt van de Faillissementswet is gerechtvaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Arnhem

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 117596 / HA ZA 04-1642

Datum vonnis: 1 juni 2005

Vonnis

in de zaak van

MR. [eiser],

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakeliijkheid Ziekenvervoer Nederland B.V.,

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. T.H. Bruning te Deventer,

tegen

DE ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ MET UITGESLOTEN AANSPRAKELIJKHEID ZORGVERZEKERAAR VGZ U.A.,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. F.P. Lomans,

advocaat mr. M.A.L. Verhoeven te Eindhoven.

Partijen zullen hierna mr. [eiser] qq en VGZ worden genoemd. Voorts zal Ziekenvervoer Nederland B.V. hierna Zivoned worden genoemd.

Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

- het tussenvonnis van 1 december 2004

- het proces-verbaal van comparitie van 8 februari 2005.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

VGZ is per 1 januari 1998 op basis van een daartoe strekkende overeenkomst met het Centraal Orgaan Asielzoekers (COA) verantwoordelijk geworden voor de beschikbaarheid van het zittend ziekenvervoer voor in Nederland verblijvende asielzoekers, zogenaamden ZRA-verzekerden.

2.2 VGZ heeft op 1 maart 2001 een overeekomst gesloten met Zivoned, waarbij Zivoned zich onder de in die overeenkomst opgenomen voorwaarden heeft verbonden tot het coördineren en administreren van dat vervoer.

De artikelen 1 en 14 tot en met 19 van die overeenkomst luiden, voor zover van belang:

Artikel 1.

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

a. Coördinatiecentrum

Ziekenvervoer Nederland B.V., die de coördinatie, de administratie en de dagelijkse gang van zaken en de afwikkeling van praktische aangelegenheden terzake van het zittend ziekenvervoer verzorgt.

b. ZRA

Ziektekostenregeling asielzoekers uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van zorgverzekeraar VGZ

Artikel 14.

Declaratie van de vervoerders.

1. De vervoerders kunnen het door hen verrichte vervoer in rekening brengen bij het coördinatiecentrum op een door het coördinatiecentrum aangegeven wijze en tegen tussen de vervoerders en het coördinatiecentrum overeengekomen tarieven.

2. Indien de vervoerder zijn factuur indient binnen een week na het verstrijken van een kalendermaand, dan zal binnen een maand na de datum van indiening de betaling plaatsvinden.

Artikel 15.

Bevoorschotting.

1. ZRA stelt voor de overeengekomen en te leveren prestaties een budget per jaar beschikbaar van fl 38,50 incl. 6% BTW per verzekerde.

Op 1 januari 2001 wordt het aantal verzekerden vastgesteld op 78.000.

2. Het maandelijkse budget zal op basis van het in lid 1 gestelde fl 250.250,00 bedragen.

3. De handlingskosten per verzekerde worden vastgesteld op fl 4,00 per jaar, incl. 6% BTW. Op 1 januari 2001 wordt het aantal verzekerden vastgesteld op 78.000.

4. De maandelijkse vergoeding handlingskosten zal op basis van het in lid 3 gestelde fl 26.000,00 bedragen.

5. Budget en handlingskosten per maand tezamen fl 276.250,00 (incl. BTW) worden telkens aan het begin van de maand betaald, ingaande januari 2001.

6. Het genoemde budgetbedrag is van toepassing op de aanspraken zoals verzekerden die kunnen maken op de ZRA en/of de polisvoorwaarden zoals die thans luiden.

7. Wijzigingen in de aantallen verzekerden zullen gevolgen hebben voor de omvang van het vervoer en daarmee de budgetafspraken.

Artikel 16.

Aanpassing budget.

Jaarlijks vindt er tussen partijen overleg plaats over bijstelling van het jaarlijkse budgetbedrag. Voor 1 januari van het betreffende jaar moet er overeenstemming zijn bereikt over het budgetbedrag. De aanpassing bestaat uit een loon-/prijscomponent (NEA)

Artikel 17.

Volume-aanpassing.

1. Onverlet het in artikel 16 bepaalde vindt er maandelijks aanpassing van het budget plaats als gevolg van de wijzigingen in omvang van het ZRA verzekerdenbestand, e.e.a. conform de door het COA verstrekte gegevens omtrent de omvang van het ZRA verzekerdenbestand. Als parameter zal gelden het verzekerdenbestand van 78.000 zoals genoemd in Artikel 15 lid 1.

2. Het, als gevolg van de in het vorige lid beschreven aanpassing, vastgestelde maandelijkse budget zal gelden voor de maand volgende op de maand waar de in het vorige lid vermelde gegevens betrekking op hebben.

3. Bij de vaststelling van het in Artikel 15 lid 2 genoemde budgetbedrag is rekening gehouden met het verzekerdenbestand zoals dat voor 1 januari 2001 is vastgesteld.

Artikel 18.

Loon-/prijsaanpassing.

1. Naast de in Artikel 15 lid 1 genoemde volume-aanpassing kan het budgetbedrag zoals genoemd in Artikel 15 lid 2 jaarlijks ingaande 1 januari bijgesteld worden voor loon- en prijsaanpassingen waarbij de jaarlijkse bijstelling ten hoogste kan bedragen de door het Koninklijk Nederlands Vervoer geadviseerde collectieve trendmatige verhoging van de taxitarieven.

2. Als basis voor de jaarlijkse bijstelling zal gelden het overeengekomen budgetbedrag van het jaar voorafgaande aan het budgetjaar gemuteerd voor volume-aanpassing van het budgetjaar.

Artikel 19.

Afrekening.

1. Per kwartaal zal nagecalculeerd worden.

2. Het verschil tussen de betaalde voorschotten en de werkelijke vervoers- en handlingskosten worden verrekend.

2.3 Zivoned is op 5 juni 2002 in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. [eiser] tot curator.

Het geschil

in conventie

Mr. [eiser] qq vordert - samengevat - de veroordeling van VGZ tot betaling van € 503.185,- en van € 50.318,- wegens buitengerechtelijke kosten, beide bedragen vermeerderd met rente, met veroordeling van VGZ in de kosten van dit geding.

VGZ voert gemotiveerd verweer.

in reconventie

VGZ vordert - samengevat - de veroordeling van mr. [eiser] qq tot betaling van € 370.274,15 en € 611.416,84, met veroordeling van mr. [eiser] qq in de kosten van dit geding.

Mr. [eiser] qq voert gemotiveerd verweer.

in conventie en in reconventie

3.5 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

in conventie

4.1 Allereerst dient te worden vastgesteld welke afspraken tussen VGZ en Zivoned zijn gemaakt omtrent de afrekening tussen hen. Daarbij zijn de hierboven aangehaalde artikelen uit de overeenkomst tussen hen, in het bijzonder artikel 19, van belang.

4.2 Mr. [eiser] qq baseert zijn vordering op artikel 19 van de overeenkomst van 1 maart 1999 tussen VGZ en Zivoned. Hij stelt dat tussen partijen dient te worden afgerekend op basis van nacalculatie, dat wil zeggen dat VGZ aan de boedel dient te voldoen het verschil tussen de totale vervoers- en handlingskosten die in verband met het ZRA-vervoer ten laste van Zivoned zijn gekomen en de betalingen die VGZ aan Zivoned terzake heeft gedaan.

Mr. [eiser] qq becijfert die totale vervoerskosten op een bedrag van ƒ 5.448.923,- en de handlingskosten op een bedrag van ƒ 903.111,-. VGZ heeft aan Zivoned én rechtstreeks aan de betrokken taxi-ondernemingen een bedrag van in totaal ƒ 5.243.157,- betaald. Het verschil bedraagt derhalve ƒ 1.108.877,-, welk bedrag (in euro’s en naar beneden afgerond) mr. [eiser] qq van VGZ vordert.

4.3 VGZ geeft een andere uitleg aan artikel 19. Zij voert aan dat artikel 19 bedoeld is als een hardheidsclausule, waarop slechts in bepaalde uitzonderlijke situaties een beroep kan worden gedaan, en dat partijen dus niet de bedoeling hebben gehad eenvoudigweg af te rekenen op basis van nacalculatie. In dat kader wijst VGZ op haar brief van 11 januari 2001 aan de heren Heinhuis en Zantinge van Zivoned, waarbij een concept-overeenkomst was gevoegd. De tekst van artikel 19 in die concept-overeenkomst was gelijk aan die van artikel 19 in de overeenkomst van 1 maart 2001. In die brief van 11 januari 2001, die VGZ heeft geschreven in aansluiting op overleg op 10 januari 2001 tussen VGZ en Zivoned omtrent de voorwaarden van een tussen hen te sluiten overeenkomst en - volgens VGZ - ter bevestiging van gemaakte afspraken, staat met betrekking tot artikel 19:

Wanneer de Nederlandse overheid beslist om in het kader van internationale vluchtelingenverdragen een deel van de elders op de wereld verblijvende vluchtelingen uit te nodigen om een medische ingreep in Nederland te ondergaan en deze vluchtelingen aanwijsbaar meer vervoer nodig hebben dan de gemiddelde asielzoeker is dit aanleiding om artikel 19 in werking te doen treden. (Zie tevens hiervoor reactie op Artikel 15. lid 6). Deze verzekerden zullen dan zeker herkenbaar in de ZRA administratie moeten worden opgenomen.

Ook wanneer in de toekomst het vestigingsbeleid van centra afwijktvan het huidige kan Zivoned mits beargumenteerd een beroep doen op artikel 19.

Ook wijst VGZ erop dat Zivoned nimmer een beroep heeft gedaan op artikel 19, hoewel in de loop van 2001 Zivoned in financiële moeilijkheden raakte en volgens een door Zivoned op 21 februari 2002 geproduceerd overzicht de werkelijke vervoerskosten en handlingskosten in 2001 de afgesproken voorschotbedragen verre overschreden.

4.4 Op de brief van 11 januari 2001 heeft Zivoned destijds niet gereageerd. Gezien de inhoud van die brief én gezien het feit dat Zivoned nimmer een beroep heeft gedaan op artikel 19, hoewel daartoe, indien wordt uitgegaan van de visie van mr. [eiser] omtrent de betekenis van artikel 19, alle aanleiding bestond in verband met de omvang van de werkelijke vervoers- en handlingskosten in verhouding tot de betaalde voorschotten, acht de rechtbank voorshands bewezen dat artikel 19 is bedoeld als een hardheidsclausule als gesteld van de zijde van VGZ.

Mr. [eiser] zal toegelaten worden tot het leveren van tegenbewijs.

4.5 De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

in reconventie

4.6 De vordering van VGZ strekt tot een veroordeling tot betaling van mr. [eiser] qq. en is derhalve een vordering als bedoeld in artikel 26 Faillissementswet. Ingevolge dat artikel kunnen dergelijke rechtsvorderingen gedurende het faillissement op geen andere wijze ingesteld worden dan door aanmelding ter verificatie. Daaruit volgt dat VGZ in haar vordering niet-ontvankelijk is.

4.7 VGZ zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding. De kosten aan de zijde van mr. [eiser] qq worden begroot op € 2.580,-- (2 punten x tarief € 2.580,-- x 50%).

4.8 Naar aanleiding van het besprokene ter comparitie overweegt de rechtbank ten overvloede nog het volgende. VGZ heeft ter comparitie verklaard dat zij haar vordering wil wijzigen in een vordering tot een verklaring voor recht. Het uitgangspunt van de Faillissementswet is dat crediteuren hun vorderingen ter verificatie kunnen indienen en dat de rechtbank beslist omtrent al dan niet verificatie in een renvooiprocedure (art. 122 Fw.) of bij verzet tegen de uitdelingslijst (art. 186 Fw.). In zijn arrest van 8 november 1991 (NJ 1992,174, LJN-nummer ZCO401) heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat met de strekking van de in de Faillissementswet met betrekking tot de verificatie getroffen voorzieningen niet onverenigbaar is dat in een buiten de in die wet geregelde procesgang gevoerd geding tussen de curator en een derde die ook een vordering op de gefailleerde pretendeert, wordt beoordeeld en beslist of de vordering van die derde van dien aard is dat zij niet geverifieerd behoort te worden.

In de onderhavige zaak is geen sprake van zodanige bijzondere omstandigheden dat een uitzondering op dat hierboven weergegeven uitgangspunt van de Faillissementswet is gerechtvaardigd. In het bijzonder is - anders dan in het geval waarop dat arrest van 8 november 1991 betrekking heeft - geen sprake van een verwevenheid van de oordelen in conventie en in reconventie, terwijl ook niet is gesteld of gebleken dat VGZ een bijzonder belang heeft bij een snelle beslissing omtrent de verificatie van haar vordering.

De beslissing

De rechtbank

in conventie

laat mr. [eiser] qq toe tot het leveren van tegenbewijs als bedoeld in rechtsoverweging 4.4,

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 15 juni 2005 voor uitlating door mr. [eiser] qq of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

bepaalt dat mr. [eiser] qq, indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

bepaalt dat mr. [eiser] qq, indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op dinsdagen in de maanden juli tot en met oktober 2005 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. O. Nijhuis in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4,

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

verklaart VGZ in haar vordering niet-ontvankelijk,

veroordeelt VGZ in de proceskosten, aan de zijde van mr. [eiser] qq tot op heden begroot op € 2.580,--,

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling in reconventie uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2005.